Zorgaanbieder handelde zorgvuldig bij staarbehandeling

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1322822/1333813

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Het geschil gaat over een cliënt die na twee staaroperaties met multifocale lenzen en een behandeling van nastaar ontevreden was over het resultaat, omdat zij slecht bleef zien en blijvend afhankelijk werd van een bril. De cliënt stelde dat zij onvoldoende was geïnformeerd over de risico’s van de behandeling en vroeg € 25.000 schadevergoeding. De commissie oordeelde echter dat de zorgaanbieder vooraf voldoende informatie had gegeven, de noodzakelijke onderzoeken zorgvuldig had uitgevoerd, de operaties volgens de professionele standaard waren verlopen en ook de nazorg correct was geweest. Dat het gewenste resultaat niet is bereikt en de gevolgen voor de cliënt ingrijpend zijn, betekent volgens de commissie niet dat sprake is van een medische fout. Daarom werd de klacht ongegrond verklaard en de gevraagde schadevergoeding afgewezen.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënte)

en

Stichting Gelre Ziekenhuizen, gevestigd te Apeldoorn
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)
gemachtigde: [naam].

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de door de zorgaanbieder uitgevoerde staaroperaties en nastaarbehandeling.

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte heeft op 23 januari 2025 en op 6 februari 2025 bij de zorgaanbieder een implantlens laten plaatsen. Zij heeft gekozen voor multifocale lenzen, om geen bril meer te hoeven dragen.
Het resultaat viel ontzettend tegen. Na de operaties bleek de cliënte aan beide ogen nastaar te hebben. Deze zijn gelaserd, maar de cliënte kon nadien nog slechter zien.

Achteraf is gebleken dat een foutief product is gebruikt. De implantaatlenzen zijn inmiddels verwijderd. Het is voor de cliënte niet meer mogelijk om in de toekomst implantlenzen te laten plaatsen.
Zij is nu blijvend aangewezen op het dragen van een bril, hetgeen voor haar een duidelijke achteruitgang in comfort en kwaliteit van leven betekent.

De cliënte is onvoldoende voorgelicht over de kans op functioneel slecht zien. De ernst en blijvende aanwezigheid van de klachten zijn niet vooraf met haar besproken,

De cliënte verzoekt de commissie een vergoeding van € 25000,- toe te kennen voor de schade die zij door toedoen van de zorgaanbieder heeft geleden en zal lijden (€ 18.000,- wegens immateriële schade/(smartengeld), € 5.000,- wegens materiële schade (huidige en toekomstige brillen) en € 2.000,- wegens overige kosten en ongemak.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte heeft op 10 oktober 2024 een consult bij een oogarts van de zorgaanbieder (hierna te noemen: de oogarts) gehad om een cataract(staar)operatie te bespreken. Vanwege haar wens om na de operatie zo goed mogelijk te kunnen zien zonder bril, is onder meer de mogelijkheid van operatie van beide ogen middels implantatie van een multifocale lens besproken. De voor- en nadelen en kosten van deze behandeling zijn benoemd. Verder is besproken dat het doel van deze operatie zou zijn 80-90%
bril-onafhankelijkheid van de geopereerde ogen. Aan de cliënte is een folder en een toestemmingsformulier meegegeven. Het toestemmingsformulier heeft zij ondertekend retour gestuurd.

Vervolgens is bij de zorgaanbieder bij wie de cliënte eerder een (zich corrigerende) laserbehandeling heeft ondergaan, het medisch dossier opgevraagd en is op diverse manieren een lensberekening uitgevoerd. Besloten is niet beide ogen in één sessie te opereren.
De operaties hebben plaatsgevonden op 23 januari 2025 en 6 februari 2025.
Tijdens de nacontrole op 11 maart 2025 bleken beide ogen nastaar te hebben. In samenspraak met de cliënte is besloten beide ogen te behandelen met een nastaar laser.
De laserbehandeling heeft plaatsgevonden op 13 maart 2025.

Tijdens diverse controles nadien heeft de cliënte aangegeven niet tevreden te zijn met het resultaat. Omdat zij aangaf van de lenzen af te willen, is zij verwezen naar een andere zorgaanbieder om de lenzen te laten verwijderen.

