Verzoek tot rectificatie medisch dossier deels gehonoreerd, schadevergoeding afgewezen

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 837256/948203

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënt verzocht om rectificatie van een brief van 21 november 2017 in zijn medisch dossier, omdat daarin volgens hem subjectieve en onjuiste observaties stonden. De zorgaanbieder heeft deze brief op 22 november 2024 aangepast, maar wees het verzoek om schadevergoeding af. De cliënt stelde dat de brief zonder feitelijke onderbouwing was opgesteld, en dat hij en zijn moeder hierdoor schade hebben geleden, onder meer doordat zijn moeder hem niet meer mocht begeleiden bij consulten. Volgens hem was sprake van schending van de zorgplicht en foutieve documentatie. De zorgaanbieder betoogde dat de observaties van de kinderarts berustten op het consult van 27 juni 2017 en dat deze binnen de professionele normen vielen. De rectificatie is later uit coulance uitgevoerd, mede omdat er geen behandelrelatie meer bestond. De commissie oordeelde dat de oorspronkelijke brief niet onzorgvuldig of foutief was en dat de arts gerechtigd was haar observaties te delen met de huisarts. Er was geen sprake van een normschending, en de gestelde schade is bovendien onvoldoende onderbouwd. Daarom wordt de klacht ongegrond verklaard en de schadevergoeding afgewezen.

De uitspraak

in het geschil tussen

de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting Zuyderland Medisch Centrum, gevestigd te Sittard
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Samenvatting
De cliënt heeft om rectificatie van zijn medisch dossier verzocht. De zorgaanbieder heeft de brief van 21 november 2017 gerectificeerd.

De door de cliënt verlangde schadevergoeding wordt afgewezen. Niet kan worden gezegd dat de observaties in de brief van 21 november 2017 destijds onzorgvuldig waren. De klacht is dan ook ongegrond.

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 8 mei 2025 te Utrecht.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Onlangs heeft cliënt zijn medisch dossier opgevraagd. Daarin zat een brief van 21 november 2017 van de afdeling kindergeneeskunde aan zijn huisarts. In deze brief stonden leugens en valse observaties. De brief bevatte subjectieve meningen. ‘Stil zijn’ en ‘veel zweten’ zijn geen feitelijke constateringen, maar zijn voor elke persoon anders. Er mist ook een onderbouwing in de brief.

De moeder van cliënt heeft de behandeling beëindigd omdat zij en de cliënt slecht bejegend werden door de arts. De cliënt heeft nooit goed begrepen waarom de verstandhouding met de arts opeens veranderde, maar na het ontdekken van de brief wel.

Zowel zijn moeder als de cliënt hebben last van deze brief ondervonden. De brief is op verzoek van de cliënt aangepast, maar het ziekenhuis is niet bereid om een schadevergoeding te betalen voor de geleden schade.

Dr. [naam] geeft aan dat de gerectificeerde brief nu enkel objectieve gegevens bevat zoals een arts brief ook hoort te bevatten. Daaruit volgt dat ook dr. [naam] meent dat de brief eerder subjectieve gegevens bevatte.

De schade van de cliënt bestaat er onder meer uit dat kort nadat de brief aan de huisarts is verzonden en de cliënt naar een arts moest, zijn moeder niet meer aanwezig mocht zijn. De cliënt was niet goed in staat zijn klachten te onderbouwen en daarover te vertellen, daarin werd hij altijd door zijn moeder geholpen. Daardoor heeft de cliënt schade geleden.

Er is sprake van schending van de zorgplicht ex artikel 7:453 BW en sprake van foutieve documentatie ex artikel 13 WGBO.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Het is vervelend dat de cliënt last heeft ondervonden van wat in de brief van 21 november 2017 stond. Van (medisch) onzorgvuldig handelen door artsen van de zorgaanbieder is echter geen sprake. Er is ook geen grond voor een immateriële schadevergoeding.

Dat de brief van 21 november 2017 leugens bevatte is onjuist, althans dat wordt weersproken. Het betreft een brief naar aanleiding van een consult van 27 juni 2017. Tijdens dat consult heeft de kinderarts een aantal observaties gedaan en zij heeft deze observaties aan de huisarts teruggekoppeld. In die brief licht zij overigens ook toe waarom zij de brief aan de huisarts schreef.

Welk gedeelte van de brief onwaarheden bevatte heeft de cliënt niet duidelijk gemaakt. De passages die met de rectificatiebrief van 24 november 2024 zijn verwijderd bevatten niet slechts subjectieve beschouwingen. Het feit dat dr. [naam] zich kon vinden in de bezwaren van de cliënt, maakt dat niet anders. Dr. [naam] heeft ook meegenomen in zijn overweging om tot rectificatie over te gaan het feit dat er reeds zeven jaar geen behandelrelatie bestond met de cliënt en de passages die hij heeft verwijderd niet meer noodzakelijk zijn voor een goede hulpverlening. Dat een brief overigens alleen objectieve informatie zou mogen bevatten, is geen wettelijke verplichting.

