Zorgaanbieder had zich meer moeten inspannen om vragen klaagster te beantwoorden

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: bejegening/ zorgverlening    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 213616/248524

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Klaagster verwijt de zorgaanbieder dat geen opheldering wordt verschaft over wat er op 17 maart 2022 tijdens de begeleiding van haar 11-jarige autistische zoon is voorgevallen. Na die dag was de zoon ernstig overstuur en sindsdien weigert hij naar de instelling toe te gaan. Over 17 maart 2022 ontbreekt de dagrapportage of een verslag, hoewel dat van alle andere dagen wel beschikbaar is. De zoon kan niet praten en zelf niet in woorden vertellen wat er is gebeurd, maar uit zijn gedrag maakt klaagster op dat de zoon een traumatische ervaring heeft meegemaakt. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder te weinig heeft gedaan om te achterhalen wat er op 17 maart 2022 is gebeurd hoewel daar alle reden toe was. Er is geen rapport of verslag gemaakt van die dag en de begeleidster die de zoon op 17 maart 2022 onder haar hoede had heeft geen verklaring afgelegd. Evenmin is er een verklaring van medewerkers die die dag bij de instelling werkzaam waren. Ter zitting zijn twee vertegenwoordigers van de zorgaanbieder verschenen die de zoon en zijn begeleider niet kennen waardoor geen inhoudelijke vragen konden worden beantwoord. Door niet mee te werken aan het beantwoorden van legitieme vragen van klaagster over de gezondheid van haar zoon heeft de zorgaanbieder, aan wie de zorg over de zoon was toevertrouwd, niet gehandeld zoals van een redelijk handelend zorgverlener verwacht mag worden. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder zich niet aan zijn zorgplicht ten opzichte van klaagster en haar zoon heeft gehouden en verklaart de klacht gegrond. Omdat een causaal verband ontbreekt tussen de gegrond verklaarde klacht en de gevorderde schadevergoeding wijst de commissie die vordering af.

De uitspraak

In het geschil tussen

[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Autisme Centrum Groei! B.V., gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Samenvatting
Klaagster verwijt de zorgaanbieder dat geen opheldering wordt verschaft over wat er op 17 maart 2022 tijdens de begeleiding van haar 11-jarige autistische zoon is voorgevallen. Na die dag was de zoon ernstig overstuur en sindsdien weigert hij naar de instelling toe te gaan. Over 17 maart 2022 ontbreekt de dagrapportage of een verslag, hoewel dat van alle andere dagen wel beschikbaar is. De zoon kan niet praten en zelf niet in woorden vertellen wat er is gebeurd, maar uit zijn gedrag maakt klaagster op dat de zoon een traumatische ervaring heeft meegemaakt. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder te weinig heeft gedaan om te achterhalen wat er op 17 maart 2022 is gebeurd hoewel daar alle reden toe was. Er is geen rapport of verslag gemaakt van die dag en de begeleidster die de zoon op 17 maart 2022 onder haar hoede had heeft geen verklaring afgelegd. Evenmin is er een verklaring van medewerkers die die dag bij de instelling werkzaam waren. Ter zitting zijn twee vertegenwoordigers van de zorgaanbieder verschenen die de zoon en zijn begeleider niet kennen waardoor geen inhoudelijke vragen konden worden beantwoord. Door niet mee te werken aan het beantwoorden van legitieme vragen van klaagster over de gezondheid van haar zoon heeft de zorgaanbieder, aan wie de zorg over de zoon was toevertrouwd, niet gehandeld zoals van een redelijk handelend zorgverlener verwacht mag worden. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder zich niet aan zijn zorgplicht ten opzichte van klaagster en haar zoon heeft gehouden en verklaart de klacht gegrond. Omdat een causaal verband ontbreekt tussen de gegrond verklaarde klacht en de gevorderde schadevergoeding wijst de commissie die vordering af.

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart 2024 te Den Haag. Partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunt nader toegelicht.
Klaagster werd daarbij vergezeld door haar dochter, [naam], [naam], partner van de dochter, en door [naam], familielid.

De zorgaanbieder werd vertegenwoordigd door [naam], begeleider, en
[naam], directielid. [Naam], medewerker bij de Geschillencommissie, heeft de hoorzitting, nadat bijzondere toegang was verleend, als toehoorder bijgewoond. De commissie heeft het volgende overwogen.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart 2024 te Den Haag.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling

Klacht van klaagster
De 11-jarige zoon van klaagster is autistisch en ernstig verstandelijk beperkt. De zoon kan niet praten en heeft permanente begeleiding nodig. De zoon woont thuis en wordt overdag begeleid door medewerkers van de zorgaanbieder. De zoon ging altijd met veel plezier naar de instelling. Op 17 maart 2022 is er echter iets voorgevallen waardoor de zoon totaal overstuur is geraakt en nachten lang wakker is geweest. Omdat de zoon niet kan praten is het voor klaagster niet duidelijk wat er precies gebeurd is, maar op zijn manier heeft de zoon allerlei signalen gegeven waaruit blijkt dat de zoon die dag een traumatische gebeurtenis heeft meegemaakt. Van alle dagen die de zoon op de instelling heeft doorgebracht zijn er verslagen maar juist van 17 maart 2022, de dag waarop het incident plaats zou hebben gevonden, ontbreekt de rapportage.

