Ziekenhuis moet patiënt deels compenseren door onduidelijke uitleg over zorgkosten

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: informatieplicht    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1180686/1282029

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een patiënt diende een klacht in tegen het Radboudumc omdat hij onverwacht een hoge rekening kreeg na een behandeling. Hij had in oktober 2024 een eerste consult in het ziekenhuis en gaf daarbij aan dat hij de behandeling liever in 2025 wilde laten plaatsvinden omdat hij per 1 januari 2025 zou overstappen naar een andere zorgverzekeraar. Volgens hem was niet duidelijk gemaakt dat het consult in 2024 al leidde tot het openen van een zogenoemde DBC (diagnose-behandelcombinatie). Daardoor werden ook de kosten van een latere operatie in 2025 nog onder het verzekeringsjaar 2024 gedeclareerd. Hierdoor kreeg hij een rekening van ruim €3.200 via zijn zorgverzekeraar. Het ziekenhuis stelde dat patiënten via brieven en de website algemene informatie krijgen over kosten, eigen risico en de DBC-systematiek. Volgens het ziekenhuis lag het ook op de weg van de patiënt om zelf extra navraag te doen. De commissie oordeelde dat het ziekenhuis wel algemene informatie had gegeven, maar dat de patiënt in dit specifieke geval onvoldoende duidelijk was geïnformeerd. In een brief voorafgaand aan het consult stond namelijk nadrukkelijk dat kosten voor behandelingen in 2024 mogelijk niet zouden worden vergoed, waardoor de patiënt mocht denken dat een behandeling in 2025 geen gevolgen zou hebben voor het verzekeringsjaar 2024. Omdat de patiënt bovendien had aangegeven dat hij de behandeling vanwege financiële redenen in 2025 wilde laten uitvoeren, had het ziekenhuis hem beter moeten informeren over de gevolgen van de DBC-registratie. De commissie verklaarde de klacht daarom gegrond en oordeelde dat het ziekenhuis een deel van de financiële schade moet vergoeden. Het Radboudumc moet €1.000 aan de patiënt betalen en ook het klachtengeld terugbetalen.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting Radboud universitair medisch centrum, gevestigd te Nijmegen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 11 november 2025 te Utrecht.

Namens de zorgaanbieder hebben middels een digitale verbinding aan de zitting deelgenomen [naam], jurist en [naam], teamleider zorgadministratie. De cliënt is fysiek ter zitting verschenen.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de schending van de informatieverplichting die op de zorgaanbieder rust ter zake de wijze van declareren.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

De cliënt is voor een eerste consult bij de zorgaanbieder geweest op 18 oktober 2024. Hij heeft tijdens dit gesprek en later gedurende de planning van zijn operatie uitdrukkelijk aangegeven dat de behandeling volledig in 2025 zou plaatsvinden, vanwege de overstap naar een andere zorgverzekeraar met ingang van
1 januari 2025. De cliënt is niet geïnformeerd over het feit dat het consult in 2024 leidde tot het openen van een DBC in 2024, waardoor alle kosten – inclusief de operatie – alsnog onder de zorgverzekering en het eigen risico van 2024 zijn komen te vallen. De cliënt heeft hiervoor op 9 mei 2025 een factuur ontvangen van zijn voormalige zorgverzekeraar van € 3.228,37. Deze kosten waren voor hem onverwacht en hadden voorkomen kunnen worden als hij correct was voorgelicht over de gevolgen van de DBC-datering.

De cliënt stelt dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in haar informatieplicht als zorgaanbieder. Hij verzoekt de commissie dan ook om vast te stellen dat de zorgaanbieder hem onvoldoende heeft voorgelicht en dat hierdoor financiële schade is ontstaan. Tevens vraagt de cliënt om een passende compensatie en aanbevelingen voor betere informatievoorziening aan patiënten over DBC-gevolgen.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder stelt primair dat de cliënt, op grond van artikel 5 lid 1 onder b van het reglement van de commissie, niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn klacht, omdat het gaat om een geschil over het eigen risico of het al dan niet vergoeden van een bedrag van zijn zorgverzekeraar en daaraan geen inhoudelijke klacht ten grondslag ligt. Er is door de cliënt bij indiening van de klacht bij de zorgaanbieder geen inhoudelijke klacht geformuleerd anders dan een verzoek om herziening en een verzoek om coulancevergoeding.

