Zorgaanbieder heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend zorgverlener in vergelijkbare omstandigheden mag worden verwacht

  • Home >>
  • Zorg Algemeen >>
De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: zorgvuldig handelen zorgaanbieder    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 193905/201038

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Het geschil betreft de kwaliteit van de aan de cliënt geleverde zorg. De cliënt verwijt de arts van de zorgaanbieder dat zij onvoldoende controles heeft uitgevoerd waardoor de oogzenuw van de cliënt onherstelbaar is beschadigd. De zorgaanbieder geeft aan dat de cliënt er zelf voor heeft gekozen zich aan de controles van de oogarts te onttrekken. Daarmee heeft de cliënt de oogarts de gelegenheid  ontnomen om nader onderzoek te doen dat mogelijk tot dezelfde bevindingen als dat van de andere oogkliniek zou hebben geleid. De commissie is van oordeel dat niet is gebleken dat de zorgaanbieder zich onvoldoende voor de cliënt heeft ingespannen of bij die inspanning een fout heeft gemaakt. Dat een plotselinge verergering van het ziektebeeld (glaucoom) heeft geleid tot ernstig verminderd gezichtsvermogen, is heel erg, maar kan niet aan de zorgaanbieder worden verweten. De zorgaanbieder heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend zorgverlener in vergelijkbare omstandigheden verwacht mag worden. De klacht is ongegrond  en het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding  wordt afgewezen.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de kwaliteit van de aan de cliënt geleverde zorg. De cliënt verwijt de arts van de zorgaanbieder dat zij onvoldoende controles heeft uitgevoerd waardoor de oogzenuw van de cliënt onherstelbaar is beschadigd.

Standpunt van de cliënt

De cliënt is sinds 10 februari 2009 bekend met glaucoom en was sindsdien onder controle en onder behandeling van de oogkliniek van de zorgaanbieder. In december 2011 is een kleine ingreep uitgevoerd waarmee de oogdruk van de cliënt wat werd verminderd. In mei 2021 werd besloten de controle zes maandelijks te laten plaatsvinden.

Op 23 augustus 2021 heeft de cliënt zich met duidelijke glaucoomklachten bij de oogkliniek gemeld. Op dat moment was de oogdruk in beide ogen extreem hoog (27 mmHg). Er werd echter geen gezichtsveldonderzoek uitgevoerd en evenmin werd een vervolgcontrole afgesproken.

Vanwege een toename van klachten heeft de cliënt op 23 november 2021 een opticien bezocht. Op zijn advies heeft de cliënt contact opgenomen met de zorgaanbieder, maar volgens een medewerker van de kliniek was het niet mogelijk om een afspraak te maken, omdat het door Corona-omstandigheden erg druk was. Daarbij werd gezegd dat er geen reden was voor een afspraak, omdat de visus van de cliënt bij de laatste controle 100 was; de cliënt zou voor de maand mei 2022 weer een oproep ontvangen.

De cliënt wilde dit niet afwachten, omdat hij merkte dat zijn gezichtsvermogen, met name in het rechteroog, achteruitging. De cliënt heeft dan ook een afspraak gemaakt met Bergman Oogkliniek.

Daar is de cliënt met spoed doorverwezen naar een gespecialiseerd ziekenhuis waar de cliënt aan beide ogen is geopereerd. Deze operatie heeft niet kunnen voorkomen dat het gezichtsveld van de cliënt ernstig is beperkt en aangetast. De cliënt ervaart daardoor ernstige belemmeringen in zijn dagelijks leven. De cliënt kan niet meer lezen, fotograferen, televisie kijken of paardrijden; zijn levensvreugde is enorm afgenomen.

De cliënt heeft veel kosten moeten maken ter verbetering van zijn kwaliteit van leven Zo heeft hij de verlichting in zijn huis moeten aanpassen, een dure bril moeten aanschaffen en een fiets met drie wielen moeten kopen. Daarnaast zal hij veel reiskosten moeten maken, omdat autorijden er niet meer in zit.

