Zorgverlener maakte geen fouten bij behandeling en doorverwijzing

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: zorgverlening    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1125642/1276190

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een jonge vrouw diende een klacht in tegen Mentaal Beter Cure B.V. over haar behandeling in de geestelijke gezondheidszorg. Zij vond dat haar dossier onterecht was gedeeld en afgesloten, dat doorverwijzingen te laat en onjuist waren geregeld, dat zij onvoldoende passende hulp had gekregen en dat er fouten waren gemaakt bij declaraties. Ook twijfelde zij aan de kwaliteit van haar EMDR-behandeling en stelde zij dat zij door alle problemen emotionele en lichamelijke schade had opgelopen. De zorgaanbieder legde uit dat de behandeling in eerste instantie was gericht op autisme en later ook op ADD-klachten, maar dat een mogelijke eetstoornis niet door deze instelling behandeld kon worden. Daarom was doorverwijzing naar andere gespecialiseerde zorg nodig. De commissie oordeelde dat de zorgaanbieder niet onzorgvuldig heeft gehandeld bij de diagnose, de behandeling en de doorverwijzingen. Ook vond de commissie niet bewezen dat onbevoegden in het dossier hadden gekeken of dat de EMDR-behandeling door een onbevoegde behandelaar was gegeven. Verder bleek dat foutieve declaraties later in overleg met de zorgverzekeraar waren hersteld, zonder dat de cliënte daardoor schade had geleden. De commissie zag wel dat de communicatie op sommige momenten duidelijker had gekund, vooral bij de overgang van jeugdzorg naar volwassenenzorg, maar dat betekende niet dat de zorgaanbieder in strijd met de professionele standaard had gehandeld. Daarom werden alle klachten ongegrond verklaard en kreeg de cliënte geen schadevergoeding.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Mentaal Beter Cure B.V., gevestigd te Hilversum
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

Cliënte heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 6 november 2025 te Den Haag. Beide partijen hebben hun standpunt nader toegelicht. Cliënte werd ter zitting bijgestaan door haar vader.
De zorgaanbieder werd ter zitting vertegenwoordigd door [naam], arts en medisch adviseur kwaliteit en rechtmatigheid, [naam], directeur behandelzaken kind en jeugd en [naam], advocaat.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de zorgverlening aan cliënte. De zorgaanbieder zou daarin tekort zijn geschoten. De klachten van cliënte en het verweer daartegen van de zorgaanbieder worden hierna geconcretiseerd.

