Schade na spoedoperatie na zeldzame complicatie niet te wijten aan ingreep zelf

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: schadevergoeding    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 52456/60282

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Na een follikelpunctie is de cliënte naar het ziekenhuis gebracht wegens een inwendige bloeding en moest zij met spoed geopereerd worden. De cliënte vindt dat zij onterecht niet op tijd verder is onderzocht. Dit had volgens haar eerder op de dag al kunnen gebeuren aangezien zij toen al klachten had. Volgens de cliënte is de schade aan haar stifttand een gevolg van de spoedoperatie. Ze eist een schadevergoeding. De zorgaanbieder heeft excuses aangeboden, omdat als de zorgaanbieder de cliënte eerder naar het ziekenhuis had laten komen, dan zou zij waarschijnlijk eerder zijn geopereerd. Toch was de ingreep hiermee zelf niet voorkomen, dus vindt de zorgaanbieder niet dat hij aansprakelijk is voor de schade. De commissie vindt dat de zorgaanbieder heeft voldaan aan de zorgplicht en oordeelt de klacht ongegrond. De zorgaanbieder heeft zorgvuldig gehandeld, echter was er sprake van een zeldzame complicatie na de follikelpunctie. Dit komt niet door de ingreep en had niet voorkomen kunnen worden. Wat betreft het loszitten van de tand, de commissie vindt dat dit geen direct gevolg is van de ingreep. De zorgaanbieder is hiervoor niet aansprakelijk.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënte], wonende te [woonplaats]

en

Academisch Ziekenhuis Groningen, gevestigd te Groningen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juli 2021 te Den Haag.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Namens de zorgaanbieder waren ter zitting aanwezig [naam], medisch coördinator/anesthesioloog, [naam], jurist en [naam], anesthesioloog. De cliënte werd bijgestaan door haar partner, [naam].

Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht.

Onderwerp van het geschil
De cliënte heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft de kwaliteit van dienstverlening van de zorgverlener.

Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 29 februari 2020 is de cliënte in verband met een inwendige bloeding met spoed geopereerd. Dit na een follikelpunctie bij de afdeling Voortplantingsgeneeskunde. De cliënte stelt dat zij ten onrechte niet tijdig (al eerder gedurende de dag) verder is onderzocht terwijl bij de zorgaanbieder reeds ermee bekend had kunnen zijn dat mogelijk sprake zou kunnen zijn van een interne bloeding. De cliënte stelt dat dit naar aanleiding van de aangegeven klachten niet uitgesloten kon worden, ook al was het meer aannemelijk dat het een bijwerking zou zijn van de follikelbehandeling. De cliënte heeft meerdere keren gebeld naar het ziekenhuis. Er werd niet opgenomen of gezegd dat de cliënte moest afwachten.
Het gevolg is een spoedoperatie geweest waarbij onnodig lang herstel is ontstaan en dientengevolge afstel o.g.v. werk/nieuwe baan/gederfde inkomsten, met tevens onnodige emotionele schade door de traumatische ervaring. De cliënte stelt verder het ontstaan van schade aan stifttand door intubatie bij spoedoperatie. Op het verzoek tot schadevergoeding is negatief gereageerd door de zorgaanbieder.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder verwijst naar de doorlopen interne klachtenprocedure, waarbij de klacht van de cliënte en haar verzoek tot schadevergoeding zijn afgewezen. De zorgaanbieder is van mening dat het verzoek om schadevergoeding van de cliënte dient te worden afgewezen, nu niet is gebleken van medisch onzorgvuldig en/of nalatig handelen door de betrokken artsen in haar behandeling ten aanzien van de follikelpunctie en/of de intubatie ten behoeve van de spoedingreep. Zowel de intubatie als de ingre(e)p(en) zijn lege artis verricht. De casus van de cliënte is op de afdeling Voortplantingsgeneeskunde geëvalueerd en daaruit is lering getrokken: indien een patiënte na een follikelpunctie meerdere keren telefonisch contact zoekt, zal het ziekenhuis patiënte in het vervolg laten komen voor nader onderzoek. In het specifieke geval van cliënte had dit voorkomen dat zij hals over de kop in de nacht per ambulance naar het ziekenhuis af moest reizen en had zij mogelijk minder stress ervaren, omdat zij al in het ziekenhuis was. Hiervoor zijn aan de cliënte excuses aangeboden. Echter, indien men de cliënte eerder naar het ziekenhuis had laten komen, was ook dan eerst een conservatief beleid gevoerd ten aanzien van de bloedingen en was zij mogelijk eerder geopereerd, maar de ingreep zelf was hiermee niet voorkomen. De risico’s van de intubatie zijn goed ingeschat.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader.
De overeenkomst die is gesloten tussen de cliënte en de zorgaanbieder is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De zorgplicht wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de behandelingsovereenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de cliënte moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

De commissie dient te oordelen of de zorgaanbieder is tekortgeschoten in het nakomen van de behandelovereenkomst met de cliënte.