Als de zorgaanbieder de cliënt tijdig had onderzocht en had ingegrepen, had een verlies van het gezichtsveld voorkomen kunnen worden.

De cliënt verwijt de zorgaanbieder zeer onzorgvuldig en ondeskundig handelen. De cliënt heeft de zorgaanbieder gevraagd om een schadevergoeding van € 5.500,– . De zorgaanbieder heeft hem uiteindelijk € 4.500,– geboden. De cliënt heeft dit afgewezen, omdat hij het gevoel had in een soort ‘koehandel’ terecht gekomen te zijn. De cliënt verlangt een erkenning van zijn klachten en een bedrag aan schadevergoeding dat recht doet aan de schade die hij heeft geleden.

Standpunt van de zorgaanbieder

De zorgaanbieder betreurt het zeer dat de cliënt de geleverde zorg heeft ervaren zoals door hem beschreven. Tussen partijen was sprake van een jarenlange en prettige behandelrelatie.

Dat is de reden waarom de zorgaanbieder heeft getracht de kwestie in overleg met de cliënt en zonder tussenkomst van de commissie op te lossen. De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat van onzorgvuldig medisch handelen geen sprake is.

De cliënt is bekend met glaucoom en sinds 2013 onder behandeling van de oogarts van de zorgaanbieder. Het linkeroog vertoonde een gezichtsvelddefect en het rechteroog liet een volledig intact gezichtsveld zien. Deze situatie is jaren stabiel geweest waarbij de oogdrukken met medicatie goed gereguleerd waren.

Op 23 augustus 2021 werd de cliënt vanwege klachten van wazigheid (‘een vlek’) boven in het rechteroog buiten de reguliere halfjaarlijkse controles om gezien. Het is onjuist dat de cliënt zich op dat moment presenteerde met glaucoomklachten. De oogdruk was hoog en bedroeg op dat moment 27 mmHg. Op basis van het uitgevoerde onderzoek werd geconcludeerd dat geen sprake was van een netvliesdefect. De medicatie werd aangepast en er werd een controleafspraak gemaakt voor een week later. Ook werd afgesproken dat de cliënt eerder terug zou komen als de klachten tussentijds zouden toenemen.

Op 2 september 2021 werd de cliënt opnieuw gezien en werd een volledig oogheelkundig onderzoek gedaan. Door de aanpassing van de medicatie was de oogdruk fors verlaagd naar 12 en 13 mmHg en aan het netvlies werd geen afwijking gezien. De oogzenuw toonde evenmin afwijkingen. Op dat moment bestond dan ook geen reden om een vervroegd gezichtsveldonderzoek te doen.

De cliënt heeft zich vervolgens tot een andere kliniek gewend.

Op 13 mei 2022 ontving de zorgaanbieder een verzoek om het dossier van de cliënt door te sturen. Aan dat verzoek heeft de zorgaanbieder voldaan. Op 1 juli 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen partijen waarin de cliënt vertelde dat hij inmiddels was geopereerd en niet tevreden was over de door de oogarts verleende zorg.

Wat dit betreft merkt de zorgaanbieder op dat de cliënt er zelf voor heeft gekozen zich aan de controles van de oogarts te onttrekken waarmee de cliënt de oogarts de gelegenheid heeft ontnomen om nader onderzoek te doen dat wellicht tot dezelfde bevindingen als dat van de andere oogkliniek zou hebben geleid.

Bij de cliënt heeft het helaas kunnen gebeuren dat na jarenlang stabiel glaucoom bij een maanden later door hem geraadpleegde kliniek is vastgesteld dat een indicatie bestond voor operatief ingrijpen. Uit niets blijkt echter dat dat een gevolg is van het onzorgvuldig handelen van de (arts van de) zorgaanbieder.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De cliënt was vanaf 2009 bekend met glaucoom waarvoor hij vanaf 2013 onder behandeling was van de oogarts van de zorgaanbieder.

De problemen manifesteerden zich met name in het linkeroog en het gezichtsveld in het rechteroog was intact. Op basis van het medisch dossier stelt de commissie vast dat de oogarts de gezondheidstoestand van de ogen van de cliënt steeds goed heeft gemonitord en de medicatie afhankelijk van de oogdruk heeft aangepast.

