Ziekenhuis verantwoordelijk voor gemiste diagnose en te late behandeling van handletsel

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Medische fouten    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1315622/1332052

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een vrouw heeft een klacht ingediend tegen het Dijklander Ziekenhuis omdat haar handletsel niet op tijd is herkend en behandeld. In maart 2023 viel zij tijdens een verblijf in Suriname op haar linkerhand. Na terugkomst in Nederland werden in het ziekenhuis röntgenfoto’s gemaakt. De artsen zagen geen breuk of verschoven gewricht en dachten dat zij een peesblessure had. Haar vingers werden daarom ingetapet. Een week later bleek dat het gewricht bij haar pink wel degelijk uit de juiste stand was geraakt. De vrouw werd geopereerd, maar haar pink bleef verkeerd staan en zij hield pijnklachten. Uiteindelijk moest zij in november 2023 opnieuw worden geopereerd in een andere kliniek. Volgens de vrouw heeft de late diagnose haar herstel verslechterd en mogelijk blijvende schade veroorzaakt. Het ziekenhuis vond dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de korte vertraging geen medische fout was. De Geschillencommissie Ziekenhuizen oordeelt anders. Volgens de commissie had de afwijking eerder herkend moeten worden. Ook had het gewricht sneller moeten worden teruggezet. Door de vertraging werd de behandeling onnodig moeilijker en duurde het herstel langer. De commissie verklaart de klacht daarom gegrond. Het ziekenhuis moet het klachtengeld van € 127,50 terugbetalen. Partijen hebben afgesproken om een eventuele schadevergoeding buiten deze procedure te regelen.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[naam] wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënte)

en

Stichting Dijklander Ziekenhuis, gevestigd te Hoorn
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026 te Utrecht. Daarbij zijn verschenen: cliënte, bijgestaan door [naam], en [naam] (jurist bij de zorgaanbieder).

Onderwerp van het geschil

De klacht betreft de onvoldoende kwaliteit van de verleende zorg.

Standpunt van cliënte

Voor het standpunt van cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënte is tijdens haar verblijf in Suriname op 27 maart 2023 op haar linkerhand gevallen. Op 28 maart 2023 is zij teruggevlogen naar Nederland en is op 29 maart 2023 gezien door de huisarts, die haar doorverwees naar het ziekenhuis. Op die datum zijn er in het ziekenhuis röntgenfoto’s gemaakt van de linkerhand/pols. Hierop werden geen fractuur en geen luxatie gezien. Er werd wel melding gemaakt van peesletsel, met de verwachting dat dit vanzelf zou genezen. Daarom werd gekozen om de vierde en vijfde vinger van de linkerhand stevig in te tapen met buddytape. Tijdens een controle-afspraak bij hand- en plastisch chirurg [naam] op 6 april 2023 bleek dat de röntgenfoto, die op 29 maart 2023 is gemaakt, verkeerd is beoordeeld. De luxatie van het vijfde carpometacarpale gewricht (CMC 5) is over het hoofd gezien. Er is dus sprake van een gemiste diagnose. Voorgesteld werd om meteen te opereren. Op 7 april 2023 vond een gesloten repositie plaats; het geluxeerde middenhandsbeentje van de pink werd in zijn oorspronkelijke stand teruggezet zonder het gewricht te openen. Gips werd aangemeten van de hand tot de elleboog, welk gips op 15 mei 2023 is verwijderd. Uit de gemaakte röntgenfoto bleek vervolgens dat de pink nog steeds niet goed stond. Cliënte moest wachten op herstel en kreeg het advies om handtherapie te volgen, hetgeen zij ook heeft gedaan. Vanwege de aanhoudende pijn verliep dit niet goed. Cliënte kreeg tape aangemeten en het advies van de handtherapeute om een second opinion aan te vragen bij de Bergman Clinics. Tijdens de eerste afspraak aldaar is een CT-scan gemaakt. De behandelend handchirurg constateerde een forse rotatieafwijking. Cliënte kreeg te horen dat haar pink opnieuw moest worden geopereerd, waarbij het middenhandsbeen van de pink werd doorgezaagd en in de juiste stand werd gefixeerd met een plaat en schroeven. Dit heeft op 20 november 2023 plaatsgevonden. De operatie is geslaagd. Thans ervaart cliënte nog steeds klachten en beperkingen en continu pijn. Er is nog geen sprake van een medische eindtoestand.

