Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: aansprakelijkheid
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1281303/1294475
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een patiënt stelde het Maastricht Universitair Medisch Centrum+ aansprakelijk voor het verlies van zijn horloge tijdens een ziekenhuisopname. Hij was op 26 december 2024 per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Tijdens het vervoer zou een ambulancebroeder het horloge hebben afgedaan om een infuus te kunnen plaatsen. Volgens de patiënt werd het horloge daarna weer om zijn pols gedaan. De volgende ochtend in het ziekenhuis ontdekte hij dat het horloge verdwenen was. Hij meldde dit direct en vroeg het ziekenhuis om onderzoek te doen, maar het horloge werd niet teruggevonden. De patiënt vond dat zowel de ambulancedienst als het ziekenhuis verantwoordelijk waren voor het verlies en vroeg om een schadevergoeding voor materiële en immateriële schade. Het ziekenhuis stelde dat uit intern onderzoek niet bleek dat de patiënt met het horloge in het ziekenhuis was aangekomen of dat het daar kwijtgeraakt was. Ook kon het ziekenhuis niet verantwoordelijk worden gehouden voor het handelen van de ambulancedienst. De commissie oordeelde dat de klacht over het handelen van de ambulancedienst niet tegen het ziekenhuis kon worden gericht. Verder kon niet worden vastgesteld wat er precies met het horloge was gebeurd of waar het verloren was gegaan. Omdat niet bewezen kon worden dat het horloge in het ziekenhuis is verdwenen door toedoen van het personeel, kon het ziekenhuis niet aansprakelijk worden gehouden. De commissie verklaarde de klacht ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)en
Maastricht Universitair Medisch Centrum+, gevestigd te Maastricht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 20 november 2025 te Den Haag.
Cliënt werd ter zitting vertegenwoordigd door de [naam] en zijn echtgenote.
De zorgaanbieder werd vertegenwoordigd door [naam] en [naam], die de zitting digitaal hebben bijgewoond
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft het verlies van een horloge.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
Op 26 december 2024 is cliënt per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Tijdens het vervoer is zijn horloge door de ambulancebroeder afgedaan om een infuus in te brengen. Omdat het inbrengen van het infuus niet lukte is het horloge weer om zijn pols gedaan. Cliënt werd na het bezoek aan de spoedeisende hulp opgenomen in het ziekenhuis. De volgende ochtend, in het ziekenhuis, constateerde cliënt dat hij zijn horloge miste. Hij heeft hierover direct melding gemaakt en gevraagd of men contact kon opnemen met de betreffende ambulancebroeder of het horloge misschien toch in de ambulance was achtergebleven en op de spoedeisende hulp navraag te doen of het horloge daar nog lag.
Ondanks meerdere meldingen, ingevulde formulieren en herhaald contact met de klachtenfunctionaris en later de directie van de zorgaanbieder, bleef een serieuze reactie uit.
Cliënt heeft zowel de zorgaanbieder als de ambulancezorg aansprakelijk gesteld voor het verlies van zijn horloge en verzocht om schadevergoeding. Omdat zijn horloge is afgenomen in de ambulance en vervolgens tijdens de overdracht aan het ziekenhuis is zoekgeraakt, acht cliënt zowel de ambulancezorg als de zorgaanbieder verantwoordelijk. Beide zorgaanbieders hadden op dat moment een gezamenlijke zorgplicht voor zijn eigendom. Dat zijn horloge nooit is teruggegeven, toont aan dat deze zorgplicht niet is nagekomen. Het is daarom redelijk en gerechtvaardigd dat beide partijen gezamenlijk aansprakelijk worden gehouden voor de vermissing.
Na lange tijd ontving cliënt van de verzekeraar van de zorgaanbieder de mededeling dat niet was vast komen te staan dat het horloge is kwijtgeraakt door toedoen van een ziekenhuis- of ambulancezorgmedewerker. Er zou wel een mogelijkheid zijn om beroep te doen op een coulanceregeling. De zorgaanbieder heeft echter geweigerd een coulancevergoeding te geven.
Cliënt verzoekt de commissie deze zaak inhoudelijk te beoordelen en een uitspraak te doen over de aansprakelijkheid en de geleden schade materiële en immateriële schade.
Cliënt wil daarbij benadrukken dat het niet alleen gaat om de vermissing zelf, maar ook om de wijze waarop met zijn meldingen is omgegaan. Ondanks herhaaldelijke verzoeken, ingevulde formulieren en contact met diverse functionarissen werd hij steeds van het kastje naar de muur gestuurd, waarbij zowel de ambulancezorg als de zorgaanbieder de verantwoordelijkheid afschoof. Hierdoor voelde hij zich niet serieus genomen. De lange duur van de afhandeling en het uitblijven van een bevredigende oplossing hebben geleid tot frustratie, stress en een gevoel van onmacht. Dit gaat verder dan enkel “onvrede over de uitkomst” en vormt voor hem daadwerkelijk immateriële schade.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
Voor zover de klacht betrekking heeft op het handelen van de ambulancedienst, verzoekt de zorgaanbieder de klacht niet ontvankelijk te verklaren, daar zij niet verantwoordelijk is voor het handelen van de ambulancedienst.
