Onzorgvuldige diagnose leidt niet tot schadevergoeding

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: -    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 585399/679317

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De Geschillencommissie Ziekenhuizen oordeelt dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld door de diagnose van gehoorverlies bij een jong kind onnodig te vertragen. Ondanks herhaalde zorgen van de ouder werd te lang vertrouwd op een enkele gehoortest, terwijl eerder aanvullend onderzoek naar de hersenstam op zijn plaats was geweest. Hierdoor werd pas na 14 maanden de diagnose Auditory Neuropathy Spectrum Disorder (ANSD) gesteld en kreeg het kind cochleaire implantaten.

De commissie kon echter niet vaststellen of deze vertraging tot onomkeerbare schade, zoals een taalontwikkelingsachterstand, heeft geleid. Er is geen bewijs dat de implantaten eerder geplaatst zouden zijn bij een snellere diagnose of dat dit de ontwikkeling van het kind wezenlijk zou hebben verbeterd. Daarom wordt de schadeclaim van € 25.000 afgewezen. Wel moet de zorgaanbieder het klachtengeld van € 127,50 vergoeden.

De uitspraak

Samenvatting

De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld. Het vaststellen van de diagnose doofheid heeft onnodig lang geduurd. De aanhoudende zorgen van klager had voor de zorgaanbieder aanleiding moeten zijn om niet uitsluitend op de OAE test af te gaan maar eerder een nader onderzoek te verrichten naar de hersenstam. Dan zou in een vroeger stadium de diagnose ANSD zijn gesteld.

De commissie kan niet vaststellen of het delay in de behandeling heeft geleid tot onomkeerbare schade, in de vorm van taalontwikkelingsachterstand, voor [naam dochter]. Het staat niet vast dat als de diagnose ANSD na vier maanden was gesteld, de implantaten eerder bij [naam dochter] zouden zijn ingebracht. Het staat ook niet vast dat als deze eerder waren geïmplanteerd, de ontwikkeling van [naam dochter] anders of misschien wel beter zou zijn verlopen. Daar het causaal verband niet kan worden vastgesteld of aannemelijk kan worden gemaakt tussen het delay en de gestelde schade zal de commissie de vordering afwijzen.

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 20 december 2024 te Den Haag.

Beide partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht. De zorgaanbieder werd ter zitting vertegenwoordigd door [naam], secretaris van de Raad van Bestuur, mevrouw [naam], klinisch audioloog, en [naam], KBS advocaten.

Beoordeling

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW).
Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor de zorgaanbieder voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de zorgaanbieder moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de zorgaanbieder zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen, kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de behandelend arts zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden (causaal verband).

De commissie zal de klacht van klager beoordelen in het licht van het hierboven geschetste toetsingskader.

Standpunt van klager.
Voor het standpunt van de klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

[Naam dochter] is geboren op 13 mei 2017. De gehoorscreening na de geboorte gaf geen bijzonderheden aan. Naar aanleiding van zorgen van klager is [naam dochter] door de consultatiebureau arts doorverwezen naar de zorgaanbieder alwaar zij op 11 september 2018 voor het eerst is gezien. Tijdens dit onderzoek reageerde [naam dochter] niet op geluiden. De OAE meting gaf geen bijzonderheden aan. Na 4 maanden heeft op aandringen van klager een psychologisch en logopedisch onderzoek plaatsgevonden. Bij dit onderzoek was geen audioloog aanwezig en is uitgegaan van de resultaten van de eerder uitgevoerde OAE meting. Klager heeft zowel in maart 2019 als in juli 2019 de zorgaanbieder bericht dat hij zich ernstig zorgen maakte over [naam dochter]’s gehoor. Op 14 augustus 2019 is opnieuw een logopedisch onderzoek uitgevoerd waarbij het resultaat was dat er geen twijfels waren over het gehoor van [naam dochter]. Ook bij dit onderzoek was geen audioloog aanwezig. [naam dochter] werd vervolgens doorverwezen naar een taalontwikkelingsstoornis vroegbehandelingsgroep (TOS) van Kentalis. Omdat klager tijdens de kennismaking het gevoel had dat [naam dochter] niet thuis hoorde in deze groep heeft hij op 1 oktober 2019 opnieuw contact opgenomen met de zorgaanbieder. De logopedist vond op dat moment een nader gehooronderzoek niet nodig. Daarop heeft de huisarts [naam dochter] doorverwezen naar een KNO arts, die op basis van een OAE onderzoek geen bijzonderheden constateerde. In januari 2020 is [naam dochter] bij Kentalis begonnen. De pedagogisch behandelaar herkende vrijwel direct dat [naam dochter] doof was door de geluiden die zij produceerde. Opnieuw heeft klager contact opgenomen met de zorgaanbieder. Na veel aandringen heeft hij op 6 februari 2020 een afspraak met de audioloog in het bijzijn van de logopedist van Kentalis kunnen maken. Na een nieuw onderzoek werd eindelijk vastgesteld dat [naam dochter] doof is. Na het BERA onderzoek is [naam dochter] op 3 april 2020 geopereerd en zijn aan beide zijden cochleair implantaten ingebracht.