Cliënte stelt zich op het standpunt dat de zorgaanbieder verwijtbaar heeft gehandeld. Er is sprake van een gemiste diagnose door het niet herkennen van een luxatie op de röntgenfoto’s van 29 maart 2023. Met de anamnese en de onderzoeksbevindingen, inclusief foto’s, had de overweging van een luxatie moeten worden vermeld, ook al omdat meerdere deskundigen op 29 maart 2023 bij de zaak waren betrokken. Voorts heeft cliënte meerdere bewegingstesten moeten doen met de vinger, welke testen niet goed verliepen. Na 3,5 uur op de spoedeisende hulp te hebben doorgebracht, kreeg cliënte het advies geen zware dingen te tillen, maar ze mocht haar linkerhand wel gebruiken. Al met al is onvoldoende diagnostische zorgvuldigheid betracht, wat heeft geleid tot een vertraagde diagnose, vertraging in de behandeling en mogelijk blijvende schade. Indien de luxatie wel was opgemerkt, dan had er mogelijk binnen 48 uur wel een dichte repositie plaatsgevonden en was het proces van herstel veel beter verlopen dan nu het geval is. Ook is mogelijk sprake van een fout van de hand- en plastisch chirurg [naam] door veel later dan de gebruikelijke 48 uur te kiezen voor een dichte repositie. Nu de luxatie niet tijdig onderkend is, is hierdoor sprake van een verloren kans op een beter behandelresultaat. Er is sprake van medisch verwijtbaar handelen.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat het onderzoek van het letsel van de linker pink op 29 maart 2023 heeft voldaan aan de eisen die daarvoor in de praktijk gelden. De feiten en omstandigheden, waaronder hoe het letsel is ontstaan, zijn bij het onderzoek wel degelijk in de overwegingen betrokken. Mede gezien de consultvraag van de huisarts is vooral gekeken naar aanwijzingen voor een fractuur. Dat de aard van het letsel niet direct op juiste waarde is geschat, levert niet per se aansprakelijkheid van de betrokken zorgverlener of het ziekenhuis op. Het onderzoek dat is uitgevoerd, was in overeenstemming met normen en inzichten die daarvoor op dat moment in de praktijk golden. Op grond van de bevindingen bij lichamelijk en beeldvormend onderzoek en bij gebrek aan aanwijzingen voor een fractuur was het vermoeden op peesletsel gerechtvaardigd. Dat meerdere deskundigen een fractuur hebben gemist, zoals cliënte stelt, wijst volgens de zorgaanbieder eerder op een moeilijk te duiden letsel dan op onzorgvuldig handelen. De zorgaanbieder stelt dat de vertraging in operatieve behandeling niet meer is geweest dan een week. Echter, niet is onderbouwd waarom een dergelijk kort uitstel zou moeten worden gekwalificeerd als een fout. De fout wordt dan ook betwist, net als de grotere kans op een beter behandelingsresultaat bij eerder operatief ingrijpen. Ook is de (gesloten) repositie van 7 april 2023 volgens de zorgaanbieder binnen acceptabele tijd verricht en is de vertraging niet dermate lang geweest dat daardoor de moeilijkheidsgraad van de ingreep wezenlijk is vergroot en/of de succeskans significant is verminderd. De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van verwijtbaarheid. Dat niet dadelijk de juiste diagnose is gesteld, doet daar niet aan af.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Cliënte houdt, kort samengevat, de zorgaanbieder aansprakelijk voor de complicaties aan haar hand die het gevolg zijn van het missen van de diagnose op 29 maart 2023 en de daarmee gepaard gaande vertraagde behandeling.

Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor de zorgaanbieder voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst, wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de zorgaanbieder moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de zorgaanbieder zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen, kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de behandelend arts zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

De commissie is van oordeel dat sprake is van een gemiste diagnose op 29 maart 2023. Ook op basis van de foto die cliënte zelf, voor het intapen van haar hand, van haar hand had gemaakt, kan al worden gesteld dat een luxatie zichtbaar was. Evenmin in geschil is dat de luxatie (CMC5) zichtbaar was toen cliënte de controle-afspraak had bij hand- en plastisch [naam] op 6 april 2023. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat de luxatie ook op de op 29 maart 2023 gemaakte röntgenfoto’s, waarover de commissie niet de beschikking heeft, zichtbaar moet zijn geweest. De commissie acht, in dat licht bezien, het missen van de diagnose verwijtbaar.

Niet in geschil is dat het niet tijdig behandelen van een dergelijke luxatie als bij cliënte het risico op blijvende gewrichtsstijfheid, chronische pijn en functieverlies oplevert. Volgens de Richtlijn Handfracturen is snelle (vroege) repositie en adequate nabehandeling dan ook cruciaal. Het na ruim een week pas reponeren van de luxatie voldoet dan ook niet aan die richtlijn.

Gelet op dit alles concludeert de commissie dat een en ander voorts heeft geleid tot een verwijtbare vertraging, hetgeen de behandeling nodeloos heeft gecompliceerd waardoor nadelige gevolgen zijn opgetreden ten aanzien van de duur en mate van herstel.

Een en ander maakt dat de door de zorgaanbieder na sluiting van de mondelinge behandeling, en daarmee tardief, overgelegde documenten, te weten de op 7 april 2023 gemaakte postoperatieve röntgenfoto’s, wat daarvan ook zij, niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Ook is niet (meer) van belang voor het oordeel van de commissie of de repositie van 7 april 2023 terecht gesloten is geweest of dat dit een open repositie had moeten zijn.

Naar het oordeel van de commissie kan op grond van het voorgaande worden gesteld dat de hulpverleners bij de behandeling van de hand van cliënte niet hebben gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld. De klacht is dan ook gegrond.

Ter zitting zijn partijen overeengekomen om, indien de commissie tot de conclusie komt dat sprake is van verwijtbaarheid aan de zijde van de zorgaanbieder, een eventuele schadevergoeding buiten deze procedure af te handelen.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht van cliënte gegrond;

– bepaalt dat het ziekenhuis overeenkomstig het reglement van de commissie aan cliënte het klachtgeld ten bedrage van €127,50 dient te vergoeden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, de heer dr. M-B. Bouman, de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. I. van der Kamp, secretaris, op 12 juni 2026.