Onvoldoende nazorg na medicatiewissel: klacht deels gegrond

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: zorgverlening    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 1262757/1311627

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De zaak gaat over een cliënt die klaagt over een medicatiewissel, gebrek aan nazorg en het stoppen van haar behandeling. De commissie oordeelt dat de medicatiewissel zelf zorgvuldig en volgens de regels is gedaan, maar dat de zorgaanbieder fouten heeft gemaakt in de begeleiding daarna. De psychiater had sneller contact moeten opnemen en beter moeten controleren hoe het met de cliënt ging. Ook is de behandeling te snel beëindigd zonder voldoende hulp bij het vinden van nieuwe zorg. De klacht deels gegrond, maar de cliënt krijgt geen schadevergoeding, wel haar klachtengeld terug.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënte)

en

BuurtzorgT BV, gevestigd te Almere
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Standpunt van cliënte

Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

De psychiater heeft tijdens een kennismaking van een half uur cliënte laten stoppen met het anti depressivum dat zij al meer dan 25 jaar slikte. Zij kreeg een ander middel voorgeschreven waarvan zij na inname ernstige bijwerkingen kreeg. De psychiater had beloofd haar na enkele dagen te bellen om te vragen hoe het met deze nieuwe medicatie ging maar zij is deze afspraak niet nagekomen.
Na het stoppen van efexor kreeg cliënte ernstige afkickverschijnselen. Zij kreeg suïcidale gedachten. Het ging zo slecht met haar dat zij niet in staat was om haar huisarts te bellen. Vanwege deze bijwerkingen is zij direct gestopt met de nieuwe medicatie. Cliënte heeft meerdere keren geprobeerd om de psychiater van de zorgaanbieder te bereiken, maar haar telefoontjes werden niet beantwoord. Het gaat nu heel slecht met cliënte. De behandeling is gestopt en cliënte verwijt de zorgaanbieder dat zij geen nazorg heeft gekregen.
Cliënte eist € 25.000,- immateriële schadevergoeding.

Ter zitting heeft cliënte aangegeven dat het kennismakingsgesprek met de nieuwe psychiater voor haar erg ongelegen kwam. De afspraak was dat cliënte door de psychiater zou worden gebeld op de maandag na dit gesprek. Zij heeft niets van haar vernomen. Cliënte verwijt de psychiater dat de oude medicatie niet voldoende is afgebouwd waardoor zij ernstige afkickverschijnselen kreeg. Waarom was het niet mogelijk dit middel verder af te bouwen met taperingstrips. Cliënte had geen vertrouwen meer in de nieuwe psychiater na dit incident. Zij wilde wel graag onder behandeling blijven van de psychiatrisch verpleegkundigen, met wie ze goed contact heeft en die haar goed kunnen ondersteunen. Helaas was dit niet mogelijk. De zorgaanbieder heeft gezegd dat ze bij [naam andere zorgaanbieder] terecht zou kunnen maar daar komt zij juist vandaan. Bovendien heeft elk FACT team meer dan een half jaar wachttijd.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

De zorgaanbieder vraagt de commissie om de klacht ongegrond te verklaren en de schadeclaim af te wijzen.
De medicatiewissel was medisch verantwoord volgens de Richtlijn Depressie en het Multidisciplinair Document en passend bij haar depressieve klachten + ADHD. Cliënte had haar informed consent gegeven (twee keer besproken, akkoord bevonden). De afbouw van venlafaxine (37,5 mg → 0 mg) was volgens richtlijnen regulier en verantwoord. Suïcidaliteit is geen bekend onttrekkingsverschijnsel van venlafaxine en geen voorzienbare bijwerking van bupropion.

De nazorg was adequaat. De psychiater zou hebben gezegd dat zij “in de loop van de week” zou bellen, niet specifiek op maandag. Ze belde op 3 juni 2025 — twee werkdagen later dan gepland, maar volgens de zorgaanbieder nog binnen een verantwoorde termijn. Cliënte had tussentijds zelf contact kunnen opnemen, maar deed dat niet. Toen zij wél belde (2 juni), gaf zij aan niet suïcidaal te zijn.