De diagnose is 14 maanden later gesteld dan had gemoeten. Al deze tijd is [naam dochter] onnodig verkeerd behandeld. Een juiste behandeling zou zijn geweest om een traject met hoorhulpmiddelen (hoorapparaten / cochleaire implantaten) te starten en een alternatieve taal aan te bieden in de vorm van gebarentaal. Door deze verkeerde behandeling heeft [naam dochter] een forse taalontwikkelingsachterstand opgelopen en heeft klager niet de mogelijkheid gehad om met [naam dochter] via gebarentaal te communiceren. Ondanks haar intelligentie moet [naam dochter] naar een speciale school voor dove en slechthorende kinderen. Als [naam dochter] eerder in aanraking met gebarentaal was gekomen, was haar taalvaardigheid beter geweest dan nu het geval is. De behandeling van [naam dochter] is in haar eerste levensjaren volledig gericht geweest op gesproken taal.
Dit heeft haar belemmerd om een eerste taal, te weten gebarentaal, te kunnen verwerven in de meest taalgevoelige periode van haar leven. De ontwikkelingsschade die hierdoor is ontstaan is onomkeerbaar want haar meest taalgevoelige leeftijd komt nooit meer terug.

Tijdens het evaluatiegesprek met de zorgaanbieder heeft deze geen enkele excuses gemaakt. Aangegeven is dat er verbeterpunten zijn besproken in het team. Er is geen VIM melding gedaan.

Klager vordert voor [naam dochter] een schadevergoeding van € 25000,– van de zorgaanbieder.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

In de periode van 11 september 2018 tot en met 6 februari 2020 is [naam dochter] onder behandeling geweest bij de zorgaanbieder. Op 6 februari 2020 stelde een audioloog van de zorgaanbieder de waarschijnlijkheidsdiagnose ANSD en verwees [naam dochter] naar het Erasmus MC. In het Erasmus MC is de diagnose ANSD bevestigd en heeft [naam dochter] beiderzijds cochleair implantaten gekregen.

De zorgaanbieder erkent dat drie maanden na het eerste consult op 11 september 2018 een nieuwe gehoortest had moeten plaatsvinden. Op 11 september 2018 is er een VRA uitgevoerd. Het staat niet vast dat als de VRA 3 maanden later was herhaald, dit tot een andere conclusie zou hebben geleid. Alle behandelaren, ook van buiten de zorgaanbieder, gingen er van uit dat het gehoor van [naam dochter] voldoende was voor taal- en spraakontwikkeling. Psycholoog Donders stelde vast dat [naam dochter] aan het oefenen was met woordjes en dat [naam dochter] positief reageerde op muziek. De logopedist van Bij Ons stelde een behandelindicatie voor logopedie en concludeerde na haar behandelingen dat de luistervaardigheid van [naam dochter] was verbeterd. De KNO-arts van het Amphia Ziekenhuis stelde op zijn beurt vast dat het gehoor normaal was. Dat de behandelaren van de zorgaanbieder eerder aan ANSD hadden moeten denken of een BERA hadden moeten verrichten, is niet juist. ANSD een zeer zeldzame aandoening die vaker voorkomt bij kinderen met een belaste medische voorgeschiedenis. [naam dochter] heeft geen belaste medische voorgeschiedenis. [Naam dochter] heeft bovendien geen andere medische klachten of symptomen waardoor de ANSD eerder aan het licht had kunnen komen. Dat het wel uitvoeren van dit vervolgonderzoek voor [naam dochter] gelet op haar leeftijd en ontwikkeling tot een ander of beter behandelresultaat zou hebben geleid, wordt betwist. De zorgaanbieder betreurt het dat niet eerder duidelijkheid is verkregen over de aangeboren gehoorafwijking.

De zorgaanbieder verzoekt de vordering tot schadevergoeding af te wijzen. Het staat niet vast dat er sprake is van een onomkeerbare schade of dat [naam dochter] niet het opleidingsniveau kan afronden als het delay er niet was geweest.