Het feit dat geen sprake zou zijn gewenste resultaat, betekent niet dat de cliënte recht heeft op schadevergoeding. Immers, een medische behandeling kan zelden of nooit kan worden geduid als een resultaatsverbintenis. Door ondertekening van het informed consent-formulier heeft de cliënte er uitdrukkelijk mee ingestemd dat het besproken resultaat niet altijd kan worden gegarandeerd.
Er is sprake geweest van nauwkeurig en goed overwogen preoperatieve metingen en lensberekeningen. De operaties zijn ongecompliceerd verlopen en de nastaar is op de juiste wijze behandeld.
Dat het uiteindelijke resultaat niet bevredigend is geweest en het helaas heeft kunnen gebeuren dat een reststerkte is overgebleven waardoor het dragen van een bril alsnog noodzakelijk is, is uitermate vervelend, maar geen gevolg van onzorgvuldig handelen.
Vanwege het ontbreken van (een begin van) bewijs van de schade en het causaal verband met het vermeend onzorgvuldig handelen, komt het verzoek van de cliënte tot schadevergoeding niet voor vergoeding in aanmerking.

De zorgaanbieder verzoekt de klacht ongegrond te verklaren en de door de cliënte verzochte schadevergoeding af te wijzen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Het beoordelingskader
De rechtsverhouding tussen partijen is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de overige bepalingen van het BW. Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moeten de betrokken hulpverleners de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverleners in de te onderscheiden fasen van de behandeling – te weten de voorfase (voorlichting/ informed consent, en onderzoeken), de hoofdfase (de operatie) en de nafase (de nazorg) – die zorg moeten betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Het gaat bij de beoordeling daarvan niet om de vraag of het betreffende handelen van de hulpverleners anders of mogelijk zelfs beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de hulpverleners binnen de grenzen van een redelijk handelend en redelijk bekwame vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zijn gebleven.

Bij de beoordeling zal de commissie zich mede baseren op de informatie in het medisch dossier van de cliënte. Anders gezegd: wat in een medisch dossier staat vermeld, moet in beginsel voor juist worden gehouden, tenzij aannemelijk is dat wat daarin is vermeld een onjuiste weergave is van hetgeen is gezegd of gedaan. De commissie heeft in dit geval geen reden te twijfelen aan de juistheid van de aantekeningen in het medisch dossier.

De voorfase (voorlichting/informed consent, en onderzoeken)
Voor verrichtingen ter uitvoering van een geneeskundige behandelovereenkomst is de toestemming van de patiënt vereist (artikel 7:450 BW). Een patiënt kan in beginsel slechts toestemming voor een behandeling geven indien hij of zij daarover door de hulpverlener adequaat is geïnformeerd. Die informatieplicht is neergelegd in artikel 7:448 BW. De hulpverlener moet de patiënt op duidelijke wijze inlichten over de voorgestelde behandeling. Bij het verstrekken van informatie dient de hulpverlener zich te laten leiden door hetgeen de patiënt voor het nemen van een afgewogen beslissing redelijkerwijs dient te weten, onder meer ten aanzien van de te verwachten gevolgen en de normale, voorzienbare, risico’s van de behandeling. Het belangrijkste doel van de informatieplicht is de patiënt in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken voor een bepaalde behandeling. De hulpverlener hoeft de patiënt daarom niet over alle in theorie denkbare risico’s en/of complicaties te informeren.

Uit het medisch dossier blijkt dat op 10 september 2024 een consult bij het optometrisch centrum van de zorgaanbieder heeft plaatsgevonden en op 10 oktober 2024 een consult bij de oogarts van de zorgaanbieder. Tijdens deze consulten zijn de benodigde onderzoeken uitgevoerd. Op basis van de resultaten van die onderzoeken en in overleg met de cliënte is besloten tot staaroperaties, te beginnen met die aan het rechteroog.

De cliënte stelt dat zij onvoldoende is geïnformeerd; zij is niet gewezen over de specifieke risico’s van de keuze voor multifocale lenzen noch op het risico dat zij blijvend brilafhankelijk zou blijven. De zorgaanbieder heeft dit weersproken.
De commissie stelt vast dat de oogarts naar aanleiding van het consult op 10 oktober 2024 in het medisch dossier – voor zover van belang – heeft vermeld:
“Kosten multifocaal benoemd.
NB indien allen OD wordt geopereerd dan nog een BRIL nodig voor OS.

