Zorgaanbieder handelde zorgvuldig bij overplaatsing en ontslag

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: Behandelingsovereenkomst    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1138480/1268796

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Dit geschil gaat over een cliënt die klaagt over een interne overplaatsing binnen een kliniek en haar ontslag uit de kliniek. Zij vindt dat de overplaatsing onterecht was en dat de zorgaanbieder onvoldoende hulp heeft geboden bij het vinden van een woning na haar ontslag. De commissie oordeelt dat de zorgaanbieder in beide gevallen zorgvuldig heeft gehandeld. De overplaatsing was nodig voor de veiligheid en is goed onderbouwd. Ook het ontslag was terecht, omdat er feitelijk geen behandeling meer plaatsvond en de cliënt voldoende tijd en hulp heeft gekregen om andere woonruimte te zoeken. De klacht is daarom ongegrond en de gevraagde schadevergoeding wordt afgewezen.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Parnassia Groep BV, gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Onderwerp van het geschil

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft een interne overplaatsing binnen een kliniek van de zorgaanbieder en het ontslag van de cliënt uit de kliniek.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt heeft haar klacht onderverdeeld in twee klachtonderdelen, te weten:
1) Interne overplaatsing
Het eerste klachtonderdeel richt zich op de interne overplaatsing van de cliënt op 30 januari 2025 naar aanleiding van een agressie-incident met een medepatiënt. De cliënt stelt dat zij zich onveilig voelde door het gedrag van een medepatiënt. Door de zorgaanbieder is hierop onvoldoende actie ondernomen. Het besluit om de cliënt intern over te plaatsen is volgens de cliënt onrechtvaardig. Bovendien is in het besluit tot interne overplaatsing niet gemotiveerd waarom juist de cliënt werd overgeplaatst en niet de medepatiënt. Dat is onzorgvuldig geweest van de zorgaanbieder.
2) Ontslag uit de kliniek
Het tweede klachtonderdeel ziet op het ontslag van de cliënt uit de kliniek en de in dat kader geleverde nazorg. De cliënt stelt zich op het standpunt dat de zorgaanbieder het behandeltraject niet op een passende en zorgvuldige wijze heeft beëindigd. Er is door de zorgaanbieder geen geschikte woonplek geregeld voor na haar ontslag. Hierdoor was de enige optie voor de cliënt om gebruik te maken van de nachtopvang en is zij tijdelijk dakloos geraakt.
Verzoek tot schadevergoeding
De cliënt vordert als gevolg van bovenstaande een (im-)materiële schadevergoeding.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 30 januari 2025 heeft zich een incident voorgedaan tussen de cliënt en een medepatiënt. In de woonkamer van de afdeling ontstond een conflict dat escaleerde tot een hevige woordenwisseling waarbij luid werd geschreeuwd. Het incident is op 31 januari 2025 binnen de kliniek besproken. Naar aanleiding daarvan is besloten de cliënt over te plaatsen naar een andere unit binnen dezelfde kliniek. De cliënt heeft de overplaatsing op 7 februari 2025 geweigerd. Op 21 februari 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden met de geneesheer-directeur. Naar aanleiding hiervan is besloten de cliënt toch intern over te plaatsen.

De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat zij zorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van de interne overplaatsing. Alvorens is overgegaan tot de interne overplaatsing heeft herhaaldelijk overleg plaatsgevonden binnen het behandelteam en met de geneesheer-directeur. De zorgaanbieder heeft ook getracht in gesprek te komen en blijven met de cliënt om tot een minder ingrijpende oplossing te komen, maar dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Het gedrag van de cliënt bracht volgens de behandelaren zodanige risico’s voor de veiligheid van medepatiënten en medewerkers met zich mee dat handelen noodzakelijk was. De cliënt had volgens de behandelaren een negatieve invloed op het afdelingsklimaat. Zij uitte veel kritiek richting de verpleegkundigen, moedigde medepatiënten aan om meer eisen aan het personeel te stellen en trad corrigerend op richting medepatiënten. Deze omstandigheden maken dat het noodzakelijk was om de cliënt intern over te plaatsen.

Ter zitting is door de zorgaanbieder op dit punt nog aangevuld dat de interne overplaatsing geen wisseling van personeel tot gevolg heeft gehad of anderszins wijzigingen heeft aangebracht in de (leef)situatie van de cliënt. De interne overplaatsing betrof slechts het verplaatsen van de cliënt naar een andere woonkamer op dezelfde afdeling. Het was enkel en alleen bedoelt om afstand te creëren tussen de cliënt en de betrokken medepatiënt, zodat voorkomen werd dat zij elkaar voortdurend tegenkwamen. De zorgaanbieder heeft bij het besluit om juist de cliënt intern over te plaatsen en niet de medepatiënt meegewogen dat er reeds interventies waren ingezet ten opzichte van de medepatiënt die zij niet wilde doorbreken. Voorts geldt volgens de zorgaanbieder dat het incident van 30 januari 2025 niet de enige reden voor overplaatsing was. Zoals gezegd waren er meerdere omstandigheden die maakten dat ingrijpen noodzakelijk was.

