Onzorgvuldige beëindiging van behandeling leidt tot (gedeeltelijke) schadevergoeding

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: Behandelingsovereenkomst    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1125116/1242991

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënt heeft een klacht tegen de zorgaanbieder ingediend over de beëindiging van zijn ambulante psychotherapie, meer in het bijzonder psycho-educatie ADHD. Volgens de cliënt was de beëindiging abrupt en eenzijdig, is onvoldoende informatie over het no-showbeleid alsmede geen waarschuwing of herstelmogelijkheid gegeven, en is sprake van een onterechte aanname dat de cliënt de behandeling zelf wilde beëindigen. Ook ontbrak voldoende ondersteuning bij het vinden van alternatieve zorg. De cliënt heeft door deze medische fout materiële en immateriële schade geleden. De zorgaanbieder stelt dat er sprake is van een gewichtige reden als bedoeld in artikel 7:460 BW om de behandeling te beëindigen maar erkent dat het team een herstelmogelijkheid had moeten bieden en de cliënt meer adequaat had moeten informeren over het no-showbeleid. De zorgaanbieder betwist dat er sprake is van een medische fout waardoor de cliënt schade zou hebben geleden.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting Mondriaan, gevestigd te Heerlen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De cliënt heeft ter zitting in persoon zijn standpunt toegelicht.
Ter zitting werd de cliënt vertegenwoordigd door [naam], advocaat te [vestigingsplaats], waarnemend voor [naam].

Namens de zorgaanbieder waren ter zitting aanwezig [naam], gezondheidszorgpsycholoog en regiebehandelaar en [naam], manager zorg. Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door [naam], stafadviseur van de stichting Mondriaan.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2025 te Utrecht.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de vraag of de zorgaanbieder zorgvuldig heeft gehandeld in de beëindiging van de behandelingsovereenkomst.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De cliënt heeft zich bij de zorgaanbieder aangemeld voor ambulante psychotherapie. De klacht ziet op eenzijdige beëindiging van de behandeling, onzorgvuldige en eenzijdige besluitvorming, onvoldoende informatieverstrekking en gebrek aan voldoende nazorg c.q. ondersteuning.

Beëindiging van de behandelingsovereenkomst en Informatieverstrekking
In 2022 is de cliënt door zijn huisarts verwezen naar PsyQ, onderdeel van de Stichting Mondriaan, (hierna: de zorgaanbieder), voor behandeling van ADHD-klachten. Na het doorlopen van een wachttijd van ruim een jaar, heeft cliënt in 2024 twee intakegesprekken met behandelaar gevoerd. Tijdens deze gesprekken heeft de cliënt diverse documenten ondertekend, maar geen kopieën hiervan ontvangen. Wel kreeg cliënt een informatiemap. Aan de cliënt is vervolgens voorgesteld om deel te nemen aan vier vrijblijvende ochtendsessies psycho-educatie ADHD. Vanwege een verlate slaapcyclus – veroorzaakt door zijn klachten – heeft hij aangegeven mogelijk niet in staat te zijn om 09:30 uur aanwezig te zijn. Dit heeft de cliënt herhaaldelijk gemeld, maar de intentie tot deelname werd positief ontvangen. Een week voor aanvang kreeg hij nog een brief waarin stond dat deelname niet verplicht was en dat hij zich kon terugtrekken, zonder mededeling van eventuele gevolgen. Na het missen van de eerste sessie werd de cliënt gebeld door zijn behandelaar, die begrip toonde en het belang van de sessies benadrukte. Hem werd op geen enkel moment duidelijk gemaakt dat het missen van sessies gevolgen zou hebben. Omdat de cliënt nog geen behandeling of medicatie had ontvangen, was het voor hem praktisch niet mogelijk om op tijd bij de sessies te zijn.