Het interne onderzoek naar de vermissing heeft in het ziekenhuis geen enkele aanwijzing opgeleverd dat cliënt met het horloge is opgenomen en dat het horloge daadwerkelijk in het ziekenhuis vermist is geraakt. Er is gezocht op de SEH, op de afdeling waar cliënt daarna werd opgenomen en in de wasserij, maar er is geen horloge gevonden. Er is gesproken met de medewerkers die betrokken waren bij deze opnames maar geen van hen had een herinnering aan een horloge of aan het afdoen daarvan bij cliënt. Er is ook contact opgenomen met de ambulancedienst, die aangaf ook geen horloge te hebben gevonden.
Het is begrijpelijk dat cliënt ontevreden is over de lange duur van de behandeling van zijn verzoek met uiteindelijk niet het door hem gewenste resultaat. Omdat het interne onderzoek niets opleverde, is zoals in het ziekenhuis de procedure is, de verzekeraar van de zorgaanbieder gevraagd de schade te onderzoeken. Dit loopt via makelaar-tussenpersoon [naam]. [naam]heeft opnieuw onderzoek gedaan naar de vermissing en heeft op 10 juni 2025 de vergoeding van het horloge afgewezen. De reden van de afwijzing is dat niet geverifieerd kon worden dat cliënt met het horloge is opgenomen in het ziekenhuis en dat het horloge daadwerkelijk in het ziekenhuis vermist is geraakt. Wat telefonisch is besproken tussen de verzekeraar en de zoon van cliënt over een coulancevergoeding kan de zorgaanbieder niet verifiëren.
Gelet op de uitkomsten van het onderzoek dat naar de vermissing is gedaan, waarin geen enkele aanwijzing is gevonden voor vermissing in het ziekenhuis, heeft de zorgaanbieder ook geen reden gezien een schikking aan te bieden.
De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klacht van cliënt tegen het ziekenhuis af te wijzen.
Beoordeling van het geschil
De zorgaanbieder heeft de commissie verzocht cliënt niet ontvankelijk te verklaren in zijn klacht voor zover deze ziet op het handelen van de ambulancedienst. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder niet kan worden aangesproken op het handelen van de ambulancedienst daar dit handelen buiten de invloedssfeer van de zorgaanbieder valt. Cliënt is daarom niet ontvankelijk in zijn klacht voor zover deze is gericht op het handelen van de ambulancedienst.
De commissie dient te oordelen of de zorgaanbieder heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht tot het veiligstellen van het horloge van cliënt.
De commissie stelt vast dat, op grond van de overgelegde stukken en de verklaringen die ter zitting zijn afgelegd, niet kan worden vastgesteld wat er daadwerkelijk met het horloge van cliënt is gebeurd tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis op 26/27 december 2024. De verklaringen van cliënt hierover zijn niet eenduidig: aanvankelijk heeft cliënt verklaard dat het horloge door de ambulancemedewerker is afgedaan terwijl ter zitting namens cliënt is aangegeven dat de ambulancemedewerker cliënt heeft meegedeeld dat hij het horloge weer om zou doen omdat het niet was gelukt om een infuus in zijn arm aan te brengen en cliënt dus naar alle waarschijnlijkheid het horloge om had toen hij bij de afdeling spoedeisende hulp aankwam.
De zorgaanbieder heeft ter zitting de procedure beschreven die wordt gevolgd bij het aantreffen van persoonlijke bezittingen. Vaststaat dat het horloge niet in een safetybag is opgeborgen. Het interne onderzoek naar de vermissing heeft geen enkele aanwijzing opgeleverd dat cliënt met het horloge is opgenomen en dat het horloge daadwerkelijk in het ziekenhuis vermist is geraakt.
Het is vaste jurisprudentie van de commissie in gevallen als deze waarbij de feitelijke gang van zaken niet kan worden vastgesteld, dat het verwijt van cliënt op het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van cliënt minder geloof verdient dan dat van de zorgaanbieder, maar op de omstandigheid dat voor een oordeel of onzorgvuldig is gehandeld door de zorgaanbieder eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan de commissie niet vaststellen, immers niet kan worden hard gemaakt dat het horloge in het ziekenhuis is geweest.
Gelet op het voorgaande kan de commissie, op basis van de beschikbare informatie en hetgeen tijdens de zitting aan de orde is gekomen, niet tot het oordeel komen dat sprake is van verwijtbaar handelen door de zorgaanbieder.
De klacht kan dan ook niet gegrond worden verklaard.
Nu er geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming van de zorgaanbieder zal ook de vordering tot schadevergoeding worden afgewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart de klacht van de cliënt ongegrond en wijst zijn vordering tot schadevergoeding af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw drs. M.L.T.B.M. Köhlen, mevrouw mr. I. van den Hoven – van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 20 november 2025.