De cliënt heeft gesteld dat hij zich op 23 augustus 2021 vanwege duidelijke glaucoomklachten voor een tussentijdse afspraak bij de zorgaanbieder heeft gemeld. Uit het dossier blijkt echter dat sprake was van wazigheid en vlekken hetgeen geen duidelijke aanwijzing vormt voor progressie van glaucoom, maar een indicatie kan zijn voor een glasvocht- of netvliesprobleem. De commissie stelt vast dat de zorgaanbieder gedegen onderzoek heeft verricht naar die aandoening op grond waarvan een netvliesdefect kon worden uitgesloten. Ook werd de oogdruk gemeten. Omdat die hoog was (27 mmHg), werd de medicatie aangepast.

Uit het medisch dossier blijkt voorts dat de cliënt bekend was met andere gezondheidsproblemen waarvoor hij corticosteroïden gebruikte. Het gebruik van deze middelen kan in sommige gevallen invloed hebben op de oogdruk. In het dossier is opgenomen: “prednison 20 mg, is al aan het afbouwen”. De commissie leidt hieruit af dat de zorgaanbieder de invloed van prednison op oogaandoeningen met de cliënt heeft besproken.

Hoewel de cliënt heeft aangevoerd dat geen controleafspraak werd gemaakt, heeft op 2 september 2021 een controle plaatsgevonden waarbij een goede verlaging van de oogdruk werd vastgesteld (12 en 13 mmHg).

De cliënt verwijt de oogarts dat bij de tussentijdse controle op 23 augustus 2021 geen gezichtsveldonderzoek werd uitgevoerd. De commissie is echter van oordeel dat daar op 23 augustus 2021 en 2 september 2021 op basis van het onderzoek en de bevindingen geen aanleiding toe bestond. Er was immers sprake van een stabiele situatie en tijdens de reguliere halfjaarlijkse controle op 26 mei 2021 was al een gezichtsveldonderzoek uitgevoerd.

Ditzelfde geldt voor het verwijt van de cliënt aan de (receptioniste van de) zorgaanbieder dat op of rond 23 november 2021 geen tussentijdse afspraak met de cliënt werd gemaakt. Het medisch dossier gaf daar op dat moment geen reden toe. De commissie merkt daarbij op dat niet kan worden vastgesteld wat in dat telefoongesprek is gezegd, omdat daar in het medisch dossier van de client geen aantekening van is gemaakt. De cliënt heeft zich vervolgens tot een andere kliniek gewend waar hij in mei 2022 vanwege een toename van gezichtsvelduitval ten gevolge van glaucoom is geopereerd.

Voor het verwijt van de cliënt dat beter onderzoek door de arts van de zorgaanbieder een toename van klachten en daarmee een vermindering van zijn gezichtsvermogen voorkomen had kunnen worden, heeft de commissie geen enkele grond gevonden. Glaucoom is een aandoening die in korte tijd kan verergeren. Daarbij constateert de commissie dat de cliënt zich pas in mei 2022 tot een andere zorgverlener heeft gewend. In de tussentijd is de zorgaanbieder niet bij de zorg voor de cliënt betrokken geweest. Een volgende controleafspraak bij de zorgaanbieder stond eveneens voor mei 2022 ingepland.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat niet is gebleken dat de zorgaanbieder zich onvoldoende voor de cliënt heeft ingespannen of bij die inspanning een fout heeft gemaakt. Dat een plotselinge verergering van het ziektebeeld (glaucoom) heeft geleid tot een ernstig verminderd gezichtsvermogen voor de cliënt, is bijzonder treurig, maar kan de zorgaanbieder niet verweten worden. De zorgaanbieder heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend zorgverlener in vergelijkbare omstandigheden verwacht mag worden.

De commissie zal de klacht van de cliënt dan ook ongegrond verklaren en in het verlengde daarvan het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding afwijzen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

–              verklaart de klacht van de cliënt ongegrond;

–              wijst af het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer dr. W. Maat en de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 6 oktober 2023.