Oordeel over klacht betreffende wondzorg

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: Verpleeghuiszorg    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1076670/1295131

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Klager heeft een klacht ingediend tegen de zorgaanbieder, omdat (een medewerkster van) de zorgaanbieder een wond aan het onderbeen van cliënte niet goed zou hebben behandeld. De zorgaanbieder heeft aangevoerd dat de medewerkster bij de behandeling de vereiste zorg heeft betracht. De commissie is van oordeel dat (de medewerkster van) de zorgaanbieder die zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot (verzorgende IG) in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De commissie heeft de klacht ongegrond verklaard en het verzoek van klager om schadevergoeding afgewezen.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

de heer [naam] (hierna te noemen: klager), in de hoedanigheid van nabestaande van zijn op 11 mei 2024 overleden moeder, mevrouw [naam] (hierna te noem: cliënte), wonende te [plaatsnaam],

en

Stichting ZorgSaam Zorggroep Zeeuws-Vlaanderen, gevestigd te Terneuzen,
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Beoordeling

De commissie heeft op grond van de door partijen overgelegde stukken en hetgeen zij tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht, het volgende overwogen.

Het standpunt van klager

Cliënte was niet goed ter been; zij liep met een stok en een rollator. Op 2 februari 2024 werd cliënte, toen 93 jaar oud, met een taxibus opgehaald om naar de dagbesteding te gaan. Via traptreden moest zij in de bus stappen.

Het ging niet snel genoeg en de chauffeur gaf cliënte – volgens zeggen van cliënte – een duw, waardoor zij tegen een trede terechtkwam met als gevolg een flinke beenwond. Cliënte werd naar huis gestuurd met een verbandje om de wond, terwijl de praktijk van de huisarts in de directe nabijheid was van waar cliënte zich toen bevond. Cliënte is toen met haar schoondochter naar de huisartsenpost gegaan, maar het was te laat om de weggeschoven huid terug te leggen. Het ging steeds slechter met de verzorging van de wond. Cliënte had pijn en zij sliep in een stoel omdat ze niet kon liggen van de pijn. Enige tijd na het ongeval heeft cliënte antibiotica gekregen.

Later is cliënte opgenomen in het ziekenhuis. Cliënte heeft al die tijd ontzettende pijn geleden. Na een verblijf van vijf weken in het ziekenhuis is cliënte naar een verzorgingshuis gegaan waar zij op 11 mei 2024 aan de gevolgen van het incident op 2 februari is overleden. Klager ziet de wond(infectie) en/of de door cliënte geleden pijn als oorzaak van haar overlijden. Als cliënte die wond(infectie) namelijk niet had opgelopen, zou zij niet zijn overleden.

De zorgaanbieder stelt zich volgens klager op het standpunt dat niemand verkeerd heeft gehandeld. Klager en zijn familie zijn het meest boos over het feit dat niemand voor gemaakte fouten uitkomt. Klager wil in naam van cliënte genoegdoening in de vorm van een geldbedrag van € 25.000, –. De schadevergoeding bestaat vooral uit reiskosten die de familie heeft gemaakt ad € 1.548,36, een sta-op-stoel ad € 75,– en speciale sloffen. Daarnaast hebben klager en zijn vrouw hun vakantie vroegtijdig moeten afbreken toen cliënte op sterven lag en heeft zijn broer in verband daarmee een vakantie moeten annuleren.

Het standpunt van de zorgaanbieder

Op grond van een contract met de gemeente biedt de zorgaanbieder samen met andere zorginstellingen in de regio indicatieloze dagbesteding. Iedere inwoner van die gemeente kan gebruik maken van de dagbesteding die door de verschillende zorginstellingen wordt geleverd. Cliënte nam sinds 26 januari 2024 deel aan de dagbesteding [naam], op locatie van de zorgaanbieder in [plaatsnaam].

Na afloop van de dagbesteding op 2 februari 2024 heeft cliënte, bij het instappen van de taxibus haar onderbeen gestoten tegen de traptrede. De aanwezige medewerkster (verzorgende IG) van de zorgaanbieder heeft cliënte geholpen om te gaan zitten in de taxibus en heeft de wond aan het onderbeen van cliënte bekeken. De medewerkster heeft hierop verbandmiddelen gehaald in het gebouw van de dagbesteding en heeft de wond verbonden met absorberend verband. Op basis van de professionele inschatting van de medewerkster leek een direct bezoek aan een arts op dat moment niet noodzakelijk. De medewerkster heeft, zoals te doen gebruikelijk, met cliënte gesproken en tevens de contactpersoon van cliënte gebeld over de verwonding.
Daarnaast heeft de medewerkster de thuiszorg gebeld zodat de verpleegkundige die cliënte in de avond zou bezoeken, zou weten dat er aandacht moet worden besteed aan de wond. Cliënte is tot 5 april 2024 nog wekelijks naar de dagbesteding [naam dagbesteding] gekomen. Daarna is zij opgenomen in het ziekenhuis.

