Over de BOPZ-maatregel kan de commissie geen oordeel geven. Bij de overige klachten is de interne klachtenprocedure niet doorlopen

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: (On)bevoegdheid    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 118049

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënt], wonende te [plaats] en Mediant, stichting voor geestelijke gezondheidszorg Oost- en Midden-Twente, gevestigd te Enschede, (verder te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Op 6 september 2018 heeft buiten aanwezigheid van partijen de behandeling plaatsgevonden door de commissie. Partijen zijn niet opgeroepen om ter zitting te verschijnen omdat eerst moet worden
vastgesteld of de commissie bevoegd is om over de klacht van de cliënt te oordelen.

Onderwerp van het geschil

De klacht van de cliënt ziet op de uitvoering van de zorg die hij gekregen heeft.
 
Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken en in het bijzonder naar het vragenformulier van 6 juni 2018 en zijn reactie op het verweer van 27 juli 2018. Het standpunt van de cliënt luidt in hoofdzaak als volgt.

De zorgaanbieder heeft bij de cliënt een onjuiste diagnose gesteld en daarom geen volledig of juist behandelplan opgesteld. Mensen mogen niet zonder diagnose opgesloten en behandeld worden terwijl vaststaat dat ze niets hebben. De cliënt verwijst naar een onderzoek van [naam onderzoeker], waaruit volgt, aldus de cliënt, dat hij geen stoornis heeft. Hoewel hij geen wanen heeft, en dat ook volgt uit zijn medisch dossier, heeft de zorgaanbieder aan de rechter gemeld dat hij (wel) wanen heeft. Op grond daarvan is dwangmedicatie toegepast. Hij heeft een klacht bij de zorgaanbieder ingediend, maar zijn klacht werd niet in behandeling genomen. De cliënt is verder van mening dat een groot aantal medewerkers van de zorgaanbieder zich onprofessioneel gedraagt.
Daarnaast stelt de cliënt dat de zorgaanbieder niet correct met hem is omgegaan, zo werd hij bijvoorbeeld belemmerd in het doen van aangifte bij de politie.

De cliënt stelt dat hij schade heeft geleden door voornoemd handelen van de zorgaanbieder.
De cliënt geeft aan hersenschade te hebben geleden door de dwangmedicatie. Ook is hij ten onrechte 15 maanden van zijn vrijheid beroofd geweest.

De cliënt verlangde in eerste instantie dat alle medewerkers van de zorgaanbieder psychisch getest zouden worden. Bij brief van 15 juni 2018 vordert de cliënt een schadevergoeding van € 25.000,–.
Hij stelt dat de omvang van de persoonlijke en maatschappelijke schade enorm is.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de brief van 23 juli 2018. Het standpunt van de zorgaanbieder luidt in hoofdzaak als volgt.

De cliënt was van januari 2012 tot juli 2017 in zorg bij de zorgaanbieder. Van 28 januari 2015 tot
31 juli 2017 vond de zorg in een gedwongen kader plaats op grond van de Wet bijzondere
opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (hierna: de wet Bopz). Tegen het besluit om dwangmedicatie toe te passen heeft de cliënt eerder een klacht ingediend bij de klachtencommissie Mediant, tegen welk oordeel de cliënt in beroep is gegaan bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat klachten over de Bopz-maatregelen niet onder de definitie van een klacht onder de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: Wkkgz) vallen en dat daarom de commissie niet bevoegd is de onderhavige klacht te behandelen.
De zorgaanbieder wijst onder meer op artikel 5 sub b van het Reglement Geschillencommissie
Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: het reglement).

Verder stelt de zorgaanbieder dat de cliënt op verschillende wijzen heeft aangegeven niet open te staan voor een interne behandeling van zijn klacht. Uit het telefonisch contact van de
Klachtenfunctionaris met de cliënt blijkt dat de cliënt weigert in gesprek te gaan met medewerkers van de zorgaanbieder om zijn klacht te bespreken. Nu het doorlopen van de interne
klachtenprocedure een voorwaarde is voor het aanhangig kunnen maken van een klacht bij de
commissie en dit vereiste ook niet onredelijk is in onderhavig geval, dient de commissie, aldus de zorgaanbieder, de cliënt op grond van artikel 6 lid 1 sub a van het reglement niet-ontvankelijk te
verklaren.

Beoordeling van het geschil

Alvorens aan een inhoudelijke toetsing van het geschil kan worden toegekomen, zal de commissie eerst dienen te oordelen over haar bevoegdheid om de klacht te behandelen en de ontvankelijkheid van de cliënt in deze procedure.

Vooropgesteld dient te worden dat voor de geestelijke gezondheidszorg zowel het in de Wkkgz als het in de wet Bopz vervatte klachtrecht van toepassing is, zij het dat de wetten in van elkaar verschillende gevallen van toepassing zijn. Uit artikel 41, eerste lid van de wet Bopz en de artikelen waarnaar wordt verwezen volgt dat de patiënt bij het bestuur van het psychiatrisch ziekenhuis een klacht kan indienen over de beslissing dat een patiënt wilsonbekwaam wordt geacht, over het toepassen van
dwangbehandeling of middelen en maatregelen, beperkingen van het recht op bezoek, beperkingen in de bewegingsvrijheid, beperkingen in telefoon- en postverkeer en het niet uitvoeren van een
afgesproken behandelingsplan. Op grond van het tweede lid van artikel 41 wet Bopz dient het bestuur van een psychiatrisch ziekenhuis een commissie te belasten met de behandeling van en de beslissing op klachten als bedoeld in het eerste lid. Indien de commissie niet tijdig op de klacht beslist of de klacht ongegrond verklaart, kan de patiënt de zaak aan de rechter voorleggen.