Standpunt van cliënte

Voor het standpunt van cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
Cliënte is van 15 juni 2022 tot 11 april 2025 onder behandeling geweest bij de zorgaanbieder. Zij heeft eerst een diagnosetraject gehad waar ASS uit kwam. Omdat zij al bijna 18 was toen de diagnose was gesteld en er geen mogelijkheid was om snel andere psychologische hulp te krijgen is er besloten om haar alleen psycho-educatie te geven om vervolgens nadat haar middelbare school was afgelopen over te stappen naar volwassenenzorg.
Cliënte stelt dat de zorgaanbieder is tekortgeschoten in de geboden zorg. Haar belangrijkste klachten zijn:
• Ongeautoriseerd delen van haar dossier met derden. Het dossier is zonder haar toestemming afgesloten, ondanks haar verzoeken om dit niet te doen vanwege haar wens tot overdracht van het dossier naar een andere zorginstelling;
• Vertraagde en gebrekkige communicatie over haar behandeltraject, inclusief het ontbreken van belangrijke documenten en onjuiste informatie over haar dossierstatus. Hierdoor is haar dossier onbruikbaar voor toekomstige zorg, waardoor een nieuwe behandeling weer langer gaat duren.
• Vertragingen en fouten in doorverwijzingen naar externe zorgaanbieders zoals Boba Leiden en de overgang naar volwassenenzorg waardoor zij meer dan vier maanden geen zorg heeft ontvangen, wat haar mentale gezondheid negatief heeft beïnvloed.
• Onvoldoende en niet-passende behandelingen, waaronder het niet leveren van psycho-educatie en incomplete cognitieve gedragstherapie en niet onderkennen van eetstoornis problematiek en andere somatische klachten.
• Problemen met declaraties, waaronder onterechte kosten en foutieve declaraties aan de zorgverzekeraar. In de periode dat zij geen zorg kreeg is er meer dan € 2000,– aan behandeling gedeclareerd die zij niet heeft ontvangen.
• Twijfels over de bevoegdheid van haar EMDR-therapeut en de kwaliteit van de verleende EMDR-behandeling.
Hierdoor heeft cliënte zowel lichamelijke als emotionele schade opgelopen. De emotionele schade is moeilijk te onderbouwen, maar wordt erkend als een belangrijk onderdeel van de trauma-therapie waarvoor zij momenteel op de wachtlijst staat bij een SGGZ-instelling. Het trauma heeft een significante en negatieve invloed op haar leven en haar studie. De zorgaanbieder heeft de doorverwijzingen naar gespecialiseerde behandelaren tegengewerkt, wat heeft geleid tot vertragingen en een gebrek aan adequate adviezen van de huisarts. Hierdoor trekt cliënte nog steeds haar uit haar ledematen om met haar stress (ook in mentaal opzicht) beter om te kunnen gaan. Wat betreft de financiële schade, zijn er nog geen facturen omdat de littekens die zij hieraan overhoudt pas kunnen worden verwijderd nadat de benodigde behandelingen bij de SGGZ zijn voltooid. Haar immateriële schade begroot zij op € 4.000,–.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

De behandeling waarvoor cliënte was aangemeld was gericht op ASS en later is daar een classificatie ADD bijgekomen. Omdat een deel van de (later tijdens het zorgtraject op de voorgrond tredende) klachten niet kon en mocht worden behandeld bij de zorgaanbieder, zoals de problemen rondom een (mogelijke) eetstoornis, was doorverwijzing naar een andere GGZ-instelling geboden. De zorgaanbieder beschikte (en beschikt) niet over de specifieke zorgmiddelen en -expertise die bij eetstoornissen nodig zijn om aan de professionele standaard en minimale kwaliteitseisen uit de Jeugdwet en Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg (Wkkgz) te kunnen voldoen. Medicatieconsulten bij de psychiater in relatie tot de ADD werden wel gecontinueerd, zolang cliënte elders nog op de wachtlijst stond.

Op meerdere momenten in het behandeltraject werd gesproken over de behoefte aan vervolgzorg, zowel in de vorm van begeleiding of coaching gericht op het omgaan met ASS als (later in het traject) in de vorm van GGZ-zorg voor een mogelijke eetstoornis. In mei 2023 werd besloten om – de inmiddels 18-jarige – cliënte aan te melden voor Boba coaching. Deze kon in december 2023 starten. Door verhuizing naar Leiden moest cliënte opnieuw worden aangemeld, dat is in januari 2024 gedaan. Daarna bleek een indicatie aanvraag (c.q. beschikking of toewijzing door de gemeente) te ontbreken, daar was de zorgaanbieder in beginsel niet voor verantwoordelijk. De zorgaanbieder heeft wel aangegeven dat het opvolgen van doorverwijzingen (feitelijk zijnde een informatieoverdracht op verzoek van cliënte) meer alertheid had verdiend.

De EMDR is gegeven door een BIG-geregistreerd GZ-psycholoog. Dat is genoteerd in het medisch dossier. Zij is bevoegd en bekwaam om EMDR-sessies uit te voeren. Zij had in juni 2021 de EMDR-basistraining afgerond. De geleverde inzet van EMDR heeft een goed behandeleffect gegeven.