De zorgaanbieder stelt zich voorts op het standpunt dat sprake was van voldoende gewichtige redenen om de behandelingsovereenkomst te beëindigen en de cliënt uit de kliniek te ontslaan. Gelet op de frequente afwezigheid van de cliënt op de afdeling vanwege haar werk en opleiding, die gedurende haar verblijf in de kliniek steeds verder toenam, was er feitelijk namelijk geen sprake meer van een behandeltraject. Op de momenten dat de cliënt wel op de afdeling aanwezig was, stelde zij zich bovendien volgens de behandelaren niet begeleidbaar op. Zij toonde zich in gesprekken afwerend en prikkelbaar, en gaf aan geen bemoeienis te wensen van het behandelteam. Deze omstandigheden maken dat naar de mening van de zorgaanbieder feitelijk geen sprake meer was van behandeling, maar dat de opname hoofdzakelijk het karakter van verblijf had. In dit verband acht de zorgaanbieder ook relevant dat het gedrag van de cliënt een verstorende invloed had op het afdelingsklimaat. Gelet op deze feiten en omstandigheden was de zorgaanbieder van oordeel dat voortzetting van de opname niet langer noodzakelijk was. De zorgaanbieder heeft geprobeerd deze bevindingen op 20 december 2024 in een gesprek met de cliënt te delen en hierover inhoudelijk met elkaar het gesprek aan te gaan. Dit bleek niet mogelijk. Tijdens het gesprek is daarom mondeling het besluit aan de cliënt meegedeeld dat de opname zal worden beëindigd.

De zorgaanbieder heeft oog gehad voor de persoonlijke situatie van de cliënt. Zij zag in dat zij tijd nodig had om te wennen aan het naderende ontslag en om een passende huisvesting te vinden. Hierom heeft zij het ontslag uitgesteld tot 1 mei 2025. De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat zij de cliënt hiermee een redelijke termijn heeft geboden om op zoek te gaan naar alternatieve huisvesting. Voorts heeft de zorgaanbieder in het gesprek van 20 december 2024 verschillende mogelijkheden voor vervolgopvang/huisvesting besproken met de cliënt. Dit betrof: het aanvragen van urgentie, het reageren op woningen via [woningplatform], een aanmelding bij een beschermde woonvorm en een aanmelding bij het Leger des Heils of andere instanties. De cliënt heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van urgentie en niet te willen worden aangemeld bij een woonvorm. Via [woningplatform] zijn aan de cliënt twee woningen aangeboden, maar die heeft zij -om haar moverende redenen- afgewezen. De zorgaanbieder is gelet op het voorgaande van mening dat zij voldoende ondersteuning heeft geboden bij het vinden van een vervolgplek. Dat de cliënt na haar ontslag op de nachtopvang was aangewezen, is dan ook niet toe te rekenen aan de zorgaanbieder.

De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat het verzoek tot schadevergoeding moet worden afgewezen. Hiervoor is in de eerste plaats van belang dat een deugdelijke onderbouwing van het verzoek ontbreekt. De cliënt stelt maandelijks een bedrag van ruim € 90,- te hebben betaald aan een woningplatform, maar deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd. Ook de gestelde emotionele schade wordt niet nader geconcretiseerd of toegelicht. Daarnaast is niet gebleken dat er sprake is van een causaal verband tussen de gestelde schade en het handelen van de zorgaanbieder.

Beoordeling van het geschil

De commissie oordeelt als volgt.

Ten aanzien van klachtonderdeel 1

De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW). Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De commissie stelt op basis van de voorhanden zijnde stukken en hetgeen ter zitting is besproken vast dat er op 30 januari 2025 een agressie-incident heeft plaatsgevonden tussen de cliënt en een medepatiënt. De commissie stelt voorts vast dat er door de behandelaren van de cliënt werd aangegeven dat zij al langere tijd een negatieve invloed had op het afdelingsklimaat. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder op goede gronden heeft kunnen oordelen dat een interne overplaatsing noodzakelijk was voor de veiligheid van alle betrokkenen, waaronder ook die van de medepatiënten en de medewerkers. Daarbij heeft de zorgaanbieder, anders dan de cliënt stelt, ook oog gehad voor de veiligheid van de cliënt. De zorgaanbieder heeft zich als zodanig gedragen als redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener.