Wanneer de patiënt andere klachten dan die zijn omschreven in artikel 41 wet Bopz heeft, geldt het klachtenrecht van de Wkkgz. Deze klachten worden behandeld door een klachtenfunctionaris van de zorgaanbieder en – eventueel daarna – door de commissie.

De commissie stelt vast dat de verschillende klachten van de cliënt in de kern neerkomen op klachten over de toegepaste gedwongen behandeling- en medicatie. De vraag of het toepassen van
dwang medicatie- en behandeling op goede gronden is geschied is echter, zoals uit hiervoor
geschetste wettelijk kader blijkt, voorbehouden aan de klachtencommissie die is ingesteld door het bestuur van het psychiatrisch ziekenhuis en, vervolgens, indien de commissie zoals in onderhavig
geval de klacht niet gegrond acht, door de rechter. Die rechtsgang heeft de cliënt reeds gevolgd.
De rechtbank Overijssel heeft op 24 maart 2015 de klacht over de toepassing van dwangmedicatie
ongegrond verklaard.

Het voorgaande houdt dan ook in dat deze klachten van de cliënt betrekking hebben op zaken
waarvoor binnen de wet Bopz een eigen klachtenregeling geldt en waarover de commissie dan ook niet bevoegd is te beslissen. Dit heeft ook te gelden voor de schadevergoedingsvordering van de
cliënt, nu deze gebaseerd is op de gedwongen medicatie en dus verweven is met de vraag naar de rechtmatigheid van de toegepaste dwangmedicatie. Eveneens geldt dit voor de beoordeling van de informatie welke ten grondslag is gelegd aan de maatregelen op grond van de wet Bopz. Ook al zou de rechter hebben geoordeeld op basis van onjuiste informatie van de zorgaanbieder, dan nog is deze commissie  niet bevoegd hierover een oordeel te geven. Daarmee zou immers impliciet een
inhoudelijk oordeel gegeven worden over de Bopz-maatregel, hetgeen niet tot de bevoegdheid van de commissie behoort. Het vorenstaande geldt ook voor feiten en omstandigheden die aan de
dwangmedicatie ten grondslag liggen of daarvan een uitvloeisel zijn; ook daarover is de commissie onbevoegd te oordelen.

Voor zover de cliënt daarenboven beoogt te klagen over andere zaken dan die omschreven in artikel 41, eerste lid wet Bopz, of daarmee verband houden, heeft het volgende te gelden. De cliënt heeft zijn klachten weliswaar op 14 mei 2018 door middel van het meldformulier ingediend bij de
klachtenfunctionaris van de zorgaanbieder, maar heeft die interne procedure vervolgens niet (geheel) doorlopen. De cliënt heeft immers de klacht gemeld, maar is vervolgens niet bereid gebleken
– hetgeen de cliënt ook niet heeft betwist – in gesprek te gaan met de (klachtenfunctionaris van)
zorgaanbieder. Dit met elkaar in gesprek gaan maakt echter een wezenlijk onderdeel uit van de
klachtenprocedure bij Mediant, zodat de commissie deze situatie begrepen acht onder ‘het niet eerst volgens de wet bij de zorgaanbieder indienen’ als bedoeld in artikel 6, eerste lid onder a van het
reglement. Voorts is het de commissie niet gebleken dat dat in gesprek gaan niet in redelijkheid van hem verlangd zou kunnen worden: mocht een dergelijk gesprek op niets uitlopen, wordt de zaak voortgezet bij de klachtencommissie van Mediant. Het doorlopen van deze klachtenprocedure is een ontvankelijk-heidsvereiste waaraan de cliënt niet heeft willen voldoen. De commissie overweegt verder als volgt. In reactie op de bij de commissie ingediende klacht van de cliënt, heeft de zorgaanbieder zich bij brief van 23 juli 2018 op het standpunt gesteld dat de cliënt niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klacht, omdat de cliënt eerst gebruik dient te maken van de geboden mogelijkheid om de onafhankelijke klachtencommissie een uitspraak te laten doen over de gegrondheid van de klacht.

Conform artikel 6, eerste lid onder a van het van toepassing zijnde reglement dient de cliënt in zijn klacht(en) dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard, nu hij zijn klacht niet eerst bij de
zorgaanbieder/instelling heeft ingediend en de zorginstelling bij eerste gelegenheid om
niet-ontvankelijkverklaring heeft verzocht. Dat alles maakt naar het oordeel van de commissie dat de commissie geen oordeel kan uitspreken over de klachten van de cliënt.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart zich onbevoegd voor het gedeelte van de klacht dat ziet op de dwangmedicatie en schadevergoeding en verklaart de cliënt niet-ontvankelijk in zijn overige klachten.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg op 6 september 2018.