Cliënte geeft aan dat het dossier intern zonder haar toestemming is gedeeld. In de brief 18 juni 2024 is daar door de klachtenfunctionaris op ingegaan. De personen die in het dossier van cliënte hebben ingelogd, hebben dat gedaan in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst met haar. De zorgaanbieder ziet hierin geen onzorgvuldigheden. Naar de mening van de zorgaanbieder is het dossier adequaat bijgehouden. Alle onderzoeken zijn goed uitgewerkt. De rapportages zijn goed te volgen en het is duidelijk welke insteek de psychologische behandeling had.

Voor wat betreft de klacht ten aanzien van foutieve declaraties merkt de zorgaanbieder op dat door de overgang van Mentaal Beter K&J naar Mentaal Beter Volwassenen sommige zaken administratief niet goed zijn verwerkt. Dat is inmiddels gecorrigeerd en voor zover is na te gaan, zijn waar nodig door CZ ook correcties doorgevoerd. Het is de zorgaanbieder ook niet duidelijk geworden of cliënte op dit punt schade heeft. De behandeling bij de zorgaanbieder is gestopt toen duidelijk werd dat cliënte bij GGZ Rivierduinen terecht kon. De psychiater heeft cliënte duidelijk uitgelegd hoe dat geregeld is; er mogen conform de regelgeving van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) met betrekking tot de aan cliënte verleende zorg geen twee ZPM trajecten (ZPM staat voor zorgprestatiemodel) naast elkaar lopen. Verder heeft de psychiater de overdracht naar GGZ Rivierduinen via de huisarts geregeld en gezorgd voor een recept van de medicatie tot september 2025, zodat cliënte daarmee vooruit kon. Ook heeft de psychiater steeds aangegeven dat de huisarts en/of GGZ Rivierduinen met vragen contact met haar kon opnemen.

Conclusie: Er is binnen het zorgtraject geen sprake geweest van medisch onzorgvuldig handelen. Daarnaast hebben de behandelaren in alle fases met cliënte overlegd en samen besloten over welke hulpvragen binnen de GGZ door de zorgaanbieder opgepakt werden of waarvoor cliënte elders zorg of ondersteuning kon (laten) onderzoeken, vanaf het moment dat zij daarin een behoefte aan heeft gegeven. Daarnaast is onduidelijk of cliënte schade heeft geleden als gevolg van het (gesteld) onzorgvuldig handelen en zo ja, waar die schade dan uit heeft bestaan. De zorgaanbieder verzoekt de klacht van cliënte ongegrond te verklaren en de claim af te wijzen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Op grond van de zorgovereenkomst, die cliënte met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Tegen de achtergrond van dit besliskader moet de commissie beoordelen of de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de zorgovereenkomst met cliënte.

Cliënte heeft een groot aantal klachten aan de commissie voorgelegd. Haar klachten zien op de diagnose en behandeling; communicatie en verwijzing naar gespecialiseerde GGZ zorg; de dossiervorming, inzage in het dossier door onbevoegden en het afsluiten van het dossier en onjuiste declaraties door de zorgaanbieder bij de zorgverzekeringsmaatschappij. Deze zullen hierna successievelijk worden besproken.

1. Diagnose en behandeling.
De commissie heeft vastgesteld dat cliënte bij de zorgaanbieder is aangemeld voor onderzoek en behandeling van een autismespectrumstoornis (verder: ASS). De behandeling is in april 2023 aangevangen. Tijdens deze behandelingen zijn bij cliënte ook verdenkingen gerezen van een ADD stoornis en een eetstoornis. Ter zitting heeft de zorgaanbieder verduidelijkt dat hij niet bevoegd en toegerust was om deze stoornissen in combinatie met ASS te behandelen. Omdat cliënte binnen afzienbare tijd meerderjarig zou worden en daarmee de behandeling door de zorgaanbieder zou moeten worden beëindigd, heeft de zorgaanbieder al wel medicatie voorgeschreven voor haar ADD-stoornis ter overbrugging van de wachtlijst waarop cliënte stond voor specialistische GGZ-zorg voor volwassenen.
De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder niet kan worden verweten dat hij geen behandeling heeft kunnen aanbieden met betrekking tot de eetstoornis en de ADD-stoornis.

