Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: niet-ontvankelijk
Referentiecode:
377104/497982
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een klager meldde zich op 1 januari 2022 bij de Huisartsenpost (HAP) Gelderse Vallei met klachten van hoofdpijn en wazig zicht. Na telefonisch overleg tussen de HAP-arts en een neuroloog van het ziekenhuis werd de voorlopige diagnose oogmigraine gesteld, met het advies af te wachten. De volgende dag keerden de klachten terug in ernstigere vorm, waarna bij neurologisch onderzoek een herseninfarct werd vastgesteld. De klager stelde de zorgaanbieder verantwoordelijk voor het aanvankelijke advies, wat volgens hem leidde tot onherstelbare schade omdat behandeling met een stolseloplossend middel te laat kwam. De zorgaanbieder voerde aan dat de HAP een zelfstandige organisatie is en dat de HAP-arts op 1 januari de hoofdbehandelaar was. De commissie oordeelde dat de behandelrelatie op dat moment inderdaad tussen de klager en de HAP bestond, niet met het ziekenhuis. De verantwoordelijkheid voor het medisch oordeel en handelen lag daarom bij de HAP-arts. Een specialist die telefonisch geconsulteerd wordt, baseert zijn advies op beperkte informatie en is daarom niet hoofdverantwoordelijk voor de uiteindelijke besluitvorming. De commissie verklaarde de klager niet-ontvankelijk in zijn klacht tegen het ziekenhuis.
De uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [plaats] (hierna te noemen: de klager)en
Stichting Ziekenhuis Gelderse Vallei, gevestigd te Ede
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 16 mei 2025 te Utrecht.
Namens de zorgaanbieder zijn verschenen [naam], neuroloog, [naam], neuroloog, en [naam] juridisch medewerker. De klager is verschenen samen met zijn partner, [naam].
Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht.
Onderwerp van het geschil
De klager verwijt de zorgaanbieder dat door de neuroloog van de zorgaanbieder niet adequaat is geadviseerd aan de HAP-arts over de medische situatie van de klager.
Standpunt van de klager
Voor het standpunt van de klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De klager is op 1 januari 2022 bij de Huisartsenpost Gelderse Vallei (HAP) geweest met hoofdpijnklachten en wazig zicht. De HAP-arts heeft telefonisch overleg gevoerd met de neuroloog van de zorgaanbieder. Vervolgens is aan de klager aangegeven dat waarschijnlijk sprake is van een oogmigraine en is hem geadviseerd pijnstilling te nemen en af te wachten en zich weer te melden indien de klachten niet zouden verdwijnen. De volgende dag waren de klachten erger en had de klager tevens tintelingen in de arm. Hij is toen naar de zorgaanbieder gegaan, waar hij is terugverwezen naar de HAP. Er is opnieuw overleg geweest met een neuroloog van de zorgaanbieder, waarna de klager is doorgestuurd naar de zorgaanbieder voor een neurologische consultatie waarbij er een scan van de hersenen is gemaakt. Toen bleek dat sprake was van een herseninfarct.
De klager stelt dat de zorgaanbieder verantwoordelijk is voor het advies van de neuroloog aan de HAP-arts om af te wachten en niet direct actie te ondernemen. Deze vertraging had als gevolg dat de klager niet meer behandeld kon worden met een stolseloplossend middel. De klager heeft thans een permanent partieel gezichtsvelddefect, een aanhoudende depressie en chronische vermoeidheid.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op 1 januari 2022 heeft de klager zich gemeld bij de HAP, die is gehuisvest in het gebouw van de zorgaanbieder maar daarvan geen deel uitmaakt. De HAP is een zelfstandige organisatie. De klager is gezien door een van de dienstdoende huisartsen, op dat moment dus zijn hoofdbehandelaar, en op basis van de klachten die de klager aangaf (wazig zien, hoofdpijn, duizeligheid) kwam de huisarts tot een voorlopige diagnose van migraine. De huisarts heeft vervolgens telefonisch de dienstdoende neuroloog van de zorgaanbieder in consult geroepen en op basis van de door de cliënt aangegeven klachten werd na overleg met de neuroloog door de huisarts de diagnose oogmigraine gesteld. Daarop werd de cliënt door de huisarts met pijnmedicatie heengezonden met het advies opnieuw contact op te nemen indien de klachten niet zouden verdwijnen of zouden toenemen.