De kinderarts heeft observaties gedaan, bijvoorbeeld ‘stil zijn’ en ‘veel zweten’, hetgeen feitelijke constateringen waren. Zij beschreef dat zij vond dat de cliënt gespannen overkwam, dat is op zichzelf een subjectieve bevinding, maar de bevinding was wel gestoeld op objectieve gegevens en moet dan ook in die context gezien worden. Zij beschreef dat zij zich had voorgenomen er bij cliënt één-op-één op terug te komen, maar die kans kreeg zij niet meer. Bovendien wordt in de brief nergens een diagnose gesteld, definitief oordeel gegeven of anderszins consequenties verbonden aan de observaties van de kinderarts.

De cliënt heeft de door hem gestelde schade en de omvang daarvan als gevolg van de brief van 21 november 2017 niet onderbouwd. De cliënt geeft aan dat een en ander aanzienlijke gevolgen voor hem en zijn moeder heeft gehad. Een toelichting ontbreekt echter. Ook is er geen onderbouwing van die gestelde gevolgen. Het is voor de zorgaanbieder dan ook niet goed mogelijk hierop te reageren.
Als er al een schadevergoeding moet worden betaald, dan dient deze te worden gematigd. Aanvankelijk heeft de consument om een bedrag van € 2.500, – gevraagd en heeft dat bedrag bij de commissie verhoogd naar € 3.000, –. Beide bedragen zijn niet redelijk, gezien de gestelde aard en ernst van de normschending. De kinderarts heeft immers slechts uit bezorgdheid en in het kader van goede hulpverlening gehandeld.

Beoordeling
De Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) (artikel 7:446 tot en met 7:468 BW) bepaalt dat zorgverleners bij hun werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht moeten nemen. Zij dienen daarbij te handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid uit de professionele standaard. Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De KNMG-richtlijnen werken verder uit aan welke eisen een medisch dossier moet voldoen, zoals volledigheid, actualiteit en toegankelijkheid van relevante informatie.

De commissie zal de klacht aan de hand van dit juridisch kader beoordelen.

De cliënt heeft op 14 november 2024 een verzoek ingediend om een deel van zijn medisch dossier aan te passen. Dr. [naam], kinderchirurg-neonatoloog heeft op verzoek van het KlantContactCentrum het correctieverzoek beoordeeld en gehonoreerd. Daarmee is de brief van 21 november 2017 aangepast en een rectificatiebrief verzonden aan de huisarts op 22 november 2024. De door de cliënt verzochte schadevergoeding is bij brief van 18 november 2024 door de zorgaanbieder afgewezen.

De brief van 21 november 2017 is geschreven naar aanleiding van een consult op 27 juni 2017. De kinderarts schrijft dat het opvragen van het medisch dossier (opnieuw) ter sprake kwam en dat moeder duidelijk maakte dat zij niet wilde dat de gegevens uit eerdere ziekenhuizen werden opgevraagd. Tijdens die conversatie merkte de kinderarts op dat de cliënt stil was, veel zweette en dat hij gespannen imponeerde. Zij nam zich voor om hem ten tijde van een volgend consult ook apart te spreken.

Het vervolgonderzoek en de volgende poliklinische controle werden echter door moeder geannuleerd met als reden dat de cliënt van al zijn klachten af zou zijn. De kinderarts schrijft dat zij als gevolg van het gesprek en de annuleringen door moeder zorgen heeft en de follow-up van de cliënt niet kan garanderen. Zij heeft de huisarts hier aandacht voor gevraagd.

De commissie is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat wat destijds door de kinderarts in de brief van 21 november 2017 is genoteerd onzorgvuldig was. Observaties die een arts doet, dient hij te omschrijven. De kinderarts heeft daartoe aanleiding gezien omdat de cliënt en zijn moeder zich na het consult op 27 juni 2017 hebben onttrokken aan controle. Dat de kinderarts zich genoodzaakt heeft gezien dit bij de huisarts te melden komt de commissie niet onlogisch voor.

Het is te begrijpen dat de brief van 21 november 2017 na zoveel jaren op verzoek wordt gerectificeerd, mede omdat er inmiddels al zeven jaar geen sprake meer was van een behandelrelatie. Dat maakt niet dat het handelen van de kinderarts destijds onzorgvuldig was.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Nu de klacht ongegrond wordt verklaard, dient het klachtengeld overeenkomstig het reglement van de commissie voor rekening van de cliënt te komen. De cliënt heeft het klachtengeld reeds aan de commissie voldaan, zodat daarover niet meer behoeft te worden beslist.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht ongegrond;
– wijst de door de cliënt verlangde schadevergoeding af.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, mevrouw drs. M.L.T.B.M. Köhlen, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. L. Kramer, secretaris, op 8 mei 2025.