Zorgaanbieder kon redelijkerwijs niet tot opheffing woongroep besluiten

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Gehandicaptenzorg    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 214331/225712

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De zorgaanbieder heeft besloten om woongroep De Stalhouderij op te heffen en de zes cliënten te verplaatsen. Het geschil betreft de vraag of de zorgaanbieder redelijkerwijs tot dit besluit kon komen. Ook ligt de vraag voor of de zorgaanbieder in het besluitvormingsproces gezien de tijdsdruk, termijnen, communicatie en informatieverstrekking zorgvuldig heeft gehandeld. Naar het oordeel van de commissie kon de zorgaanbieder redelijkerwijs niet tot het besluit komen om de woongroep op te heffen. Ook heeft de zorgaanbieder in de procedure tot het besluit niet zorgvuldig gehandeld. De klacht is gegrond.

De uitspraak

in het geschil tussen

de heer [naam], wonende te [plaats] (hierna te noemen: de cliënt),
vertegenwoordigd door mevrouw [naam] (zus) en de heer [naam],
(hierna te noemen: de klagers)

en

Amarant Groep, gevestigd te Tilburg
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. De behandeling heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2023 te Den Haag.

Ter zitting werd cliënt vertegenwoordigd door mevrouw [naam] (zus) en de heer [naam]. De zorgaanbieder werd ter zitting vertegenwoordigd door de heer [naam] (manager) en de heer
[naam] (directeur Wonen in de wijk).

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling
Aanleiding
Woongroep De Stalhouderij in Waalwijk bestaat vanaf de start in mei 2010 uit zes cliënten met een ernstige meervoudige beperking dan wel een ernstige verstandelijke beperking. Begin 2023 hebben de klagers van de zorgaanbieder vernomen dat deze woongroep opgeheven wordt en de cliënten elders geplaatst moeten worden.

De zorgaanbieder kreeg de mededeling vanuit de huisartsenpraktijk dat de zorg voor de cliënten te intensief werd en dat de huisartsenzorg op termijn zal worden gestaakt. Aan de voorwaarde van de huisartsenpraktijk, zorgdragen voor nauwe betrokkenheid van een arts VG, kon door de zorgaanbieder deels worden voldaan, maar de aanbieder kan niet de huisartsenzorg op deze locatie gaan vormgeven, zoals ze wel op de hoofdlocaties doet.

De zorgaanbieder is niet alleen verantwoordelijk voor de huisvesting en de zorg van de cliënten op De Stalhouderij, maar ook voor de huisartsenzorg als onderdeel van het verzekerde pakket. Als de huisartsenzorg wordt gestaakt kan de zorgaanbieder niet meer de kwaliteit en veiligheid van zorg waarborgen. Daarom stelt de zorgaanbieder genoodzaakt te zijn de cliënten over te plaatsen naar andere locaties.

Voor de klagers is deze opheffing niet te begrijpen en ook niet acceptabel. Er bestaat onduidelijkheid over de daadwerkelijke reden van de opheffing van de woongroep en de communicatie en informatieverstrekking rondom de besluitvorming zijn volgens de klagers ook volstrekt onvoldoende. De klagers hebben op 17 mei 2023 gezamenlijk een klacht ingediend bij de klachtenfunctionaris. Het hieruit voortgekomen groepsgesprek op 8 juni 2023 heeft voor de klagers niet het gewenste resultaat gehad. De klagers hebben het geschil aanhangig gemaakt bij de commissie. De klagers vertegenwoordigen vijf cliënten, nu de verwanten van de zesde cliënt zich niet hebben gevoegd in dit geschil.

Ontvankelijkheid
De zorgaanbieder is blijkens het verweerschrift in de eerste plaats van mening dat de klagers in hun klacht niet-ontvankelijk zijn, omdat de interne klachtenprocedure niet is afgerond. Het geschil is namelijk bij de commissie aanhangig gemaakt kort nadat de klacht bij de klachtenfunctionaris was ingediend. Partijen zijn nog met elkaar in gesprek om een passende oplossing te vinden en de zorgaanbieder heeft nog geen oordeel gegeven op de klacht.