Pas bij indiening van het geschil bij de commissie is er door de cliënt een inhoudelijk argument toegevoegd ter zake het tekortschieten in de informatievoorziening. Hieraan wordt ook een verzoek tot financiële compensatie van de schade gekoppeld. Omdat dit geen onderdeel was van de oorspronkelijk ingediende klacht is op dit specifieke punt niet eerder door de zorgaanbieder gereageerd waardoor feitelijk geen sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 3 lid 2 van het reglement.

Inhoudelijke reactie
De zorgaanbieder stelt dat op grond van transparantieregels die gelden voor zorgaanbieders een zorgaanbieder actief en aantoonbaar voor de start van de behandeling moet informeren over het feit dat een patiënt mogelijk een deel van de kosten zelf moet betalen. Aan deze verplichting heeft de zorgaanbieder voldaan door bij de bevestiging van de afspraak van 18 oktober 2024, in de afspraakbrief en nogmaals in het herinneringsbericht van de afspraak actief te wijzen op de relevante informatie op de website. Hier staat informatie over kosten van behandeling en eigen risico, informatie met welke zorgverzekeraars door de zorgaanbieder contracten zijn gesloten, wanneer een eigen betaling voor de patiënt wordt verwacht, de hoogte van wettelijk eigen risico en dat patiënten ook kunnen kiezen voor een hoger eigen risico. Ook wordt hier de informatiekaart van de NZA getoond, waarin de algemene regels over start en sluitdata van de DBC-structuur worden vermeld. Nadrukkelijk wordt in dit document aangegeven dat als een patiënt vragen heeft over de begindatum van een DBC-subtraject of andere specifieke vragen over de kosten, dat deze moeten worden gesteld aan de zorgaanbieder. De informatieplicht gaat niet zo ver dat de zorgaanbieder al automatisch bij iedere patiënt standaard een individuele berekening maakt over de eigen kosten, al is die mogelijkheid er wel na een specifiek verzoek hiertoe van de patiënt. Hier geldt dat de patiënt een eigen onderzoekplicht heeft.

Juist in de situatie dat een patiënt voornemens is om te wisselen van verzekeraar, zou dat voor een patiënt aanleiding moeten zijn om meer navraag te doen naar de (eigen) kosten. De zorgaanbieder is van mening dat voldaan is aan de informatieverplichting conform de transparantieregels. De stelling van de cliënt dat hij navraag heeft gedaan over de voorwaarden en ook dat hij expliciet heeft gevraagd naar de relatie tussen de behandelperiode en zijn verzekering, blijkt niet uit het dossier. Daaruit blijkt alleen de aangegeven wens dat de operatie begin 2025 plaatsvindt. Uit de aantekening blijkt niet dat hier een financiële reden achter zat. Als dat wel was aangegeven had de arts de patiënt overigens verwezen naar het Informatiepunt Kosten van Zorg of de zorgadministratie van de zorgaanbieder of naar de zorgverzekeraar.
De zorgaanbieder stelt dat het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen, nu geen sprake is van tekortschieten in de informatieverplichting.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beroep op niet-ontvankelijkheid
De zorgaanbieder stelt met verwijzing naar artikel 5 lid 1 onder b van het reglement dat de cliënt in zijn klacht niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat het een geschil betreft over eigen risico of wel/geen vergoeding zorgverzekeraar en daaraan geen inhoudelijke klacht ten grondslag ligt.
De commissie is van oordeel dat de klacht niet primair betreft de vergoeding door de zorgverzekeraar, maar de informatieplicht dan wel voorlichting over DBC’s door de zorgaanbieder.
Hierover is artikel 5 lid 1 onder a van het reglement van de commissie aangegeven dat een geschil over de informatieplicht betreffende een factuur dan wel voorlichting over diagnose-behandelcombinaties (DBC’s) niet onder de niet-ontvankelijkheidsgronden valt.

Gelet hierop kan ook niet gesteld worden dat de cliënt geen inhoudelijke klacht aan de zorgaanbieder heeft voorgelegd. Een klacht over de informatieplicht betreffende een factuur dan wel voorlichting over DBC’s dient immers gelet op het reglement als een inhoudelijke klacht te worden aangemerkt, die reeds door de cliënt aan de zorgaanbieder is voorgelegd. Er is hiermee voldaan aan artikel 3 lid 2 van het reglement.
Het verzoek van de zorgaanbieder tot niet-ontvankelijkverklaring van de cliënt wordt afgewezen.

