Zorgaanbieder treedt niet zorgvuldig op bij pijnklachten tijdens en na operatie

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: bejegening/ zorgverlening    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 226807/245466

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Cliënte heeft de zorgaanbieder aansprakelijk gesteld vanwege de aanhoudende pijn die zij ondervindt aan haar hand als gevolg van het niet goed inbrengen van een infuus. Hierdoor is de medicatie in haar hand gelopen. Voor cliënte is het onverteerbaar dat de zorgaanbieder tot op heden zich verschuilt achter een onvolledig medisch dossier en niet wil overgaan tot erkenning van schuld en geen excuses aan haar wil maken. Het medisch team heeft tijdens de operatie en ook in de verkoeverkamer geen acht geslagen op haar pijnklachten, die zij wel degelijk heeft geuit. Aan cliënte is eerder een schadevergoeding toegekend in deze zaak. Vanwege de pijnklachten die waarschijnlijk permanent zullen zijn, wenst zij thans een (extra) hogere vergoeding.

De commissie acht de houding van de zorgaanbieder, door het blijven ontkennen dat er geen sprake is geweest van onzorgvuldig handelen, niet begrijpelijk. Uit de overgelegde stukken is genoegzaam naar voren gekomen dat er naar alle waarschijnlijkheid sprake is geweest van extravasatie. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder tijdens en na de operatie in 2019 niet zorgvuldig heeft geacteerd op de pijnklachten van cliënte.

De gevorderde schade wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een causaal verband tussen het aanprikken van de venflon en de waarschijnlijke extravasatie tijdens de operatie op 20 april 2019 en de pijnklachten die cliënte bijna 4 jaar na dato ervaart.

De uitspraak

In het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [naam] (hierna te noemen: cliënte)

en

Meander Medisch Centrum, gevestigd te Amersfoort
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Samenvatting
Cliënte heeft de zorgaanbieder aansprakelijk gesteld vanwege de aanhoudende pijn die zij ondervindt aan haar hand als gevolg van het niet goed inbrengen van een infuus. Hierdoor is de medicatie in haar hand gelopen. Voor cliënte is het onverteerbaar dat de zorgaanbieder tot op heden zich verschuilt achter een onvolledig medisch dossier en niet wil overgaan tot erkenning van schuld en geen excuses aan haar wil maken. Het medisch team heeft tijdens de operatie en ook in de verkoeverkamer geen acht geslagen op haar pijnklachten, die zij wel degelijk heeft geuit. Aan cliënte is eerder een schadevergoeding toegekend in deze zaak. Vanwege de pijnklachten die waarschijnlijk permanent zullen zijn, wenst zij thans een (extra) hogere vergoeding.

De commissie acht de houding van de zorgaanbieder, door het blijven ontkennen dat er geen sprake is geweest van onzorgvuldig handelen, niet begrijpelijk. Uit de overgelegde stukken is genoegzaam naar voren gekomen dat er naar alle waarschijnlijkheid sprake is geweest van extravasatie. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder tijdens en na de operatie in 2019 niet zorgvuldig heeft geacteerd op de pijnklachten van cliënte.

De gevorderde schade wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een causaal verband tussen het aanprikken van de venflon en de waarschijnlijke extravasatie tijdens de operatie op 20 april 2019 en de pijnklachten die cliënte bijna 4 jaar na dato ervaart.

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 20 februari 2024 te Utrecht.

Beide partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht.

Ter zitting werd cliënte vergezeld van mevrouw [naam].

Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door mevrouw mr. [naam] en de heer mr. [naam] en bijgestaan door mevrouw mr. [naam], [naam advocatenkantoor].

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling
Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Voor de aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in de nakoming dan wel de uitvoering van de behandelingsovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten en de cliënt moet door deze tekortkoming nadeel zijn toegebracht (causaal verband).

Standpunt van cliënte.
Cliënte heeft de zorgaanbieder aansprakelijk gesteld vanwege de aanhoudende pijn die zij thans ondervindt aan haar hand als gevolg van het niet goed inbrengen van een infuus.

Op 20 april 2018 heeft cliënte een operatie ondergaan. Tijdens deze operatie is cliënte uit haar narcose wakker geworden, omdat de medicatie vanuit het infuus niet meer goed in haar ader liep, maar daarbuiten, in haar hand. Het infuus is toen verplaatst naar haar rechterhand. Zowel tijdens de operatie als daarna heeft cliënte melding gemaakt van de pijn die zij aan haar hand ondervond, maar hier werd geen aandacht aan besteed ondanks het feit dat haar hand gezwollen en een beetje beurs was. Omdat zij pijn bleef houden in haar linkerhand bij verschillende soorten belasting heeft zij zich gewend tot een gespecialiseerde kliniek. Aan de hand van de foto’s van haar hand die zij na de operatie heeft gemaakt heeft de behandelend arts aldaar aangegeven dat er naar alle waarschijnlijkheid sprake is geweest van een extravasatie, die direct na de operatie had moeten worden behandeld. Door de extravasatie heeft zij brandwonden in haar hand opgelopen die de pijn veroorzaken.