Op 15 augustus 2024 kreeg klager tijdens een individuele afspraak te horen dat zijn behandeling werd beëindigd op grond van het zogeheten “no-showbeleid”. Zijn eerdere meldingen over mogelijke afwezigheid werden genegeerd. Hij heeft daarop mondeling een klacht bij de manager zorg ingediend, gevolgd door een schriftelijke klacht in september. De manager stelde dat de zorgaanbieder terecht had gehandeld. Op
9 oktober 2024 heeft de cliënt formeel een klacht ingediend bij de Klachtenadviescommissie van de zorgaanbieder (hierna: de klachtenadviescommissie), op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). De klachtenadviescommissie oordeelde dat de behandelaren onzorgvuldig hadden gehandeld. Er was sprake van onvoldoende informatie over het no-showbeleid, geen waarschuwing of herstelmogelijkheid en een onterechte aanname dat de cliënt de behandeling zelf wilde beëindigen. Ook ontbrak ondersteuning bij het vinden van alternatieve zorg. In de uitspraak van de klachtenadviescommissie van 6 november 2024 zijn de klachten van de cliënt gegrond verklaard. De Raad van Bestuur van de zorgaanbieder nam dit advies over op 18 december 2024. Volgens de cliënt is hierdoor sprake van een medische fout, in strijd met artikel 7:460 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dat leidt tot wanprestatie (artikel 6:74 BW) en een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). De fout is volgens hem toe te rekenen aan de zorgaanbieder via centrale aansprakelijkheid (artikel 7:462 BW). Namens de cliënt is de zorgaanbieder op 28 januari 2025 aansprakelijk gesteld voor alle materiële en immateriële schade.

Schadevordering
Door het handelen van de zorgaanbieder zijn de klachten van de cliënt verergerd en door het uitblijven van behandeling is de situatie van de cliënt steeds verder verslechterd. Daarnaast heeft het recente overlijden van de vader van de cliënt de symptomen van de cliënt duidelijk verergerd. De cliënt ervaart gevoelens van machteloosheid en wanhoop, mede omdat de klachten niet worden behandeld en hij geen uitzicht ervaart op verbetering. De cliënt vordert een bedrag van € 7.000,– ter vergoeding van zijn immateriële schade, waaronder de invloed die de beëindiging van de behandeling nog steeds op hem heeft, alsmede een bedrag van €1.342,80, bestaande uit €1.000,– aan (psychische) gezondheidsschade, €176,– eigen bijdrage rechtsbijstand,€143,37 consultkosten en €23,43 reiskosten bezoeken huisarts.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De zorgaanbieder beroept zich allereerst op kennelijke ongegrondheid van de klacht, nu de cliënt geen toestemming aan de zorgaanbieder heeft gegeven om gebruik te maken van het medisch dossier en de zorgaanbieder door deze weigering niet in staat is om adequaat verweer te voeren.

Beëindiging van de behandelingsovereenkomst
De zorgaanbieder is van mening dat de behandelingsovereenkomst op goede gronden is beëindigd. Tijdens de intakeperiode is met de cliënt besproken dat de psycho-educatie-cursus een essentieel onderdeel vormt van de behandeling en dat hij zich tijdig dient af te melden wanneer hij een keer niet kan deelnemen.
Het no-show beleid is met de cliënt besproken. De cliënt heeft het formulier waarmee hij aangeeft het
no-show beleid te kennen, ondertekend. Vervolgens is de cliënt op vier sessies niet verschenen. Na de eerste gemiste sessie op 24 juli 2024 heeft de behandelaar contact opgenomen met de cliënt om na te gaan waarom hij niet is verschenen. De cliënt heeft daarop geantwoord dat hij door omstandigheden niet aanwezig kon zijn en aangegeven dat hij de volgende sessie aanwezig zal zijn. Ook bij de tweede en opvolgende sessies is de cliënt niet verschenen zonder bericht van afmelding. In het Multidisciplinair overleg (MDO) op 13 augustus 2024 wordt dan geconcludeerd dat er onvoldoende commitment bij de cliënt is en wordt besloten dat voortzetting van de behandeling niet geïndiceerd is. Deze beslissing wordt op 15 augustus 2024 in een gesprek met de cliënt meegedeeld, waarin hij dan pas laat weten dat hij dermate last heeft van slaapproblemen dat de sessies in de ochtend niet haalbaar voor hem zijn. De cliënt gaat op dat moment akkoord met beëindiging van de behandeling.
Dat de cliënt bijna drie weken later laat weten het toch niet eens te zijn met de beëindiging van de behandelingsovereenkomst en hierover een klacht indient maakt dit niet anders. Ook de klachtencommissie heeft geoordeeld dat sprake was van een gewichtige reden als bedoeld in artikel 7:460 BW. De zorgaanbieder stelt zich voorts op het standpunt dat de cliënt niet kenbaar heeft gemaakt dat hij vanwege zijn slaapproblemen niet in staat zou zijn om de ochtendsessies te volgen.

Informatieverstrekking
De zorgaanbieder stelt dat uit nader onderzoek is gebleken dat zij de cliënt meermalen en voldoende heeft geïnformeerd over de mogelijke consequenties van het niet nakomen van de behandelafspraken.