Volgens de zorgaanbieder is verder ook geen sprake van een geldige reden of situatie waarin de klagers de klacht direct bij de commissie neer kunnen leggen zonder eerst de interne klachtenprocedure te doorlopen. De zorgaanbieder wil niet dat haar de mogelijkheid wordt ontnomen om gezamenlijk tot een oplossing te komen.

Volgens de klagers was echter geen sprake meer van een oplossingsgericht gesprek, nu de zorgaanbieder uitdrukkelijk vasthoudt aan de beslissing om de woongroep op te heffen wat nu juist de kern van de klacht is. Het afwachten van de interne klachtenprocedure had volgens de klagers dan ook geen nut.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid is ter zitting aan de zorgaanbieder de vraag voorgelegd of het besluit om de woongroep op te heffen en de cliënten te verplaatsen onherroepelijk vaststond, ongeacht de klachten van de klagers. De zorgaanbieder heeft hierop onomwonden bevestigend geantwoord: slechts over het tijdspad van de overplaatsing was nog overleg mogelijk.

Nu de partijen en de commissie het eens waren dat onder deze omstandigheden (namelijk dat het besluit van de zorgaanbieder onherroepelijk vaststaat) het redelijkerwijs niet van klagers gevraagd kan worden de interne klachtenprocedure geheel te doorlopen alvorens het geschil bij de commissie aanhangig te maken, heeft de zorgaanbieder het beroep op niet-ontvankelijkheid ten aanzien van het besluit tot opheffing van de woongroep ter zitting expliciet ingetrokken. De ontvankelijkheidsvraag behoeft dan ook geen nadere behandeling en de commissie buigt zich over de inhoud van de klacht.

Het geschil
Hoewel de klagers ieder hun visie op het geschil ter zitting hebben toegelicht, is de aard van het geschil en de onderbouwing gelijkluidend. De commissie behandelt de klacht van de klagers dan ook gezamenlijk. In de kern samengevat valt de klacht van de klagers in twee onderdelen uiteen:
– De klagers zijn het niet eens met het besluit van de zorgaanbieder om de zes cliënten van De Stalhouderij naar verschillende locaties over te plaatsen en willen dat dit besluit wordt teruggedraaid.
– De klagers zijn van mening dat de procedure (termijnen, tijdsdruk, communicatie en formatie) tot dit besluit niet zorgvuldig is verlopen.

Bij de commissie ligt daarom de volgende vraag voor: kon de zorgaanbieder redelijkerwijs tot het besluit komen om de woongroep op te heffen en de cliënten naar andere locaties te verplaatsen? Ter beantwoording van deze vraag overweegt de commissie het volgende.

Reden opheffing De Stalhouderij
Volgens de zorgaanbieder is het opheffen van de woongroep niet onrechtmatig en het overplaatsen van cliënten evenmin. Een overplaatsing van cliënten naar een andere locatie van de zorgaanbieder, of naar een externe locatie, is toegestaan. Vanuit de Wet langdurige zorg heeft de zorgaanbieder een leveringsplicht ten aanzien van de Wlz-zorg, maar die leveringsplicht houdt niet in dat cliënten recht hebben op zorg die geboden wordt op één locatie. Het staat zorginstellingen dus in principe vrij om cliënten over te plaatsen naar andere locaties. Daarbij is uiteraard wel relevant welke reden aan de overplaatsing ten grondslag ligt en of de zorgaanbieder zorgvuldig heeft gehandeld.

De grondslag voor de opheffing van De Stalhouderij is dat het voor de zorgaanbieder niet haalbaar is om intensieve noodzakelijke medische huisarts- en VG-zorg aan te (blijven) bieden in [plaats]. De huisartsenpraktijk heeft de zorgaanbieder laten weten de zorgverlening aan de cliënten niet duurzaam te kunnen realiseren. In eerste instantie heeft de zorgaanbieder gezorgd voor een eenvoudige oplossing door een verpleegkundig team samen te stellen en een VG-arts voor telefonisch consult beschikbaar te stellen. Toch bleek dat dit voor de huisarts niet afdoende was om aan de grotere en complexere zorgvraag van de cliënten te voldoen. De huisarts heeft daarop de zorgaanbieder een halfjaar de tijd gegeven om een alternatieve oplossing te vinden.