Cliënte heeft gesteld dat zij geen psycho-educatie heeft gekregen die haar zou helpen met het omgaan van ASS in die zin dat zij geen vervolgstappen heeft kunnen maken. De zorgaanbieder heeft aangegeven dat hij aan cliënte 8 sessies heeft gegeven waarin handvatten zijn aangereikt om met ASS om te gaan.
De commissie begrijpt dat het voor cliënte moeilijk is om haar leven in te richten met ASS. Ter zitting is voldoende komen vast te staan dat de verwachtingen van cliënte met betrekking tot resultaat van de psycho-educatie hoger zijn geweest dan hetgeen de zorgaanbieder kon leveren. Wellicht had in dit verband vooraf meer informatie door de zorgaanbieder over de inhoud en doel van de sessies cliënte meer duidelijkheid kunnen verschaffen. Alles overziende is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat aan cliënte door een onbevoegde EMDR therapie is gegeven is naar het oordeel van de commissie voldoende gemotiveerd betwist door de zorgaanbieder. Cliënte heeft, hoewel dat op haar weg lag, nagelaten te concretiseren waarom de kwaliteit van de verleende EMDR-behandeling onvoldoende zou zijn geweest.

2. Communicatie en verwijzing naar gespecialiseerde GGZ zorg.
Cliënte heeft aangegeven dat de zorgaanbieder er te lang over heeft gedaan om haar door te verwijzen naar externe zorgaanbieders zoals Boba Leiden en gespecialiseerde GGZ zorg waardoor zij meer dan vier maanden geen zorg heeft ontvangen. Cliënte heeft gesteld dat de zorgaanbieder de verwijzing naar een specialistische GGZ zorgaanbieder heeft getraineerd.
De zorgaanbieder heeft dit betwist. Vooraf was al duidelijk dat cliënte bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd niet meer door de zorgaanbieder kon worden behandeld. Wel stelt de zorgaanbieder dat, voor wat betreft de verwijzing, achteraf bezien wellicht iets alerter had moeten worden geacteerd ook al is de overgang van de jeugd GGZ naar de volwassenenzorg heel ingewikkeld geregeld met veel barrières. De behandeling was in eerste instantie primair gericht op het ASS en er is te veel vertraging ontstaan in de behandeling elders van de ADD en eetstoornis die later naar boven kwamen, aldus de zorgaanbieder.

De commissie heeft vastgesteld dat cliënte in juni 2022 is doorverwezen naar de zorgaanbieder. Omdat zij in januari 2023 meerderjarig zou worden, zou de financiering van de behandeling overgaan van de Jeugdwet naar de Zorgverzekeringswet. Op 3 april 2023 is een behandelplan opgesteld en overeengekomen. Afgesproken is dat de behandeling binnen het kader van de Zorgverzekeringswet in de eerste helft van 2023 nog (zoals toegestaan) door de zorgaanbieder zou worden opgepakt. Daarna diende de behandeling tot stoppen omdat deze niet meer zou worden vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet. Indien nodig zou overdracht naar volwassenenzorg of naar een andere instelling voor langdurige coaching/begeleiding plaatsvinden.