Hierop heeft cliënte via aansprakelijkheidsverzekering Medirisk de zorgaanbieder aansprakelijk gesteld voor de opgelopen schade en pijn. De zorgaanbieder heeft in eerste instantie de aansprakelijkheid afgewezen onder verwijzing naar de inhoud van het medisch dossier waarin niets staat vermeld over de pijnklachten van cliënte en er derhalve geen reden was geweest om te handelen volgens het extravasatieprotocol. Omdat haar klachten toch wel erg overeenkwamen met die van extravasatie, is de zorgaanbieder uiteindelijk aan cliënte tegemoet gekomen met een vergoeding van € 2.500,–, zonder finale kwijting.

Nu, na bijna vijf jaar na de operatie, heeft cliënte nog steeds pijnklachten in haar linkerhand en pols. Zij heeft haar werkkring moeten wijzigen van horeca naar een kantoorbaan en kan slechts in beperkte mate sporten (yoga), omdat zij niet op haar hand kan steunen. Deze pijnklachten zijn waarschijnlijk permanent. Dit is voor haar een reden geweest om de zorgaanbieder opnieuw aansprakelijk te stellen.
Cliënte vordert een bedrag van € 10.000,– immateriële schade, later terug gebracht tot € 5.000,–

Standpunt van de zorgaanbieder
De zorgaanbieder beroept zich primair op niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 6 lid 1 sub c dan wel op grond van artikel 6 lid 1 sub b van het reglement van de commissie.

De klacht, zoals door cliënte is ingediend bij de commissie, ziet op dezelfde feiten als de klacht die cliënte in 2019 aan de zorgaanbieder heeft voorgelegd. Deze klacht heeft cliënte niet binnen de termijn van 12 maanden na afhandeling van die klacht in 2019 aan de commissie voorgelegd. Dat cliënte zich in het najaar van 2023 tot MediRisk gewend heeft met een nieuw verzoek om tot schadevergoeding over te gaan, maakt dit volgens de zorgaanbieder niet anders, omdat dat verzoek dezelfde klacht is als in 2019. Indien en voor zover sprake zou zijn van een andere “nieuwe” klacht, waardoor van het overschrijden van de 12 maanden termijn geen sprake is, is de zorgaanbieder niet over die klacht geïnformeerd. De zorgaanbieder heeft enkel kennisgenomen van de aansprakelijkstelling van cliënte uit 2019, welke naar tevredenheid van cliënte was afgerond, alsmede het verzoek om een nieuwe schadevergoeding ontvangen. Van het doorlopen van de klachtenprocedure voor deze “nieuwe” klacht, is dan ook geen sprake geweest.

De zorgaanbieder is subsidiair van mening dat, hoewel cliënte aangeeft pijnklachten aan haar hand te hebben, het niet mogelijk is om een causaal verband vast te stellen tussen de pijnklachten en de behandeling noch tussen de schade en de behandeling. Allereerst ontbreekt in het medisch dossier iedere aantekening van extravasatie en daarnaast is het volgens de zorgaanbieder onvoldoende duidelijk dat de pijnklachten die cliënte ervaart het gevolg zijn van die mogelijke extravasatie.

De zorgaanbieder meent voorts dat, indien en voor zover sprake zou zijn van een recht op schadevergoeding, die schade reeds door MediRisk is vergoed. Voor toekenning van enige vorm van schadevergoeding in deze procedure ziet zij daarom geen grondslag.

Overwegingen van de commissie.
De commissie dient allereerst te beoordelen of cliënte in haar klacht kan worden ontvangen nu de zorgaanbieder uitdrukkelijk een beroep op niet-ontvankelijkheid heeft gedaan.

De commissie heeft vastgesteld dat de zorgaanbieder, naar aanleiding van de aansprakelijkheidsstelling van cliënte, op 19 juli 2019 aan cliënte een bedrag van € 2.500,– heeft vergoed zonder finale kwijting.

In mei 2023 heeft cliënte de zorgaanbieder opnieuw aansprakelijk gesteld voor de aanhoudende pijnklachten aan haar hand. Hierop heeft Medirisk op 11 augustus 2023 schriftelijk aan cliënte bericht niet bereid te zijn om de vergoeding te verhogen. Daarmee is een beslissing gegeven over de aansprakelijkheidstelling.

De commissie overweegt dat volgens vaste jurisprudentie een aansprakelijkheidstelling wordt gelijkgesteld aan het indienen van de klacht. Cliënte heeft op 9 februari 2023 haar klacht aan de commissie voorgelegd, derhalve binnen de termijn van 12 maanden. Gezien het vorenstaande dient cliënte in haar klacht te worden ontvangen.