De zorgaanbieder heeft ter zitting aangegeven de noodzaak te voelen een oplossing te vinden vanwege de door de medische disciplines (huisarts) aangegeven tijdsdruk. De zorgaanbieder benadrukt ter zitting dat dit besluit niet lichtvaardig genomen is en dat dit besluit niet genomen zou zijn indien alternatieve oplossingen voorhanden waren. Het is in deze tijden van schaarste niet mogelijk om extra VG-artsen te vinden.

Ter zitting heeft de commissie kunnen vaststellen dat niet alle cliënten dezelfde huisarts hebben. Volgens de klagers is de zorg voor de cliënten de afgelopen jaren niet meer of complexer geworden. Ook hebben de klagers nooit zelf iets vernomen over de toegenomen zorgzwaarte van de huisartsen. Verder zijn de klagers van mening dat een verplaatsing van de cliënten het probleem van het tekort aan VG-artsen ook niet oplost.

De commissie begrijpt dat het vinden van beschikbare VG-artsen een landelijk probleem is, evenzo de druk op de huisartspraktijken. Desalniettemin is de commissie van mening dat de zorgaanbieder onvoldoende heeft geprobeerd alternatieve oplossingen voor de huisartsenproblematiek te vinden. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat er geen andere huisartsen beschikbaar zijn in de nabije omgeving of geen VG-artsen in te huren zijn.

De zorgaanbieder heeft hiertoe ook geen documentatie kunnen overleggen. Mede nu de klagers zelf meermaals hebben aangeboden een (grotere) rol te willen spelen in de zorg voor de cliënten, bijvoorbeeld door het regelen van vervoer naar een arts die verder weg praktijk houdt, concludeert de commissie dat de zorgaanbieder onvoldoende op alternatieve oplossingen heeft ingespeeld.

De commissie deelt de mening van de zorgaanbieder dat inzet van de klagers geen structurele oplossing is, zeker gezien het feit dat de zorgvraag van de cliënten naar mate de leeftijd vordert meer en/of complexer wordt. Gesprekken over de toekomst van de zorgverlening dienen naar het oordeel van de commissie echter op individueel niveau gevoerd te worden met inachtneming van de feiten en omstandigheden van de specifieke cliënt. Het opheffen van een gehele woongroep is naar het oordeel van de commissie wellicht een oplossing, maar staat niet in verhouding tot de persoonlijke belangen van de (kwetsbare) cliënten die allen vanaf het begin, circa 13 jaar, bij elkaar de veiligheid en het vertrouwen gevonden hebben.

Verder is de commissie van oordeel dat de huisarts verantwoordelijk is en blijft voor de zorgverlening voor de cliënten. Indien de huisarts deze zorgverlening niet meer kan realiseren, is het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de huisarts om hiervoor een oplossing te vinden. Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder zich het probleem te veel eigen gemaakt. Daarbij betreurt de commissie dat uit het dossier niet is gebleken dat overleg is gevoerd met de huisarts en de artsen VG. Ook is het spijtig dat de klagers voor wat betreft de bezwaren van de huisarts niet zijn meegenomen.

Samengevat is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder bij de afweging tussen het organisatiebelang, hieronder begrepen de verantwoordelijkheid van de zorg, en de persoonlijke belangen van deze (kwetsbare) cliënten onvoldoende heeft onderzocht of er alternatieven voorhanden zijn om de groep bijeen te laten op die locatie in de wijk.