Conclusie en schadevordering
De zorgaanbieder heeft de cliënt in het gesprek op 15 augustus 2024 geadviseerd over het vervolg, en nadat hij had laten weten het toch niet eens te zijn met de beëindiging van de behandeling, hem aangeraden zich in te schrijven bij PsyQ online.
De door de klachtenadviescommissie gegrond verklaarde klachten betreffen volgens de zorgaanbieder expliciet niet de beslissing van het team om de behandeling wegens onvoldoende commitment – blijkend uit no show zonder afmeldingen – stop te zetten. Dat dit gold als gewichtige reden om de behandeling eenzijdig te beëindigen is ook niet door de cliënt bestreden. De gegrondverklaring betreft het feit dat het team, na te hebben vernomen dat de cliënt het bij nader inzien niet eens was met de stopzetting van de behandeling, extra inzet had dienen te tonen om na te gaan of een herstel van de behandelrelatie nog mogelijk was. Daarnaast was op dat moment onvoldoende gebleken dat de cliënt voldoende was geïnformeerd over de mogelijke consequenties van het niet nakomen van de gemaakte behandelafspraken.

Volgens de zorgaanbieder is geen sprake van een medische fout in de zin van artikel 7:453 BW jo. artikel 6:74 BW. De behandelingsovereenkomst is op rechtmatige gronden, met gewichtige redenen – door de cliënt onbestreden – beëindigd. Het gegeven dat het zorgvuldiger was geweest wanneer het team bij het eerste signaal van de cliënt van ontevredenheid nog een poging had ondernomen de behandelrelatie te herstellen, kan nooit leiden tot de conclusie dat sprake is van een medische fout of anderszins verwijtbaar gedrag waarmee de zorgaanbieder verplicht zou kunnen worden tot het vergoeden van materiële dan wel immateriële schade.
Zelfs wanneer daarmee toch sprake zou zijn van een niet voldoen aan het goed hulpverlenerschap ex artikel 7:453 BW, dan nog is niet in te zien dat dit tot enige schade voor de cliënt zou kunnen leiden. De cliënt is meerdere malen (mondeling) gewezen op de consequenties van het niet volgen van de sessies.
Volgens de zorgaanbieder is er geen sprake van een toerekenbare tekortkoming en daarom kan ook niet tot toekenning van de gevorderde schadevergoeding worden overgegaan.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Kennelijk ongegrond
De zorgaanbieder heeft verzocht de klacht van de cliënt kennelijk ongegrond te verklaren op grond van het feit dat de cliënt geen toestemming heeft gegeven aan de zorgaanbieder gebruik te maken van het medisch dossier ter onderbouwing van haar standpunten.
Naar het oordeel van de commissie slaagt dit beroep niet.
Bij het indienen van de klacht heeft de cliënt toestemming gegeven voor de verwerking van zijn (para)medische gegevens door de commissie. Deze toestemming omvat ook het recht van de zorgaanbieder de (para)medische gegevens aan de commissie toe te sturen wanneer dat van belang is voor de behandeling van de klacht. Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder dan ook voldoende gelegenheid gehad aan de hand van het medisch dossier haar standpunten te onderbouwen en dient dit beroep te worden gepasseerd. De commissie gaat over tot de inhoudelijke behandeling van het geschil.

Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

In de KNMG-richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelovereenkomst is in paragraaf 4.2. onder a, voor zover van belang, het volgende vermeld.

Niet naleven van essentiële behandelvoorwaarden of regels van de zorginstelling
Leeft een patiënt essentiële regels van een zorginstelling niet na? En heeft de zorginstelling er tevergeefs herhaaldelijk op aangedrongen om dat gedrag te veranderen en hem gewaarschuwd voor de gevolgen ervan? Dan kan dat een gewichtige reden zijn om de behandelingsovereenkomst te beëindigen. (…) De zorginstelling moet hier echter wel terughoudend in zijn als een patiënt in grote mate zorgafhankelijk is en hij deze zorg niet (snel) van een andere instelling kan krijgen. In dat geval mag van de zorginstelling worden verwacht dat deze alles doet wat redelijkerwijs van haar kan worden gevraagd om beëindiging van de behandelingsovereenkomst te voorkomen.

In paragraaf 4.3 is, voor zover relevant, het volgende vermeld.

