Vermeende fout in MRI-verslag leidt tot geschil over medische behandeling

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 525868/641864

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënt stelde dat het MRI-verslag van Meander Medisch Centrum uit 2021 onjuiste informatie bevatte over zijn wervelkolom, waardoor verwarring ontstond en de behandeling niet correct was. Hij eiste een schadevergoeding van € 2.200. De zorgaanbieder voerde aan dat de beschreven afwijkingen binnen de normaalwaarden vielen en dat subtiele veranderingen mogelijk niet zichtbaar waren op de MRI. Bovendien was de cliënt tweemaal niet verschenen op afspraken om de resultaten te bespreken. De commissie kon geen fouten in het verslag vaststellen en oordeelde dat de klacht ongegrond was. De gevraagde schadevergoeding werd afgewezen.

De uitspraak

in het geschil tussen

[naam], verblijvende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Meander Medisch Centrum, gevestigd te Amersfoort
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2025 te Utrecht.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Namens de zorgaanbieder zijn verschenen [naam], jurist en [naam], advocaat. De cliënt heeft middels een digitale verbinding aan de zitting deelgenomen.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft verkeerde informatie in een MRI-verslag van de zorgaanbieder.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De cliënt is door zijn toenmalige huisarts in 2021 voor een second opinion van een MRI doorverwezen naar de zorgaanbieder. Hiervan is door een arts-assistent verslag uitgebracht. In dit verslag wordt melding gemaakt van een normaal aspect van de facetgewrichten L4 en L5, maar dat klopt niet. Door twee andere specialisten is aangegeven dat sprake is van slijtage (facetartrose) en facetonregelmatigheid bij L5.
Door de fout van de zorgaanbieder is verwarring ontstaan en is de behandeling niet goed geweest.
De cliënt verzoekt de commissie een financiële vergoeding toe te wijzen van € 2.200, — en geeft tevens aan open te staan voor een schikking met de zorgaanbieder.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

In het MRI-verslag wordt terecht beschreven dat er afwijkingen zijn in de discus L4-L5 en L5-S1. Er is echter geen zenuw compressie aantoonbaar. De facetgewrichten vindt de radioloog (ook in tweede instantie) niet afwijkend op de MRI-beelden, dat wil zeggen dat het beeld binnen de normaalgrenzen valt. In een ander ziekenhuis is (kennelijk) gesproken van facetgewrichtonregelmatigheden op een conventioneel röntgenonderzoek (X-LWK). De radioloog van de zorgaanbieder heeft deze opnamen uit het andere ziekenhuis niet gezien en kan hierover geen oordeel vormen. Het kan zijn dat er geringe degeneratieve veranderingen te zien zijn op een conventionele röntgenfoto en dat deze subtiele veranderingen niet te zien zijn op een MRI opname. De resolutie van MRI onderzoek is lager dan conventioneel röntgenonderzoek. Kortom, de zorgaanbieder heeft in een radiologieverslag genoteerd dat sprake was van normale aspecten op de facetten van L5 (rug). In januari/maart 2021 was in een andere zorginstelling geconstateerd dat dit niet zo was. De cliënt lijkt te stellen dat zijn behandeling bij de zorgaanbieder onduidelijk was omdat de MRI niet goed beschreven is en in ieder geval afweek van eerdere beschrijvingen van radiologisch onderzoeken in andere zorginstellingen. De cliënt stelt dat hierdoor verwarring is ontstaan en hij schade heeft geleden. Het is voor de zorgaanbieder onduidelijk wat er niet goed geweest is, wat bedoeld wordt met verwarring, welke schade is geleden en aan wie die vermeende schade toerekenbaar is.