De commissie overweegt dat de cliënte in haar klacht/verzoek tot schadevergoeding zoals ingediend bij de zorgaanbieder op 1 juli 2020 melding maakt van geleden schade aan de stifttand, welke schade zij vergoed wenst te zien. Bij brief van 16 juli 2020 wordt deze claim door de zorgaanbieder afgewezen. In het door de cliënte vervolgens op 30 juli 2020 ingediende bezwaarschrift tegen deze afwijzing wordt eveneens alleen de gestelde schade aan de tand van € 1.500,– verhaald. Over overige materiële dan wel immateriële schade wordt dan nog niet gesproken. Het bezwaar wordt door de zorgaanbieder bij brief van 3 september 2020 afgewezen. De zorgaanbieder stelt dat niet gebleken is dat de schade aan de stifttand is veroorzaakt door het handelen van de anesthesioloog.

De commissie is van oordeel dat geen sprake is van een causaal verband tussen de uitgevoerde ingreep op 29 februari 2020 en het loszitten van de tand een aantal weken na de ingreep. Hoewel niet uitgesloten kan worden dat een tand schade kan oplopen door een dergelijke ingreep en deze schade (het loszitten) enkele weken na de ingreep zich pas openbaart, is het gelet op de verklaring van de anesthesioloog en hetgeen schriftelijk is gerapporteerd over de ingreep, niet aannemelijk geworden dat de tand gedurende de ingreep is geraakt. Daarnaast is niet uit te sluiten dat het loszitten van de tand door een andere gebeurtenis veroorzaakt kan zijn. Een causaal verband, waarbij het loszitten van de tand het directe gevolg is van de ingreep, kan derhalve niet worden vastgesteld. Van toerekenbaar tekortschieten door de zorgaanbieder is daarom geen sprake zodat de gevraagde schadevergoeding met betrekking tot de stifttand dient te worden afgewezen.

Bij brief van 14 oktober 2020 heeft de cliënte een reactie gestuurd aan de zorgaanbieder op de afwijzing van haar bezwaar. In deze brief geeft zij aan dat zij de afwijzing niet accepteert en verdere stappen overweegt. Hierbij dient zij tevens nieuwe schadeverzoeken in, gericht aan de afdeling Voortplantingsgeneeskunde. Deze schadeclaims betreffen geleden schade (materieel & immaterieel zoals o.a. tandartskosten, gederfde inkomsten door niet starten nieuwe baan en langer ziektewetuitkering / 70% salaris, nare ervaring spoedoperatie en onnodig lange herstelperiode) en eventuele toekomstige schade (zoals mogelijk implantaat of moeilijk vinden nieuwe baan). Door de zorgaanbieder worden bij brief van 19 november 2020 deze nieuwe schadeverzoeken gemotiveerd afgewezen.

In de bij de commissie ingediende klacht op 23 oktober 2020 wordt de schade gederfde inkomsten gespecificeerd op € 2.500,– netto. Overige schade wordt niet gespecifieerd of onderbouwd.

De commissie overweegt dat niet gebleken is van een toerekenbare tekortkoming in de uitvoering van de behandeling van de cliënte door de afdeling Voortplantingsgeneeskunde. Zoals door de zorgaanbieder is aangegeven, is sprake geweest van een zeldzame complicatie, die niet te wijten is aan de ingreep zelf of voorkomen had kunnen worden. Wel heeft de zorgaanbieder excuses gemaakt voor het feit dat het lang heeft geduurd voordat de cliënte die betreffende nacht in het ziekenhuis werd opgenomen. Het protocol is hierop aangepast. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder hiermee afdoende op de gebeurtenis heeft gereageerd en gereflecteerd en ziet geen aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding, voor zover al sprake zou zijn van schade, nu de schade die daarvan het gevolg zou zijn geweest niet verder is onderbouwd of geconcretiseerd.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht van de cliënte ongegrond;
– wijst af het door de cliënte verlangde.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. P.W.M. de Wolf MSM, voorzitter, de heer drs. S. Greuters, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 22 juli 2021.