Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg
Categorie: Verpleeghuiszorg
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1221606/1287111
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Klaagster heeft een klacht ingediend tegen de zorgaanbieder, omdat de zorgaanbieder cliënte niet wenst op te nemen op de woonlocatie van de zorgaanbieder te [plaatsnaam].
De zorgaanbieder heeft aangevoerd dat hij de verantwoordelijkheid heeft veilige, verantwoorde en stabiele zorgomstandigheden te waarborgen, zowel voor zijn cliënten als voor zijn medewerkers. In zijn besluit om cliënte niet op te nemen is het belang van cliënte en het bredere organisatorische en zorginhoudelijke belang van zijn organisatie zorgvuldig tegen elkaar afgewogen. Die afweging heeft ertoe geleid dat de zorgaanbieder laatstgenoemd belang zwaarder heeft laten wegen dan het belang van cliënte en cliënte daarom niet op de woonlocatie heeft opgenomen.
De commissie heeft de klacht van klaagster ongegrond verklaard.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[naam] (hierna te noemen: klaagster), vertegenwoordiger van klaagster [naam] (hierna te noemen: cliënte), wonende te [woonplaats],en
Stichting Voor Regionale Zorgverlening (SVRZ), gevestigd te Middelburg,
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Beoordeling
De commissie heeft op grond van de door partijen overgelegde stukken en hetgeen zij tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht, het volgende overwogen.
Het standpunt van klaagster
Cliënte is een 85-jarige vrouw, geboren en getogen in [woonplaats]. In 2022 kreeg zij de diagnose vasculaire dementie. Na het overlijden van haar man hebben haar kinderen de zorg in de thuissituatie op zich genomen. Al snel bleek deze zorg onvoldoende, waarna professionele hulp werd ingeschakeld. Toen ook deze hulp niet toereikend bleek en de veiligheid van cliënte in het gedrang kwam, is besloten om cliënte via een CIZ-indicatie aan te melden voor een beschermde woonomgeving van de zorgaanbieder.
De zorgaanbieder heeft het verzoek tot opname van cliënte op de locatie echter afgewezen. Klaagster kan zich met (de grond voor) die afwijzing niet verenigen.
Op de psychogeriatrische afdeling van de woonlocatie werkt een medewerkster die moeite heeft met de komst van cliënte in verband met een geschil dat zij heeft met een aangetrouwd familielid van cliënte. De zorgaanbieder heeft naar aanleiding hiervan onderzocht of cliënte kon worden geplaatst op de somatische afdeling in plaats van op de psychogeriatrische afdeling, maar dat was geen oplossing. De reden die daarvoor werd aangevoerd was dat medewerkers van beide afdelingen intensief met elkaar samenwerken, waardoor contact met cliënte of familie niet te vermijden zou zijn. Volgens de zorgaanbieder zou dit binnen het team tot spanningen kunnen leiden in verband met de samenstelling en belastbaarheid van het team.
De verwijzing naar ”intensief samenwerken” is volgens klaagster onvoldoende onderbouwd. Onduidelijk is welke concrete overwegingen zijn gemaakt over de belastbaarheid van het team en over mogelijke spanningen. Dit betreft een interne organisatorische kwestie, die geen reden mag zijn om passende zorg te weigeren. Uit geen enkel beleidsstuk van de zorgaanbieder blijkt dat een bekende of aangetrouwde relatie een contra-indicatie vormt voor opname van een cliënt. De zorgaanbieder profileert zich als aanbieder van kleinschalige zorg- en woonvormen met als doel cliënten zoveel mogelijk in hun vertrouwde omgeving te laten blijven en het leven zoals zij dat gewend waren voort te zetten. Naar de mening van klaagster zijn de belangen van cliënte onvoldoende meegenomen in het afwijzingsbesluit.
De alternatieve locatie, die de zorgaanbieder heeft aangedragen, is niet passend. Cliënte heeft in [woonplaats] haar familie, een hecht sociaal netwerk en vaste aanloop. Een en ander is essentieel voor haar welbevinden. Een verhuizing van cliënte naar een andere plaats (waar zij niemand kent) zou dit kunnen verstoren. Bij dementie is bekend dat cliënten gebaat zijn bij een vertrouwde omgeving, herkenbare gezichten, vaste routines en nabijheid van familie. Dit alles zou haaks staan op de principes van persoonsgerichte zorg, waar de zorgaanbieder zich op beroept.
Klaagster verzoekt de commissie te bepalen dat de zorgaanbieder cliënte alsnog zal opnemen op de gewenste locatie.