Tijdens de behandeling zijn meerdere klachten naar voren gekomen die specialistische hulp noodzakelijk maakte zoals specialistische hulp vanwege eetstoornis en ADD stoornis, die de zorgaanbieder niet kon leveren en begeleiding door middel van Boba coaching.
De zorgaanbieder heeft aangegeven dat Boba coaching die in december 2023 zou aanvangen niet doorging vanwege de verhuizing van cliënte naar Leiden waarna cliënte opnieuw op de wachtlijst kwam te staan en opnieuw een indicatie moest worden aangevraagd bij de gemeente Leiden. Voorts blijkt uit de stukken dat de zorgaanbieder een intake voor cliënte bij een team van GGZ Rivierduinen (in Zoetermeer) kon organiseren waardoor cliënte niet eerst op een wachtlijst zou komen. Cliënte heeft van dit aanbod en via haar huisarts een verwijzing naar GGZ Rivierduinen in Leiden gekregen. Zij kwam op de wachtlijst.
Cliënte heeft er zelf voor heeft gekozen om niet verder te gaan met GGZ Rivierduinen Zoetermeer en heeft gekozen voor begeleiding via haar huisarts zo lang zij op de wachtlijst van een andere gespecialiseerde GGZ instelling in Leiden stond.
Zij heeft ter zitting gesteld dat GGZ Rivierduinen Zoetermeer niet de vereiste specialistische hulp kon geven. De commissie is er echter ambtshalve mee bekend dat – in het geval deze hulp inderdaad zou ontbreken – de GGZ instelling een cliënt dan binnen de organisatie doorverwijst. Dat cliënte vier maanden geen specialistische zorg heeft ontvangen kan de zorgaanbieder niet worden verweten. Daarbij merkt de commissie op dat de psychiater heeft aangeboden dat de huisarts en/of GGZ Rivierduinen met vragen contact met haar kon opnemen. De psychiater heeft wel gedurende de periode dat cliënte op de wachtlijst stond medicatie voor ADD voorgeschreven. Alles overziende zal de commissie dit klachtonderdeel ongegrond verklaren.

3. Dossiervorming, inzage in het dossier door onbevoegden en het afsluiten van het dossier.
De commissie ziet geen aanwijzingen waaruit blijkt dat de dossiervorming onzorgvuldig is geweest.
De zorgaanbieder heeft gemotiveerd gesteld dat het dossier van cliënte uitsluitend is geraadpleegd door personen die betrokken zijn geweest bij de behandeling van cliënte. Cliënte heeft niet onderbouwd dat onbevoegden inzage hebben gehad in haar dossier. De zorgaanbieder mocht naar het oordeel van de commissie het dossier sluiten op het moment dat de behandeling was overgegaan naar een andere behandelaar, in dit geval de huisarts, en hij op grond van de Jeugdwet geen behandeling meer mocht aanbieden. Conform de regelgeving van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) mogen geen twee ZPM trajecten naast elkaar lopen. De commissie zal ook dit klachtonderdeel ongegrond verklaren.

4. Onjuiste declaraties door de zorgaanbieder bij de zorgverzekeringsmaatschappij.
De commissie heeft vastgesteld dat er inderdaad door de zorgaanbieder declaraties zijn ingediend die achteraf niet juist zijn gebleken. Vaststaat dat de zorgaanbieder deze facturatie in overleg met de zorgverzekeraar heeft aangepast. De commissie is van oordeel dat cliënte hiervan geen schade heeft geleden en derhalve geen belang meer heeft bij een uitspraak van de commissie. Reeds hierom is de klacht niet gegrond.

Conclusie
De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder niet tekort is geschoten in de behandeling van cliënte. Wellicht is op sommige momenten de communicatie met cliënte niet geheel duidelijk geweest voor wat betreft de overgang van de zorg gefinancierd vanuit de Jeugdwet naar zorg gefinancierd vanuit de Zorgverzekeringswet en de verwachtingen die cliënte vooraf van de behandeling had, maar dit betekent naar het oordeel van de commissie niet dat de zorgaanbieder niet heeft gehandeld volgens de professionele standaard.
De commissie zal daarom alle klachtonderdelen ongegrond verklaren. Omdat er geen sprake is van onzorgvuldig handelen van de zijde van de zorgaanbieder zal ook de vordering tot betaling van immateriële schadevergoeding worden afgewezen. De ongegrondheid van de klachten brengt ook met zich dat het klachtengeld niet aan cliënte zal worden geretourneerd.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

verklaart de klachten ongegrond;

wijst de vordering tot schadevergoeding af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer drs. D.C. Bouman, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 6 november 2025.