Termijn en tijdsdruk
Bij de klagers bestond de indruk dat de cliënten per 1 september verplaatst zou worden. De zorgaanbieder benadrukt, ook ter zitting, dat dit nooit de bedoeling is geweest. Tot 1 september 2023 zouden partijen de tijd nemen om naar passende oplossingen te zoeken en nieuwe plekken te bezichtigen. Vanaf 1 september worden actief nieuwe plaatsen aangeboden en worden deze nieuwe plaatsen met urgentie toegekend. Op een zeker moment zal de locatie inderdaad leeg moeten zijn, maar een harde deadline is daarvoor nooit gegeven. Dit is volgens de zorgaanbieder in het gesprek op 8 juni 2023 ook expliciet benoemd.

Volgens de klagers is het bovenstaande nooit op die wijze gecommuniceerd en was wel degelijk sprake van tijdsdruk. De klagers verwijzen hiervoor naar de e-mail van de manager van 23 maart 2023, waarin staat: “Wanneer er een plaats vrij komt zal de verhuizing plaats vinden voor begin september”. In het gespreksverslag naar aanleiding van het groepsgesprek is de zorg van de klagers ten aanzien van de tijdsdruk ook niet weggenomen. De zorgaanbieder sprak volgens de klagers over een verhuistermijn en niet over een oriëntatiefase.

De commissie begrijpt dat de indruk is ontstaan van tijdsdruk en verwijst hiervoor ook naar de e-mail van de manager d.d. 9 juni 2023 naar aanleiding van het groepsgesprek: “Zoals besproken is er door de samenhang van beide redenen gekozen voor gehele ontmanteling van de zorggroep. Gezien de medische verantwoording vanuit Amarant en de huisarts, zit er tijdsdruk op dit proces. Ondanks de tijdsdruk is ons doel samen met u een gewenste en passende woonplek te vinden voor uw verwant”.

Naar het oordeel van de commissie was de zorg van de klagers dat de verhuizingen voor of vanaf
1 september 2023 zouden plaatsvinden terecht en is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder te weinig heeft gedaan om die, in de ogen van laatstgenoemde onterechte zorgen weg te nemen.

Informatie en communicatie
De zorgaanbieder heeft ter zitting erkend dat – hoewel de klagers vanaf het begin zijn meegenomen na het besluit en uitgebreid zijn geïnformeerd – er kansen zijn blijven liggen in de communicatie en informatieverstrekking jegens de klagers.

Naar het oordeel van de commissie is de communicatie en informatieverstrekking richting de klagers in de besluitvormingsfase ruim onvoldoende geweest. De zorgaanbieder had de klagers reeds bij de eerste signalen vanuit de huisartsenpraktijk kunnen betrekken om het probleem en eventuele oplossingen te bespreken. Ook alternatieve oplossingen (mede aangedragen door de klagers) zijn onvoldoende geëxploreerd. Door de klagers voor een voldongen feit te plaatsen waaraan niet te tornen valt, zijn de relaties begrijpelijkerwijs op scherp komen te staan.

Conclusie
De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder bij de afweging tussen het organisatiebelang, hieronder begrepen de verantwoordelijkheid van de zorg, en de persoonlijke belangen van deze (kwetsbare) cliëntengroep onvoldoende heeft onderzocht of er alternatieven voorhanden zijn om de groep op de locatie in de wijk bijeen te laten. Daarnaast is de commissie van oordeel dat tijdens de procedure de zorgaanbieder te weinig oog heeft gehad voor de communicatie en informatie als ook voor de zorgen die de klagers hadden met betrekking tot tijdsdruk en termijnen.

Als gevolg van deze beslissing gaat de commissie ervan uit dat de cliënten op gebruikelijke tijd en wijze zorgverlening ontvangen op woongroep De Stalhouderij.

Ook zal de commissie, conform het reglement, bepalen dat de zorgaanbieder het door de klagers betaalde klachtengeld dient te vergoeden. Nu geen sprake is van een verhuizing wijst de commissie de schadevordering ten aanzien van de verhuiskosten af.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
• Verklaart de klacht in al haar onderdelen gegrond;
• Wijst de schadevordering af.
Bovendien dient de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van
€ 52,50 aan de cliënt te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw drs. Y.J.M. ten Brummelhuis, mevrouw mr. O.A.M. Floris, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 25 augustus 2023.