Overwegingen van de commissie
Klager verzoekt de commissie te bewerkstelligen dat er door de zorgaanbieder een VIM melding wordt gedaan, de audioloog wordt berispt en dat er een aantoonbare procesverbetering wordt doorgevoerd. De commissie kan hier niet aan voldoen. Deze eisen van klager vallen buiten de kaders van het reglement waaraan de commissie is gehouden.

Vast is komen te staan dat [naam dochter] een erfelijke gehoorafwijking ANSD heeft. Het betreft hier een zeldzame afwijking die slechts in een ½% van alle doofheid wordt vastgesteld.
Dat de zorgaanbieder dan niet direct door middel van gehooronderzoek met een BERA heeft gedaan naar ANSD acht de commissie begrijpelijk. Immers [naam dochter] heeft geen belaste medische voorgeschiedenis en geen andere medische klachten of symptomen waardoor de ANSD eerder aan het licht had kunnen komen.
Uit de OAE-test resultaten bleek sprake te zijn van gehoor in het slakkenhuis. Meerdere behandelaars zijn betrokken geweest bij de behandeling van [naam dochter] en geen van hen heeft de link naar ANSD kunnen vaststellen.

Uit de stukken leidt de commissie af dat ondanks een normale OAE er zorgen bleven bestaan bij de zorgaanbieder over het gehoor van [naam dochter] na de eerste test op 11 september 2018. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder gelet op deze zorgen [naam dochter] na drie maanden zelf opnieuw had moeten testen in het bijzijn van de audioloog. Zou dan de uitslag wederom geen verklaring hebben gegeven waarom [naam dochter], ondanks een normale OAE, niet reageerde op geluid en daarbij in ogenschouw zijn genomen de aanhoudende ernstige zorgen van klager, dan had een hersenstamonderzoek in de rede gelegen. In plaats daarvan is bij de tweede gehoortest, die niet door de audioloog is bijgewoond, uitgegaan van het resultaat van de eerste gehoortest, te weten een normale OAE en is ook bij latere onderzoeken steeds uitgegaan van deze normale OAE en is de audioloog niet meer geraadpleegd en is uit zichzelf ook niet meer actief bij de behandeling betrokken geweest.
De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld. Het vaststellen van de diagnose heeft onnodig lang geduurd.

Schadevordering
Voor aanspraak op een schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en een cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden. Er moet derhalve sprake zijn van een causaal verband tussen de tekortkoming van de zorgaanbieder en het nadeel dat een cliënt hiervan heeft ondervonden.

De zorgaanbieder heeft erkend dat er sprake is geweest van een delay in het vaststellen van de diagnose. De vraag die aan de commissie voorligt is of dit delay heeft geleid tot een onomkeerbare taalontwikkelingsachterstand nu [naam dochter] in de meest taalgevoelige periode van haar leven geen gebarentaal is aangeboden en dus ook niet in staat is geweest om door middel van gebarentaal te communiceren. Had zij in een eerder stadium de cochleair implantaten gekregen, zou dan de taalontwikkeling anders zijn gelopen.

De commissie is ambtshalve bekend met de behandeling van ANSD. Omdat bij kleine kinderen soms spontaan sprake van herstel is van ANSD, zal na de diagnose niet direct worden overgegaan tot het inbrengen van cochleair implantaten. Pas wanneer met zekerheid vast staat dat herstel uitblijft worden de implantaten geplaatst. Hier gaan in de regel een aantal maanden overheen.

De commissie kan niet met voldoende zekerheid vaststellen of het delay in de behandeling heeft geleid tot onomkeerbare schade, in de vorm van taalontwikkelingsachterstand, voor [naam dochter]. Het staat voor de commissie niet vast dat indien de diagnose ANSD na vier maanden was gesteld, de implantaten eerder bij [naam dochter] zouden zijn ingebracht. Het staat ook niet voor de commissie vast dat indien deze eerder waren geïmplanteerd, de ontwikkeling van [naam dochter] anders of misschien wel beter zou zijn verlopen. Daar het causaal verband niet kan worden vastgesteld of aannemelijk kan worden gemaakt tussen het delay en de gestelde schade zal de commissie de vordering afwijzen.

Nu de klacht van cliënt gegrond wordt verklaard, zal de commissie, onder verwijzing naar artikel 21 van het reglement, de zorgaanbieder veroordelen tot vergoeding aan klager van het door hem betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 127,50.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht gegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 127,50 dient te vergoeden aan klager ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. F.J.M. Disch , de heer J. Zomerplaag , leden, in aanwezigheid van mevrouw
mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 20 december 2024.