De zorgaanbieder is van mening dat de medewerkster de zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend verzorgende IG in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De zorgaanbieder ziet geen tekortkoming in de aan cliënte geleverde zorg. De zorgaanbieder verzoekt dan ook de klacht ongegrond te verklaren.

Op 13 augustus 2024 heeft klager bij de zorgaanbieder een klacht ingediend, die inhoudt dat (de medewerkster van) de zorgaanbieder onzorgvuldig en verwijtbaar heeft gehandeld ten aanzien van de verzorging van cliënte met betrekking tot de beenwond.

De klachtencommissie van de zorgaanbieder heeft de klacht behandeld en heeft deze voor advies voorgelegd aan het lid-huisarts aan de klachtencommissie. De klachtencommissie heeft de raad van bestuur op 29 januari 2025 geadviseerd de klacht ongegrond te verklaren en daartoe overwogen dat “de verzorgende (medewerkster van de zorgaanbieder) voldoende adequaat heeft gehandeld: de wond is gesloten en direct afgedekt met absorberend wondgaas en daarmee verbonden. Familie en thuiszorg zijn op de hoogte gebracht. De huisarts heeft binnen 1,5 uur mevrouw gezien en de wond behandeld. …. Naar het oordeel van de klachtencommissie heeft de verzorgende gehandeld conform de voor haar geldende professionele standaard.”

De raad van bestuur heeft klager bij brief van 6 maart 2025 meegedeeld dat zij het advies van de klachtencommissie zal overnemen en de klacht ongegrond zal verklaren.

Er is op 2 februari 2024 geen sprake geweest van een verkeerde inschatting met betrekking tot de wond. Deze is op een voldoende adequate wijze deskundig verbonden door de medewerkster. De zorgaanbieder kan dan ook niet erkennen – zoals klager verlangt – dat er bij de verzorging van de wond fouten zijn gemaakt.

Omdat er geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming dient reeds op die grond het verzoek van klager om schadevergoeding afgewezen te worden. Overigens heeft de zorgaanbieder aan de familie van cliënte coulancehalve een tegemoetkoming in o.a. de reiskosten van € 740,– gedaan.

De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klacht af te wijzen evenals de verzochte schadevergoeding.

Het oordeel van de commissie

De kern van de klacht betreft de medische verzorging van de wond, die cliënte op 2 februari 2024 bij het instappen in de bus heeft opgelopen.

De vraag die de commissie moet beantwoorden is of (de medewerkster van) de zorgaanbieder de zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot (verzorgende IG) in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Daarbij gaat het er niet om of het betreffende handelen anders of mogelijk zelfs beter had gekund, maar of de medewerkster binnen de grenzen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden is gebleven.

De commissie beantwoordt die laatste vraag bevestigend. Naar het oordeel van de commissie biedt het dossier geen aanknopingspunten om af te wijken van het advies van de klachtencommissie van de zorgaanbieder van 29 januari 2025, zoals dat hier onder het standpunt van de zorgaanbieder in cursief lettertype is weergegeven en met name de in dat advies vermelde opvatting van het lid-huisarts van de klachtencommissie: “Ik denk dat de wond initieel goed verzorgd is. Als ze direct naar de HAP was gegaan was er mogelijk een ander verband op gedaan maar dat had geen wezenlijk verschil gemaakt. Ik ga ervan uit dat tussen het ontstaan van de wond en de verzorging op de HAP geen zes uur zijn verstreken. Ik zou geen ander beleid hebben ingezet.”

De impliciete stelling van klager dat de medewerkster met cliënte naar de praktijk van de huisarts in de directe nabijheid waar cliënte zich toen bevond, had moeten gaan, wordt met de opvatting van het lid-huisarts gelogenstraft. De commissie heeft uiteraard begrip voor de gevoelens van rouw en verdriet van klager en zijn broers om het overlijden van hun moeder. Naar het oordeel van de commissie is er echter geen enkel oorzakelijk verband aanwijsbaar tussen (de wijze van) verbinden van de wond door de verzorgende, onmiddellijk na het incident, en het overlijden van cliënte enige maanden later. Dit klemt temeer nu er blijkens het dossier pas weken na het incident reden ontstond om cliënte antibiotica toe te dienen.

De commissie vindt op grond van de voorgaande overwegingen dat de klacht van klager ongegrond is.

Klager heeft om toekenning van een schadevergoeding verzocht. Voor toekenning van een schadevergoeding is in de eerste plaats vereist dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) of een toerekenbare onrechtmatige handeling. Hiervoor heeft de commissie overwogen dat zij de klacht van klager ongegrond acht. Daarmee is niet vastgesteld dan wel niet aannemelijk geworden dat de zorgaanbieder tegenover cliënt toerekenbaar is tekort geschoten noch toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld. Nu niet voldaan is aan een van de vereisten voor toekenning van een schadevergoeding, dient het desbetreffende verzoek van klager afgewezen te worden.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht van klager ongegrond;

– wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Aldus beslist op 27 november 2025 door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, de heer dr. M. Decates en de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van de heer mr. L.G.H. Cox, secretaris.