Ziekenhuis schond informatieplicht over tweede nekhernia

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 926850/998658

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een cliënte diende een klacht in tegen het Diakonessenhuis te Utrecht omdat zij in 2023 niet was geïnformeerd over een tweede (kleine) hernia op niveau C5-6 die zichtbaar was op een MRI-scan. Alleen de grotere, symptomatische hernia op C6-7 werd besproken en operatief behandeld. Pas in 2024, bij nieuwe pijnklachten, kwam de afwijking op C5-6 aan het licht. De cliënte stelt dat zij bij volledige informatie destijds mogelijk van de operatie had afgezien en eist schadevergoeding. De Geschillencommissie oordeelde dat de zorgaanbieder tekortgeschoten is in de informatievoorziening. De afwijking op C5-6, hoe klein ook, had volgens de commissie met de cliënte besproken moeten worden, zodat zij een geïnformeerde keuze had kunnen maken. Omdat hierover niets is vastgelegd in het dossier, neemt de commissie aan dat het niet is gemeld. De klacht is daarom gegrond verklaard. De commissie wees echter de gevraagde schadevergoeding af. Er is geen bewijs dat de operatie onterecht was of dat de kleine hernia destijds klachten veroorzaakte. Ook is niet vastgesteld dat een ander besluit of ander resultaat zou zijn bereikt als de cliënte volledig was geïnformeerd. Wel moet de zorgaanbieder het klachtengeld van €52,50 aan de cliënte terugbetalen.

De uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [plaats] (hierna te noemen: de cliënte)

en

Stichting Diakonessenhuis, gevestigd te Utrecht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 21 mei 2025 te Utrecht.

Namens de zorgaanbieder zijn verschenen [naam], juridisch adviseur Patiëntveiligheid en Kwaliteit en de [naam], neuroloog. De cliënte heeft middels een digitale verbinding aan de zitting deelgenomen.

Onderwerp van het geschil

De klacht betreft het niet melden van een uitslag op een MRI-scan van een nekhernia in 2023 door de neuroloog van de zorgaanbieder.

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

In 2023 is er een scan gemaakt in verband met een nekhernia. De uitslag van die scan, een hernia op niveau C6-7, is diezelfde dag besproken met de cliënte en zij is vervolgens aan deze hernia geopereerd.
In 2024 is er in verband met nieuwe pijnklachten opnieuw een scan gemaakt. In de verwijsbrief naar aanleiding van deze scan wordt aangegeven dat bij de scan in 2023 ook een kleine HNP niveau C5-6 links is gezien. Dit is nooit gemeld bij de cliënte.

De cliënte vordert een schadevergoeding, door de informatie die is achtergehouden voor haar. Hierdoor is zij getekend voor het leven. Als zij de informatie had gekregen voor de operatie, dan had zij de operatie niet doorgezet en had zij gezocht naar alternatieven.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

Er is bij de MRI-scan in 2023 een hernia gezien en behandeld op niveau C6-7. De cliënte is blijkbaar niet geïnformeerd over de hernia op niveau C5-6. De diagnose radiculair syndroom C7 op basis van een HNP C6-7 en de behandeling daarvan zijn correct uitgevoerd. Er is ook in retrospect geen twijfel dat de HNP C5-6 destijds asymptomatisch was en dus niet geopereerd diende te worden. Klinisch was er sprake van een radiculair syndroom C7 en niet C6. Het wortelblok C7 leidde tot tijdelijk volledig herstel van de klachten. Postoperatief waren de pijnklachten ook gedurende enkele maanden volledig hersteld. De reden van het niet melden van de kleine HNP op C5-6 links is niet met zekerheid te achterhalen. De radioloog beschrijft de HNP niet, dus het is goed mogelijk dat de radioloog deze afwijking niet heeft gezien. In de verslaglegging van de neurologen wordt nergens melding gemaakt van de HNP C5-6. De neuroloog heeft de afwijking mogelijk ook niet gezien, of besloten dat deze afwijking niet relevant was om te bespreken. De betrokken neurologen kunnen zich dat niet herinneren. Ook kunnen zij de mogelijkheid niet uitsluiten dat het wel is genoemd maar dat patiënte dit is vergeten. De betrokken radioloog heeft de MRI van 30 maart 2023 opnieuw bekeken. De indicatie van het onderzoek betreft een radiculair syndroom C7.
Dit correspondeert met het niveau C6/C7 waar sprake bleek te zijn van een evidente laterale HNP waarmee het klinische beeld verklaard werd. Het is inderdaad zo dat op het niveau C5/C6 sprake was van een beperkte laterale uitbochting van de discus maar deze stond in geen verhouding tot de afwijking op het symptomatische niveau C6/C7.