4.3 Zorgvuldigheidseisen bij beëindiging van een behandelingsovereenkomst door een zorginstelling
Naast het bestaan van een gewichtige reden kan een zorginstelling een behandelingsovereenkomst alleen beëindigen met inachtneming van een aantal zorgvuldigheidseisen. Deze zorgvuldigheidseisen zijn hetzelfde als voor de individuele arts en worden in hoofdstuk 3 genoemd.
In deze paragraaf noemen we enkele aanvullende aspecten die specifiek voor zorginstellingen gelden. De zorgvuldigheidseisen die voor arts en zorginstelling gelijk zijn, zijn dat de zorginstelling de behandelingsovereenkomst pas mag beëindigen nadat:
a. de patiënt herhaaldelijk is gewaarschuwd en onderzocht is of herstel van de relatie mogelijk is;
b. de patiënt tijdig mondeling over het besluit is geïnformeerd en dit besluit schriftelijk is bevestigd.
De zorgvuldigheidseisen waarvoor aanvullende aandachtspunten gelden, zijn:
a. het aanhouden van een redelijke termijn voordat de overeenkomst daadwerkelijk wordt beëindigd;
b. het verlenen van medewerking bij het zoeken naar passende zorg elders;
c. het blijven verlenen van de noodzakelijke hulp tot de daadwerkelijke beëindiging.
Als de zorginstelling besluit om de behandelingsovereenkomst op te zeggen, moet zij daarbij een redelijke termijn in acht nemen. Een standaardtermijn is moeilijk te noemen. Welke termijn redelijk is, hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval. Ontslag met onmiddellijke ingang is alleen geoorloofd als er sprake is van zeer dringende redenen, bijvoorbeeld bij uiterst agressief gedrag.

Beëindiging behandeling en Informatieverstrekking
De cliënt voert aan dat de beëindiging van de behandeling abrupt heeft plaatsgevonden en dat onvoldoende nazorg is geboden, hetgeen volgens hem aanzienlijke gevolgen heeft gehad.
Tussen partijen staat vast dat de cliënt op de vier sessies psycho-educatie op 24, 31 juli en
7 en 14 augustus 2024 niet is verschenen en evenmin bericht van afmelding heeft doorgegeven aan de zorgaanbieder. Nadat de cliënt op de eerste sessie niet was verschenen heeft de behandelaar contact met de cliënt gezocht, waarna deze beloofde op de eerstvolgende sessie te verschijnen. Na ook de tweede sessie niet te hebben bezocht heeft de cliënt ’s middags contact gezocht met het secretariaat.
De zorgaanbieder heeft na genoemde vier sessies op enig moment geconcludeerd dat aan de zijde van de cliënt onvoldoende commitment was om de behandeling door te zetten. Dit heeft geleid tot het besluit de behandelingsovereenkomst met de cliënt te beëindigen. Tussen partijen is niet in geschil dat de omstandigheid dat de cliënt op alle vier de sessies zonder bericht van afmelding is verschenen een gegronde reden vormt om de behandelingsovereenkomst te beëindigen. De vraag is vervolgens of dit volgens de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen is verlopen.

Die vraag beantwoordt de commissie ontkennend.
Naar het oordeel van de commissie is de cliënt onvoldoende gewaarschuwd wat de gevolgen zouden zijn indien hij niet op de ochtendsessies zou verschijnen. Uit het dossier blijkt in ieder geval niet dat de cliënt hier na het missen van een sessies op is gewezen, laat staan herhaaldelijk. Daarnaast dient een zorgaanbieder terughoudend te zijn bij beëindiging indien een patiënt de benodigde zorg niet snel van een andere instelling kan krijgen. Gelet op de lange wachttijden in de zorg was hiervan sprake en had de zorgaanbieder zich naar het oordeel van de commissie meer moeten inspannen om de cliënt te kunnen behandelen. Niet in geschil is immers dat de zorgaanbieder op de hoogte was van de slaapproblemen van de cliënt en bijvoorbeeld ook middagsessies had kunnen aanbieden, dan wel op andere wijze kunnen kijken wat wel haalbaar was voor de cliënt. De zorgaanbieder heeft dit nagelaten. De commissie stelt dan ook vast dat niet is voldaan aan de zorgvuldigheidseisen die zijn verbonden aan de beëindiging van de behandelingsovereenkomst. Dit valt de zorgaanbieder te verwijten. De zorgaanbieder is hierin dan ook toerekenbaar tekort geschoten.

Vordering tot schadevergoeding
Voor aanspraak op een schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst en dat er een causaal verband is tussen deze tekortkoming en de schade die is geleden. Vast staat dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door deze te beëindigen en daarbij niet aan de zorgvuldigheidseisen te voldoen. De vraag is vervolgens of door deze tekortkoming ook daadwerkelijk immateriële en/of materiële schade is geleden door de cliënt.