De commissie is voorts van oordeel dat de zorgaanbieder het besluit tot interne overplaatsing zorgvuldig heeft genomen. In dit verband is van belang dat de zorgaanbieder niet lichtzinnig is overgaan tot de interne overplaatsing. Er hebben meerdere overleggen plaatsgevonden met het behandelteam en de geneesheer-directeur over de ontstane situatie. Voorts heeft de zorgaanbieder op meerdere momenten geprobeerd in contact te treden met de cliënt over de ontstane situatie om te kijken of een minder ingrijpende maatregel mogelijk was om de veiligheid en rust op de afdeling te waarborgen. Dit is echter niet mogelijk gebleken. De door de zorgaanbieder genomen maatregel was naar het oordeel van de commissie dan ook proportioneel. Dat de interne overplaatsing feitelijk geen veranderingen in de (leef)situatie van de cliënt teweeg heeft gebracht, acht de commissie daarbij ook relevant. De cliënt verhuisde alleen naar een andere woonkamer. Het personeel en alle andere (leef)omstandigheden bleven ongewijzigd.

Gelet op het voorgaande oordeelt de commissie dat klachtonderdeel 1 ongegrond is.
Ten aanzien van klachtonderdeel 2
De commissie stelt op grond van de voorhanden zijnde stukken en hetgeen ter zitting is besproken vast dat de beslissing om de behandelingsovereenkomst te beëindigen op 20 december 2024 aan de cliënt is meegedeeld.
Tussen de cliënt en de zorgaanbieder is een geneeskundige behandelovereenkomst gesloten in de zin van artikel 7:446 BW. Op grond van artikel 7:460 BW kan een hulpverlener de behandelingsovereenkomst niet opzeggen, behoudens gewichtige redenen (zie ook: paragraaf 3.1. van de KNMG-richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst). Het moet gaan om een situatie waarbij van de hulpverlener in redelijkheid niet meer gevraagd kan worden de behandelingsovereenkomst voort te zetten. De commissie is van oordeel dat van zo een dergelijk situatie in onderhavig geval sprake is. Uit de voorhanden zijnde stukken en hetgeen ter zitting is besproken volgt dat de cliënt vanwege haar werk en opleiding dusdanig vaak op de afdeling afwezig was, dat zij in feite geen behandeling meer kreeg. Er waren geen behandeldoelen meer waar door de cliënt aan werd gewerkt. Onder deze omstandigheden is de commissie met de zorgaanbieder van oordeel dat van een behandeling geen sprake meer was, en dat de opname van de cliënt in de kliniek hoofdzakelijk het karakter van verblijf had. De zorgaanbieder heeft dan ook terecht de behandelovereenkomst beëindigd.
Daarbij geldt dat de commissie van oordeel is dat de zorgaanbieder ten aanzien van die beëindiging heeft gehandeld in overeenstemming met de zorgvuldigheidsnormen. Ondanks herhaaldelijke gesprekken over de afwezigheid van de cliënt op de afdeling en haar houding richting de behandelaren, heeft dit niet tot een verandering bij de cliënt geleid. De zorgaanbieder heeft zich gerealiseerd dat het beëindigen van de behandelovereenkomst emoties en stress met zich meebrengt, en dat de cliënt bovendien op zoek moet naar nieuwe huisvestiging. Hierom heeft de zorgaanbieder besloten om de termijn van ontslag te verlengen, zodat er voldoende tijd en ruimte is voor de cliënt om te wennen aan de nieuwe situatie en om passende huisvestiging te organiseren. De commissie is van oordeel dat de door de zorgaanbieder gestelde termijn van vier maanden redelijk en passend is geweest. De commissie is voorts van oordeel dat de zorgaanbieder voldoende ondersteuning heeft geboden bij het vinden van een vervolgplek. Al reeds in het gesprek van 20 december 2024 heeft de zorgaanbieder diverse opties en mogelijkheden met de cliënt besproken. De cliënt wilde echter geen gebruik maken van die mogelijkheden. Bovendien is gebleken dat de cliënt tenminste één woning aangeboden heeft gekregen via [woningplatform], maar dat zij die woning om haar moverende redenen heeft afgewezen. Onder deze omstandigheden is de commissie van oordeel dat het de zorgaanbieder niet valt aan te rekenen dat de cliënt na haar ontslag zonder huisvestiging is komen te zitten en als gevolg daarvan een tijd dakloos is geweest. De commissie is op grond van het voorgaande van oordeel dat de zorgaanbieder niet kan worden verweten dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld.
Gelet op het voorgaande oordeelt de commissie dat ook klachtonderdeel 2 ongegrond is.
Verzoek tot schadevergoeding
Voor aanspraak op een (im-)materiële schadevergoeding is ten minste vereist dat de behandelaar in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Hiervan is naar het oordeel van de commissie geen sprake. De vordering tot schadevergoeding, die overigens ook niet dan wel onvoldoende is onderbouwd, zal de commissie daarom afwijzen.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– Verklaart de klacht ongegrond;
– Wijst de vordering tot schadevergoeding af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. dr. B. Wallage, voorzitter, de heer drs. D.J.L. Jonker, mevrouw E.M. van den Berg, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. K.E. Heins, secretaris, op 16 maart 2026.