Beperkte discus herniaties en andere degeneratieve veranderingen van de wervelkolom zijn een frequent voorkomende bevinding op beeldvorming. Deze correleren slecht met de klachten van patiënten en worden ook vaak als toevalsbevinding gevonden bij asymptomatische patiënten. Het is ook voor de radioloog achteraf niet meer te achterhalen of tijdens de beoordeling van de MRI zijn oog niet op de beperkte uitbochting van discus C5/C6 is gevallen of dat hij het buiten het verslag heeft gehouden aangezien er een evidente verklaring voor de klachten op het niveau C6/C7 aanwezig was. Beide opties zijn verdedigbaar. In de verslaglegging van de neurochirurg wordt de HNP C5-6 wel beschreven, maar bewust niet geopereerd omdat de neurochirurg (ook) van mening was dat deze HNP niet symptomatisch was. Het is niet vastgelegd in het dossier dat de neurochirurg de HNP C5-6 met patiënte heeft besproken. Bij het bespreken van uitslagen worden altijd alle relevante zaken besproken en wordt een afweging gemaakt of niet relevante zaken wel of niet besproken moeten worden.

Omdat het destijds een asymptomatische HNP betrof, is er geen sprake van schade en er was in 2023 geen noodzaak tot behandeling van de HNP C5-6, ook niet in retrospect (met de kennis van het beloop achteraf). Het beleid zou niet anders zijn geweest. Dat de cliënte na de herniaoperatie een periode klachtenvrij is geweest bevestigt dat er op juiste indicatie de juiste operatie heeft plaatsgevonden. Toen de cliënte in 2024 opnieuw bij de neuroloog kwam vanwege nieuwe pijnklachten in de linkerarm werd op dat moment wel een mogelijke relatie met de HNP C5-6 overwogen en daar is toen actie op ondernomen, namelijk een verwijzing naar de pijnpoli voor een wortelblok. Er zijn geen beslissingen genomen die gegeven de omstandigheden afwijken van wat onder die omstandigheden gebruikelijk is.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet is gebleken van verwijtbaar onzorgvuldig handelen waardoor extra schade is opgetreden voor de cliënte. Er is dan ook geen rechtsgrond voor het toekennen van een schadevergoeding.

Beoordeling van het geschil

De commissie dient te beoordelen of de zorgaanbieder is tekort geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelovereenkomst die tussen de cliënte en de zorgaanbieder is gesloten.
Bij de uitvoering van de overeenkomst moet de hulpverlener de zorgplicht in acht nemen. Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting.
Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel iemand die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de behandelingsovereenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

De commissie is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de zorgaanbieder aan de cliënte bij de bespreking van de uitslag van de MRI-scan in 2023 had moeten meedelen dat op niveau C5-6 links een kleine HNP zichtbaar was. Het betrof weliswaar een minimale afwijking, maar toch was dit reden voor de neurochirurg om dit in het verslag op te nemen. Van de zorgaanbieder had verwacht mogen worden dat hij dit met de cliënte had gedeeld. De zorgaanbieder stelt dat niet met zekerheid vastgesteld kan worden dat dit niet aan de cliënte is meegedeeld. Dit betreft een gebrek in de verslaglegging van de zorgaanbieder. Een dergelijke mededeling had vermeld dienen te zijn in het medisch dossier. Nu dit niet is vermeld en de cliënte stelt dat het haar in 2023 niet is meegedeeld gaat de commissie ervan uit dat het niet is meegedeeld aan de cliënte. Dat de in 2023 uitgevoerde operatie aan de hernia op niveau C6-7 juist is uitgevoerd zoals de zorgaanbieder stelt, wordt niet betwist. De klacht van de cliënte ziet erop dat zij ingelicht had willen worden over de kleine hernia op niveau C5-6. Door dit niet te doen is haar de kans ontnomen daarover desgewenst een andere arts te raadplegen of alternatieven te overwegen zoals de cliënte blijkens haar stellingen had gewild.

De commissie verklaart de klacht gelet op het bovenstaande gegrond.

Dat sprake is van schade door het niet vermelden van de hernia op niveau C5-6 is niet komen vast te staan. Na de behandeling van de hernia op C6-7 is de cliënte enige tijd pijnvrij geweest. Dat zij nu opnieuw pijnklachten ervaart is vervelend, maar niet te wijten aan het destijds gevoerde beleid van de zorgaanbieder. Niet is vast te stellen dat, indien de kleine afwijking op niveau C5-6 was vermeld, de cliënte voor een andere behandeling had gekozen – indien mogelijk – en of dit andere gevolgen had gehad. Er is derhalve geen causaal verband tussen de vastgestelde tekortkoming van de zorgaanbieder en de door de cliënte gestelde schade.

Gelet op de gegrondverklaring van de klacht zal de commissie overeenkomstig artikel 21 van het reglement van de commissie bepalen dat de zorgaanbieder het door de cliënte betaalde klachtengeld aan haar moet vergoeden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht van de cliënte gegrond;
– wijst af de vordering tot schadevergoeding.
– bepaalt dat de zorgaanbieder binnen twee weken na verzending van dit bindend advies aan de cliënte terugbetaalt het door haar betaalde klachtengeld van € 52,50.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw dr. M.C. Visser MBA, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 21 mei 2025.