Inhoudelijke beoordeling
Ten aanzien van het verwijt dat de cliënt de zorgaanbieder maakt over de onvoldoende voorlichting ter zake de DBC-structuur en de wijze van declaratie van kosten, stelt de zorgaanbieder dat hij heeft voldaan aan de op hem rustende zorgplicht door de cliënt meermaals te verwijzen naar de website waarop informatie over dit onderwerp is te vinden. Dit heeft de zorgaanbieder voor de eerste keer gedaan in de brief van
19 september 2024, voorafgaand aan het eerste consult op 18 oktober 2024. In deze brief is aangegeven: Uw zorgverzekeraar heeft voor uw polis in 2024 nog geen contract afgesloten met het
Radboudumc. Dit betekent dat mogelijk niet alle kosten voor behandelingen in 2024 worden vergoed.
Verderop in de brief wordt nogmaals aangegeven: Het kan voorkomen dat u een deel van uw behandeling in 2024 zelf moet betalen.

De zorgaanbieder stelt verder dat de informatieplicht niet zover gaat dat bij iedere patiënt standaard een individuele berekening moet worden gemaakt over de eigen kosten.

De commissie is met de zorgaanbieder van oordeel dat de zorgaanbieder niet tot in detail hoeft te informeren over (de gevolgen van de werking van) DBC’s. Op de zorgaanbieder rust de verantwoordelijkheid om cliënten hierover in zijn algemeenheid te informeren. Hoewel gesteld kan worden dat de zorgaanbieder heeft voldaan aan de verplichting om de cliënt in meer algemene zin te informeren en hem heeft verwezen naar de website voor meer informatie, is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder in dit specifieke geval toch onvoldoende zorgvuldig is geweest in deze voorlichting, door in de brief van 19 september 2024 tot tweemaal toe expliciet te stellen dat kosten voor behandelingen in 2024 wellicht niet voor vergoeding in aanmerking komen. Door dit zo nadrukkelijk te stellen, heeft de cliënt er begrijpelijkerwijs geen rekening mee gehouden dat behandelingen die plaatsvonden in 2025 ook voor zijn rekening zouden kunnen komen.

De cliënt was door deze mededeling eerder gesterkt in zijn opvatting dat hij geen kosten zou maken (los van een eigen risico), indien de behandeling in 2025 zou plaatsvinden. Hij heeft deze wens ook bij zijn eerst consult kenbaar gemaakt. Wat de cliënt hierover precies heeft aangegeven en hoe hierop door de behandelaar is gereageerd, is niet duidelijk geworden nu in het medisch dossier over mogelijke vragen die zijn gesteld op het consult op 18 oktober 2024 slechts de aantekening is gemaakt ‘Er werd gelegenheid gegeven voor het stellen en beantwoorden van vragen’. De commissie gaat ervan uit dat de cliënt tijdens het eerste consult dit onderwerp wel heeft besproken. Dat is tijdens de zitting ook niet door de zorgaanbieder ontkend.

Dat op de cliënt een onderzoekplicht rust, zoals door de zorgaanbieder gesteld, onderschrijft de commissie. Er kan in dit geval echter niet worden gesteld dat de cliënt niet aan zijn onderzoekverplichting heeft voldaan, nu hij zich wel degelijk heeft verdiept in de materie en heeft aangegeven bij het eerste consult op 18 oktober 2024 dat hij de behandeling in 2025 wilde laten plaatsvinden vanwege financiële overwegingen.

Gelet op het bovenstaande heeft de zorgaanbieder de client onvoldoende althans onjuist geïnformeerd en is daarmee toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. De door deze tekortkoming ontstane financiële schade voor de cliënt dient in redelijkheid gedeeltelijk door de zorgaanbieder aan cliënt te worden vergoed. De commissie bepaalt dat het door de zorgaanbieder aan de cliënt te vergoeden bedrag in redelijkheid en billijkheid wordt vastgesteld op € 1.000,–.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de cliënt in zijn klacht ontvankelijk;
– verklaart de klacht gegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder een bedrag ad € 1.000,– aan de cliënt vergoedt binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies een bedrag van € 52,50 aan cliënt dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;
– wijst af het meer of anders verzochte.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. dr. B. Wallage, voorzitter, de heer dr. A.H.G. Driessen, de heer mr. M.H.J.N. van Berckel Smit, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 11 november 2025.