Pas op 2 januari 2022, nadat de klager zich opnieuw bij de HAP had gemeld met deels dezelfde maar ook met ernstiger klachten, werd hij door de dienstdoende huisarts verwezen naar de zorgaanbieder en kwam hij als patiënt onder behandeling van een van de neurologen van de zorgaanbieder. Aangezien de klacht van de klager betrekking heeft op wat er op 1 januari 2022 op de HAP heeft plaatsgevonden en de dienstdoende huisarts op dat moment zijn hoofdbehandelaar was, moet zijn klacht aan de HAP gericht zijn en niet aan de zorgaanbieder.
Daarom verzoekt de zorgaanbieder de commissie om de klacht van de klager gericht aan de zorgaanbieder niet ontvankelijk te verklaren. Indien de commissie van oordeel is dat de klager wel ontvankelijk is in zijn klacht, dan stelt de zorgaanbieder dat de dienstdoende neuroloog van de zorgaanbieder geen verwijt valt te maken aangezien zij door de huisarts slechts in consult is geroepen en daarbij mocht vertrouwen op de informatie die haar door de huisarts werd meegedeeld.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Gelet op het verweer van de zorgaanbieder dient de commissie allereerst te beoordelen of de klager ontvankelijk is in zijn klacht.
Juridisch kader
In de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) (artikel 7:446 tot en met 7:468 BW)
wordt de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling omschreven als de overeenkomst waarbij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, de hulpverlener, zich in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf tegenover een ander, de opdrachtgever, verbindt tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst, rechtstreeks betrekking hebbende op de persoon van de opdrachtgever of van een bepaalde derde.
De behandelend arts is degene die met de patiënt een behandelingsovereenkomst is aangegaan.
Daarom is hij verantwoordelijk voor de behandeling van de patiënt. Bij de uitvoering daarvan kan hij het advies van een collega betrekken. De behandelend arts moet dan nagaan of hij in de gegeven situatie kan volstaan met dit (telefonisch) advies of dat er meer nodig is. Een dergelijk consult is per definitie beperkt omdat de geconsulteerde arts bijvoorbeeld geen lichamelijk onderzoek kan doen. Bovendien is het advies louter gebaseerd op de informatie die de behandelend arts verstrekt. De behandelaar moet het advies dan ook kritisch wegen en interpreteren, voordat hij zijn behandelbeleid daarop vaststelt. Het is de expliciete verantwoordelijkheid van de behandelend arts om te beoordelen of hij kan volstaan met het advies van zijn collega. Kan dat niet, dan moet hij de patiënt verwijzen of zijn collega als medebehandelaar inschakelen. De behandelend arts noteert in het dossier aan welke arts hij advies heeft gevraagd, en zo nodig wat dat advies inhield.
De commissie is gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de arts van de HAP aangemerkt dient te worden als de behandeld arts, met wie de klager op 1 januari 2022 een behandelingsovereenkomst is aangegaan. Met de zorgaanbieder is op dat moment geen behandelingsovereenkomst tot stand gekomen.
De arts van de HAP is verantwoordelijk voor het onderzoek en de interpretatie van de symptomen van de klager en het advies aan de klager om af te wachten en deze arts dient dan ook hierop te worden aangesproken. De (neuroloog van de) zorgaanbieder kan hiervoor niet verantwoordelijk worden gehouden.
De commissie merkt ten overvloede nog op dat een geconsulteerde arts zich dient te realiseren dat hij zijn advies alleen kan baseren op de informatie die hij heeft gekregen van de behandelend arts. Daardoor is het advies per definitie beperkt en is terughoudendheid geboden bij het stellen van een diagnose.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart de klager niet-ontvankelijk in zijn klacht.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. dr. B. Wallage, voorzitter, de heer prof. dr. L.J. Kappelle, de heer mr. M.H.J.N. van Berckel Smit, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 16 mei 2025.