Het standpunt van de zorgaanbieder
De zorgaanbieder begrijpt dat de familie van cliënte een sterke voorkeur heeft voor opname van cliënte op de locatie in [woonplaats]. En hij erkent ook de emotionele en sociale binding die cliënte en haar familie met deze locatie ervaren. Aan een voorkeur voor een specifieke locatie, kan echter geen recht op plaatsing op die locatie worden ontleend.
De zorgaanbieder heeft de verantwoordelijkheid om binnen zijn mogelijkheden passende zorg te bieden, met inachtneming van het bredere organisatorische en zorginhoudelijke belang. Tot die verantwoordelijkheid behoort het waarborgen van veilige, verantwoorde en stabiele zorgomstandigheden, zowel voor de cliënten als voor de medewerkers van de zorgaanbieder.
De betrokken medewerkster heeft in verband met complexe familiaire verhoudingen bij herhaling aangegeven bezwaar te hebben tegen plaatsing van cliënte op de locatie in [woonplaats]. Deze bezwaren worden gedeeld en ondersteund door het team, waarvan zij deel uitmaakt. De familiaire situatie wordt door de familie van cliënte anders ervaren dan door de betrokken medewerkster. De zorgaanbieder wil vanuit zijn principes van integriteit, zorgvuldig werkgeverschap en respect voor zowel cliënte als de medewerkster geen partij zijn in die verhoudingen.
De zorgaanbieder acht het op dit moment niet verantwoord om cliënte op de gewenste locatie op te nemen, omdat dit de rust, veiligheid en stabiliteit binnen het team en voor betrokkenen negatief zou kunnen beïnvloeden. Het besluit daartoe is na een zorgvuldige belangenafweging genomen.
De zorgaanbieder heeft cliënte een passende plek aangeboden op locatie in [plaatsnaam], een naburig dorp, waar eveneens hoogwaardige zorg wordt geboden die aansluit bij haar indicatie en zorgbehoefte.
Het oordeel van de commissie
In dit geschil ligt de vraag voor of de zorgaanbieder gerechtigd is te weigeren cliënte op te nemen op de gewenste locatie. De commissie beantwoordt die vraag bevestigend en legt hierna uit waarom.
De zorgaanbieder heeft het individuele belang van cliënte om opgenomen te worden op de gewenste locatie afgewogen tegen het algemene organisatorische en zorginhoudelijke belang van zijn organisatie. Die afweging heeft erin geresulteerd dat de zorgaanbieder dat algemene belang heeft laten prevaleren en op grond daarvan het besluit heeft genomen cliënte niet op te nemen op de gewenste locatie.
Uitgangspunt is dat de zorgaanbieder bij het nemen van een dergelijk besluit beleidsvrijheid heeft. Dit is een voorwaarde voor een doelmatige bedrijfsvoering van zijn organisatie. In het kader van die beleidsvrijheid bestaat er voor de zorgaanbieder dan ook geen verplichting om iedere potentiële gegadigde op te nemen.
Gelet op die beleidsvrijheid heeft de commissie niet de bevoegdheid om naar eigen inzicht belangen te wegen; de commissie moet zich terughoudend opstellen bij de beoordeling van de keuze die de zorgaanbieder binnen de grenzen van zijn beleidsvrijheid heeft gemaakt. De commissie heeft geen aanwijzingen dat de zorgaanbieder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten cliënte niet op te nemen op de locatie, gelet op de overige (werkgevers)belangen, die de zorgaanbieder in de afweging heeft mogen betrekken.
Op grond van de voorgaande overwegingen komt de commissie tot de conclusie dat de klacht van klaagster ongegrond is.
De commissie merkt ten overvloede nog het volgende op. De gang van zaken met betrekking tot de telefonische uitnodiging van klaagster voor de bezichtiging van een kamer voor cliënte op de gewenste locatie en het kort daarna (een half tot anderhalf uur) annuleren van die bezichtiging met tevens de mededeling dat cliënte niet zou worden opgenomen, verdient niet de schoonheidsprijs. Van de zorgaanbieder had verwacht mogen worden dat hij in deze zorgvuldiger had gehandeld. Ten slotte geeft de commissie partijen in overweging te proberen hun geschil door middel van mediation op te lossen, nu tijdens de mondelinge behandeling klaagster heeft verklaard daartoe bereid te zijn en de zorgaanbieder te kennen heeft gegeven mediation te willen faciliteren met dien verstande dat hij daarbij geen inhoudelijke rol wil spelen en mediation uitsluitend mogelijk wil maken qua organisatie als ook de betrokken medewerkster daarvoor openstaat.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van klaagster ongegrond;
– wijst het verzoek af.
Aldus beslist op 27 november 2025 door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, de heer dr. M. Decates en de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van de heer mr. L.G.H. Cox, secretaris.