Klaagster heeft de zorgaanbieder vele malen om opheldering gevraagd en een toelichting gevraagd van de medewerker die de zoon op 17 maart 2022 heeft begeleid, maar een antwoord of verslag of rapport heeft klaagster niet ontvangen. Wel heeft de zorgaanbieder een traumabehandeling voor de zoon voorgesteld. Dit maakt dat klaagster ervan overtuigd is dat de zorgaanbieder iets te verbergen heeft en dat er op
17 maart 2022 iets ernstigs is gebeurd. De zoon kan niet voor zichzelf opkomen en kan zich niet verdedigen. Namens en in het belang van haar zoon verlangt klaagster dan ook opheldering van de zorgaanbieder over wat er op 17 maart 2022 is voorgevallen. De schade voor de zoon is niet goed in geld uit te drukken maar klaagster is van mening dat een bedrag van € 25.000, — enigszins recht doet aan de schade die de zoon en het gezin hebben geleden en nog lijden door het handelen van de zorgaanbieder.

Standpunt van de zorgaanbieder
De zorgaanbieder vindt het zeer spijtig dat de familie van de zoon ongenoegen heeft ervaren met betrekking tot gebeurtenissen bij de instelling. Als organisatie streeft de zorgaanbieder ernaar alle jeugdigen optimaal en veilig te ondersteunen in hun ontwikkeling. In april 2023 heeft een overname van de organisatie plaatsgevonden waardoor de eigenaar en de directie van de zorgaanbieder gewijzigd zijn. De communicatie over de klacht van klaagster is daardoor niet optimaal geweest waarvoor de zorgaanbieder zijn excuses aanbiedt. Uit de klachtomschrijving leidt de zorgaanbieder af dat de zoon na 17 maart 2022 niet meer naar de instelling van de zorgaanbieder toe wilde en er sprake was van een gedragsverandering bij de zoon toen zijn begeleidster hem thuis bezocht. De zorgaanbieder is van mening dat klaagster terecht naar voren heeft gebracht dat over 17 maart 2022 geen dagrapportage is geschreven. De begeleiders van de zoon zijn gevraagd naar hun ervaringen over de betreffende periode maar geen van hen heeft afwijkend gedrag waargenomen. De persoonlijke begeleider van de zoon blijft erbij dat er niets is gebeurd wat ongepast zou zijn of wat het gedrag van de zoon zou kunnen verklaren. Ook kan zij zich niet herinneren wat ervoor heeft gezorgd dat de zoon niet meer naar de instelling wil komen. Tijdens een gesprek op 26 juli 2022 heeft de teamleider van de instelling met klaagster gesproken over traumatherapie voor de zoon maar klaagster stond hier niet voor open. De zorgaanbieder bevestigt dat de verslaglegging te wensen overliet en betreurt de gang van zaken.

Oordeel van de commissie
De ernstig verstandelijk beperkte zoon van klaagster werd in de instelling van de zorgaanbieder begeleid. Klaagster vermoedt er op 17 maart 2022 iets ernstigs in de instelling met haar zoon is voorgevallen. Sindsdien wil hij absoluut niet meer naar de instelling toe en alleen al het rijden in de buurt van de instelling levert heftige reacties bij de zoon op. In de kern betreft de klacht van klaagster het verwijt dat de zorgaanbieder te weinig heeft gedaan om te achterhalen wat er op 17 maart 2022 in de instelling van de zorgaanbieder met de zoon is gebeurd. Vaststaat dat over die dag rapportages en verslagen ontbreken. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder te weinig heeft onderzocht wat er op 17 maart 2022 is gebeurd tussen de zoon en zijn begeleider(s) hoewel daar alle reden toe was. Er is geen verslag gemaakt van die dag, hoewel van alle andere dagen verslagen in het digitale dossier van de zoon zijn terug te vinden.

De begeleidster die de zoon op 17 maart 2022 onder haar hoede had, heeft geen verklaring afgelegd. Evenmin is er een verklaring van medewerkers die die dag bij de instelling werkzaam en aanwezig waren. Over de dag van 17 maart 2022 staat dan ook niets op papier. Ter zitting zijn twee vertegenwoordigers van de zorgaanbieder verschenen die nieuw zijn binnen de organisatie en de zoon en zijn begeleider niet kennen waardoor geen inhoudelijke vragen konden worden beantwoord. Door niet, althans onvoldoende, mee te werken aan het beantwoorden van legitieme vragen van klaagster over de gezondheid van haar zoon heeft de zorgaanbieder, aan wie de zorg over de zoon was toevertrouwd, niet gehandeld zoals van een redelijk handelend zorgverlener verwacht mag worden. De commissie acht het uiterst kwalijk dat de zorgaanbieder zich niet meer heeft ingespannen om onderzoek te doen en de vragen van klaagster te beantwoorden naar de gang van zaken op 17 maart 2022, waarmee de zorgen over haar zoon niet zijn weggenomen, maar juist gevoed onder meer door het aanbod van een traumabehandeling voor de zoon.

De commissie is dan ook van oordeel dat de zorgaanbieder niet aan zijn zorgplicht ten opzichte van klaagster en haar zoon heeft voldaan en verklaart de klacht gegrond. Klaagster heeft een schadevergoeding voor de zoon gevraagd van € 25.000, –. Aangezien niet kan worden vastgesteld wat er op 17 maart 2022 is voorgevallen en tot welke schade dat mogelijk bij de zoon heeft geleid kan de commissie niet vaststellen of er enig oorzakelijk verband is tussen het nalatig handelen van de zorgaanbieder en de beweerdelijk geleden schade. De commissie zal het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding dan ook afwijzen. Aangezien de klacht geheel gegrond is zal de commissie wel bepalen dat de zorgaanbieder het klachtengeld aan klaagster dient te vergoeden. Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klacht van klaagster gegrond;
– wijst het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding af;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan klaagster verschuldigd is ter zake van het klachtengeld. Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Bovendien dient de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van
€ 52,50 aan de cliënt te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer drs. T. Knap, de heer mr. S. Sierksma, leden, in aanwezigheid van
mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 27 maart 2024.