De zorgaanbieder heeft ter zitting aangegeven dat zij geen aansprakelijkheid erkent en slechts uit coulance op 19 juli 2019 is overgegaan tot het betalen van een schadevergoeding. Daarbij heeft zij aangegeven dat in het medisch dossier niets staat vermeld over de pijnklachten die cliënte tijdens de operatie zou hebben ondervonden.

Voor cliënte is het onverteerbaar dat de zorgaanbieder tot op heden zich verschuilt achter een onvolledig medisch dossier en niet wil overgaan tot erkenning van schuld en geen excuses aan haar wil maken. Het medisch team heeft tijdens de operatie en ook in de verkoeverkamer geen acht geslagen op haar pijnklachten, die zij wel degelijk heeft geuit.

De commissie acht de houding van de zorgaanbieder, door het blijven ontkennen dat er geen sprake is geweest van onzorgvuldig handelen, niet begrijpelijk. Uit de overgelegde stukken is genoegzaam naar voren gekomen dat er naar alle waarschijnlijkheid sprake is geweest van extravasatie. Zo staat dit ook in het schikkingsvoorstel van 19 juli 2019 vermeld dat, hoewel extravasatie niet uit het dossier blijkt, het verhaal van cliënte hiervoor voldoende aanknopingspunten lijkt te bieden. Voorts is naar aanleiding van de klacht van cliënte binnen de vakgroep een verbetertraject doorgevoerd waarbij meer aandacht is gegeven aan het onderwerp extravasatie en is besproken hoe de pijnklachten peroperatief beter kunnen worden gedocumenteerd en hoe zorgverleners beter kunnen worden geïnformeerd dat zij anesthesiologen vroegtijdig moeten benaderen bij pijnklachten naar aanleiding van een venflon. Hieruit maakt de commissie op dat er blijkbaar op dit punt binnen de vakgroep geen duidelijkheid bestond over het herkennen en documenteren van pijnklachten. Dit blijkt ook uit het feit dat er in het medisch dossier een VAS-score 0 is aangegeven, hetgeen niet aannemelijk is daar een patiënt die een operatie heeft ondergaan in de regel direct hierna altijd een zekere mate van pijn heeft. Tenslotte heeft de zorgaanbieder in haar schikkingsvoorstel, dat zij in januari 2023 aan cliënte heeft gedaan, het volgende vermeld: “Ondanks dat in het medisch dossier geen aantekening gemaakt is van enige klachten aan de hand ten tijde van de operatie, is het aannemelijk dat de klachten veroorzaakt zijn door de venflon aan de linkerhand”.

Gezien al het vorenstaande ook in onderling (tijds)verband beschouwd is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder tijdens en na de operatie in 2019 niet zorgvuldig heeft geacteerd op de pijnklachten van cliënte. De klacht van cliënte zal gegrond worden verklaard.

Vordering
Cliënte heeft een bedrag gevorderd van € 10.000,–, welk bedrag zij in de procedure heeft teruggebracht tot € 5.000,–.

De zorgaanbieder heeft op 19 juli 2019 aan cliënte een bedrag toegekend van € 2.500,– met de mededeling dat mochten er in de komende jaren de klachten als gevolg van de waarschijnlijke extravasatie toenemen, cliënte zich tot de zorgaanbieder kon wenden.

Ter zitting heeft cliënte desgevraagd aangegeven dat de klachten die zij ondervindt niet zijn toegenomen, maar dat zij er nu meer last van heeft, omdat zij haar hand meer is gaan belasten met het beoefenen van yoga. Zij kan niet steunen op haar hand, want dan krijgt zij last van haar hand en pols. Als gevolg van de pijnklachten kan zij ook niet meer in de horeca werken.

De commissie sluit haar ogen er niet voor dat cliënte pijnklachten aan haar hand ondervindt. Echter, voor het vaststellen of de zorgaanbieder aansprakelijk is voor de gevorderde immateriële schade, dient de commissie te beoordelen of er sprake is van een causaal verband tussen de gevorderde schade en het aanprikken van de venflon en de waarschijnlijke extravasatie op 20 april 2019. De commissie kan niet vaststellen dat de pijnklachten die cliënte thans ondervindt het (directe) gevolg zijn van het aanprikken van de venflon en de waarschijnlijke extravasatie in april 2018.

Nu het causaal verband niet kan worden vastgesteld, zal de commissie de vordering afwijzen.

Daar de klacht gegrond wordt verklaard, dient de zorgaanbieder, ingevolge het reglement van de commissie, aan cliënte het door haar betaalde klachtengeld, een bedrag van € 52,50, te vergoeden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie
– verklaart de klacht van cliënte gegrond;
– wijst de vordering tot schadevergoeding af,
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 dient te vergoeden aan cliënte ter zake van het klachtengeld;
– wijst het meer of anders verlangde af.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw mr. dr. M.J. van Dam, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 20 februari 2024.