De cliënt stelt dat hij immateriële schade heeft geleden, nu hij langdurige stress, frustratie, gevoelens van afwijzing, machteloosheid en verergering van zijn psychische klachten heeft ervaren.
Door de beëindiging van de behandelingsovereenkomst heeft de cliënt geen baat meer bij de EMDR-therapie die op dat moment ook door hem werd gevolgd bij een andere zorgaanbieder. Op het moment dat de overeenkomst werd beëindigd was de vader van de cliënt ongeneeslijk ziek en door hem op dat moment niet te helpen heeft dit zijn klachten verergerd. Ook heeft dit gezorgd voor vertraging in de behandeling van de klachten van de cliënt.

Artikel 6:106 BW bepaalt, voor zover relevant, het volgende.
Eerste lid: Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Hoewel dit niet is gesteld, gaat de commissie ervan uit dat de grondslag van het verzoek om schadevergoeding is gelegen in aantasting in de persoon op andere wijze. Hiervan is in ieder geval sprake indien de benadeelde als gevolg van dit handelen geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon “op andere wijze” sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Naar het oordeel van de commissie is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de cliënt als gevolg van het beëindigen van de behandelingsovereenkomst geestelijk letsel heeft opgelopen. De commissie neemt daarbij in overweging dat er reeds sprake was van psychische problematiek bij de cliënt en dat de behandeling in feite nog niet was gestart zodat door het (abrupt) stoppen daarvan geen letsel is ontstaan. De brief van drs. [naam] van 5 november 2024 die de cliënt ter onderbouwing van zijn standpunt heeft overgelegd vormt naar het oordeel van de commissie geen onderbouwing voor het bestaan van een causaal verband tussen het stoppen van de behandeling en het (mogelijk) daardoor ontstaan van geestelijk letsel, voor zover daarvan al sprake is. Het beëindigen van een behandelingsovereenkomst die feitelijk nog niet gestart is, is voorts niet zodanig dat dit met zich brengt dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Wel is ter zitting gebleken dat een half jaar na de beëindiging van de behandeling de cliënt een nieuwe (online) behandeling bij de zorgaanbieder is gestart. Door het onzorgvuldig beëindigen van de behandelingsovereenkomst heeft de behandeling van de cliënt dus wel vertraging opgelopen. In het betreffende half jaar heeft de cliënt zich meermalen tot zijn huisarts gewend in verband met toenemende ADHD-klachten, hetgeen door de huisarts is bevestigd. Vast staat dus dat het met de cliënt in die periode slechter is gegaan, maar niet kan worden vastgesteld dat dit door het stoppen van de nog niet gestarte behandeling is gekomen. Onduidelijk is of dit niet zou zijn gebeurd als de behandeling wel was gestart. Het causaal verband tussen de gedraging en de vermeende schade kan aldus niet worden vastgesteld.
Wel ziet de commissie hierin aanleiding om de kosten die de cliënt heeft gemaakt als gevolg van deze huisartsbezoeken door de zorgaanbieder te laten vergoeden. Indien de behandeling zou zijn voortgezet met de zorgaanbieder zou de cliënt zich met toenemende ADHD-klachten immers zeer waarschijnlijk en logischerwijs tot zijn ADHD-behandelaar hebben gewend in plaats van zijn huisarts. Ook komen de kosten van de eigen bijdrage voor het inschakelen van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking, nu de cliënt in deze procedure (deels) in het gelijk wordt gesteld.

Conclusie
Op grond van het bovenstaande concludeert de commissie dat de klachten van de cliënt gegrond zijn.
De vordering tot schadevergoeding wordt voor het materiële deel van in totaal € 342,80 (bestaande uit de eigen bijdrage voor de kosten van de Raad voor Rechtsbijstand ad € 176,-, de informatie van de huisarts ad € 143,37 en de reiskosten huisarts ad € 23,43) toegewezen. Voor zover de gevorderde schade ziet op het immateriële deel (€ 7.000,– én € 1.000,– die cliënt als materieel formuleert maar gelet op de inhoud immaterieel van aard is) wijst de commissie dit af.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht van de cliënt gegrond;
– wijst de vordering tot schadevergoeding toe voor een bedrag van € 342,80 en wijst het verzoek voor het overige af;
– bepaalt dat de zorgaanbieder dit bedrag van € 342,80 aan de cliënt vergoedt;
– bepaalt dat de zorgaanbieder het door de cliënt betaalde klachtengeld van € 52,50 aan de cliënt vergoedt.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit mevrouw
mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, de heer drs. T. Knap, mevrouw M. Krouwel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Land-Smorenburg, secretaris, op 27 oktober 2025.