Mogelijk in tweede instantie phaco OS

Voordelen en nadelen MF benoemd, halo glare
Doel 80-90% bril onafhankelijk voor het geopereerde oog

Wens tot multifocale implant OD target emmetoprie”.

Voorts staat vast dat de cliënte op 15 oktober het ‘Toestemmingsformulier Multifocale Torische Lens’ heeft ondertekend. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
“Dat ik gekozen heb voor een implantlens die de cilinder van mijn oog corrigeert, waardoor de hoogte van de cilinder zal afnemen en dat ik onder goede lichtomstandigheden kan lezen. In schemerlicht zal ik niet kunnen lezen.

De multifocale lens is bedoeld om het beeld te verbeteren zonder bril. Ik begrijp dat het resultaat van de behandeling niet voor 100 procent zeker te voorspellen is en dat de kans bestaat dat ik nog een optisch hulpmiddel nodig zal hebben.
(…)
Een leesbril heb ik in de regel nodig bij lang lezen en minder goed licht.

Dat ik begrijp dat er tijdens en na de operatie bijverschijnselen en complicaties kunnen optreden zoals beschreven in de folder “Staaroperatie” van [naam zorgaanbieder]”.

Voorts heeft de oogarts naar aanleiding van het consult op 30 januari 2025 in het medisch dossier onder meer genoteerd:
“Akkoord phaco OS”.

Op basis van dit samenstel van factoren, in onderling verband en samenhang bezien, is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder aan zijn informatieplicht heeft voldaan en dat sprake was van informed consent.
Uit het medisch dossier blijkt verder dat voorafgaand aan de operaties alle benodigde onderzoeken correct zijn uitgevoerd, in ruim voldoende mate. Op basis van de resultaten van de onderzoeken en in overleg met de cliënte is besloten tot plaatsing van multifocale lenzen.

De hoofdfase (de operaties)
Vooropgesteld wordt dat de zorgplicht van de zorgaanbieder niet wordt aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener – in dit geval de oogarts – moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verbindt zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een onzekere factor vormt. Zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij zijn of haar inspanning een fout heeft gemaakt en dus niet heeft gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam hulpverlener.

De commissie stelt vast dat in de operatieverslagen is vermeld dat beide operaties ongecompliceerd zijn verlopen. De commissie heeft geen aanleiding hieraan te twijfelen. Ook de overige processtukken en de toelichting die de oogarts tijdens de zitting heeft gegeven, geven de commissie geen reden om aan te nemen dat de operaties van 23 januari 2025 en 6 februari 2025 niet goed (lege artis) zijn uitgevoerd.

De nafase (de nazorg)
Ook ten aanzien van de verleende nazorg is de commissie niet gebleken van ongerechtigheden. De gegeven mogelijkheid van een second opinion en de uiteindelijke verwijzing naar een andere zorgaanbieder getuigt naar het oordeel van de commissie van een zorgvuldige aanpak door de zorgaanbieder.

Dat de cliënte nog steeds brilafhankelijk is en zelfs meerdere brillen nodig heeft, is uiterst betreurenswaardig en de impact daarvan is (onbetwist) ernstig.
Dat neemt echter niet weg dat het medisch dossier en de behandeling ter zitting geen grondslag bieden voor de conclusie dat de zorgaanbieder hiervan een verwijt treft.

Schadevergoeding
De cliënte verzoekt de commissie haar een schadevergoeding van € 25.000,- toe te kennen. Ten aanzien van dit verzoek merkt de commissie op dat voor een aanspraak op schadevergoeding is vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Nu is vastgesteld dat geen sprake is van een tekortkoming, zal de vordering tot schadevergoeding reeds daarom worden afgewezen.

Conclusie
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is en dat het verzoek van de cliënte tot schadevergoeding moet worden afgewezen.

Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht, kan onbesproken blijven omdat dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht van de cliënte ongegrond en wijst de door de cliënte verlangde schadevergoeding af.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd. Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer drs. T.C.G. Feenstra en de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 7 juli 2026.