Voor de cliënt stond een afspraak gepland bij de neuroloog op 20 juli 2021 om de uitkomst van de MRI te bespreken. De cliënt is niet verschenen, zonder afmelding. Dit is schriftelijk bericht aan de huisarts per brief van 20 juli 2021. Op 9 december 2021 stond opnieuw de afspraak bij de neuroloog gepland. De cliënt is wederom niet verschenen op de afspraak, zonder af te melden. Het beleid is per brief van 9 december 2021 meegedeeld aan de huisarts. Hierna is de cliënt niet meer gezien. De zorgaanbieder betreurt het dat de cliënt niet op de polikliniek neurologie is verschenen, hetgeen wellicht de onduidelijkheid had kunnen wegnemen en de klacht had kunnen voorkomen of verminderen.

Beoordeling van het geschil

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (art. 7:453 Burgerlijk Wetboek). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

De zorgaanbieder heeft initieel aangevoerd dat de cliënt de interne klachtenprocedure niet heeft doorlopen en derhalve niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn klacht. Ter zitting heeft de advocaat namens de zorgaanbieder aangegeven het beroep op niet-ontvankelijkheid niet langer te handhaven. De commissie gaat derhalve over tot een inhoudelijke behandeling van de klacht.

De cliënt stelt dat de zorgaanbieder een fout heeft gemaakt in het radiologie-verslag van 16 juli 2021. In dit verslag is het volgende aangegeven:
L3-L4: Normaal aspect van de discus en facetgewrichten. Ligamentum flavum hypertrofie beiderzijds. Normale doorgankelijkheid van het neuroforamen en recessus lateralis beiderzijds. Geen kanaalstenose. L4-L5: Discus dehydratie met discusbuiging. Normaal aspect van de facetgewrichten en het ligamentum flavum beiderzijds. Normale doorgankelijkheid van het neuroforamen beiderzijds. Enige versmalling van recessus lateralis beiderzijds, zonder evidente worielcompressie. Geen kanaalstenose. L5-S1: buiging van de discus aan posterieure zijde met ook een annulusscheur. D.d. klein HNP. Normaal aspect van de facetgewrichten en het ligamentum flavum beiderzijds. Normale doorgankelijkheid van het neuroforamen en recessus lateralis beiderzijds, geen wortelcompressie. Geen kanaalstenose. Geen relevante nevenbevindingen van de meegescande omliggende structuren. Conclusio Discopathie op het niveau L4-L5 en L5-S1, , zoals hierboven beschreven. Echter, geen evidente wortelcompressie. Geen kanaalstenose.

In het verslag van 24 maart 2021 van polikliniek neurologie, locatie Hengelo en het verslag van 22 juni 2021 van de polikliniek van OCON Orthopedische Kliniek is aangegeven: wat onregelmatige wervelcorpus L5 met dek- en sluitplaat onregelmatigheid.

Ter zitting heeft de cliënt aangegeven dat de fout van de zorgaanbieder erin bestaat dat in het radiologieverslag van de zorgaanbieder niet is aangegeven dat bij hem sprake is van artrose. De cliënt is van mening dat dit in de hierboven genoemde verslagen van 24 maart 2021 en van 22 juni 2021 wel is aangegeven. De commissie kan dit standpunt van de cliënt niet volgen. Ook in de verslagen van de andere zorgaanbieders wordt niet gesteld dat sprake is van artrose. Er wordt slechts aangegeven “wat onregelmatige wervelcorpus L5 met dek- en sluitplaat onregelmatigheid”.

De commissie heeft niet kunnen vaststellen dat in het radiologieverslag van de zorgaanbieder onjuistheden staan vermeld. Bovendien heeft de zorgaanbieder niet de mogelijkheid gekregen de MRI met de cliënt te bespreken, aangezien de cliënt tot tweemaal toe niet op de afspraak bij de zorgaanbieder is verschenen.

Ten overvloede merkt de commissie op dat ook in het geval wel artrose zou zijn vastgesteld dit waarschijnlijk geen verschil zou hebben gemaakt voor de te volgen behandeling.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is. De gevorderde schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht van de cliënt ongegrond;
– wijst af de gevorderde schadevergoeding.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer dr. P.A.A. Struijs, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 12 februari 2025.