Omdat cliënte geen vertrouwen meer had in een behandeling door de psychiater en niet bereid was om met haar hierover in gesprek te gaan, heeft de zorgaanbieder de behandelingsovereenkomst met cliënte op 2 juli 2025 beëindigd
Cliënte wilde geen enkel contact meer met de psychiater [Naam] is de enige psychiater binnen het team van die locatie. Een psychiater uit een ander team inzetten is logistiek en kwalitatief onverantwoord. Daarom was er een gewichtige reden om de behandelingsovereenkomst te beëindigen. Cliënte is geadviseerd zich te laten verwijzen naar [naam andere zorgaanbieder].

De zorgaanbieder verzoekt de vordering tot schadevergoeding af te wijzen. Er is geen causaal verband tussen medicatiewissel en schade die cliënte stelt geleden te hebben. De zorgaanbieder betwist dat de suïcidale gedachten door de medicatiewissel kwamen en deze maandenlang hebben geduurd. De klachten die cliënte ondervindt passen bij haar bestaande psychiatrische problematiek.

Beoordeling van het geschil

Op grond van de zorgovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden (causaal verband).

De commissie zal de klacht van cliënte beoordelen in het licht van het hierboven geschetste toetsingskader.

Cliënte stelt dat een medicatiewissel (stoppen venlafaxine, starten bupropion) heeft geleid tot ernstige suïcidale gedachten. Zij vindt dat de psychiater haar dossier niet goed kende, een onverantwoorde medicatiewissel adviseerde, niet tijdig nazorg heeft geboden, en dat de zorgaanbieder haar ten onrechte niet door een andere psychiater heeft laten behandelen.

Medicatiewissel.
Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting heet de commissie het volgende vastgesteld.
Op 22 april 2025 heeft de psychiater met cliënte haar medicijngebruik geëvalueerd. Omdat cliënte al lange tijd venlafaxine slikte zonder dat dit leidde tot een afname van haar somberheidsklachten en zij last had van optreden van manie, heeft de psychiater in overleg met cliënte bupropion (WellbutRin) voorgeschreven als vervanger van de venlafaxine en dexamfetamine. De psychiater had destijds echter over het hoofd gezien dat cliënte nog venlafaxine kreeg voorgeschreven door haar vorige behandelaar. De uitgevende apotheek heeft dit opgemerkt en kon daarom de bupropion niet aan cliënte uitreiken waardoor zij op dat moment niet kon starten met bupropion. Op 20 mei 2025 hebben psychiater de verpleegkundige psychiatrisch specialist en psychiater, de opvolgster van de eerste psychiater, cliënte bij haar thuis bezocht. In dit gesprek is de wisseling van de medicatie aan de orde gekomen. Afgesproken is dat cliënte alsnog zou stoppen met de venlafaxine en dexamfetamine en zou starten met de bupropion.

De commissie is van oordeel dat er sprake is geweest van een zorgvuldige overdracht tussen de psychiaters.
In overleg tussen de psychiaters is medicatie voorgeschreven, die al op een eerder moment was voorgeschreven maar die nog niet kon worden toegediend vanwege het gebruik van een ander medicijn.

Cliënte heeft aangevoerd dat het antidepressivum dat zij slikte te snel is afgebouwd en dat zij van het nieuwe middel ernstige bijwerkingen heeft ondervonden.

De commissie is ambtshalve van oordeel dat bij de gegeven dosis van 37,5 mg mocht worden overgegaan naar de nieuwe medicatie. Afbouw via tapering was gezien deze dosis niet geïndiceerd. Dat cliënte zulke ernstige bijwerkingen heeft gekregen van deze medicatie kon de psychiater niet voorzien. Deze bijwerkingen zijn in hoge mate uitzonderlijk.

In zoverre is de klacht ongegrond.

Begeleiding bij medicatiewissel:
Wel is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in de begeleiding van cliënte na de medicatiewissel.
In de stukken staat vermeld dat de psychiater cliënte op 22 mei 2025 heeft laten weten dat zij op vrijdag 23 mei 2025 kon starten met bupropion. Psychiater heeft in dat gesprek aangegeven dat zij in de loop van de volgende week contact zou opnemen met cliënte om te informeren hoe de medicatiewissel was verlopen. Vast staat dat de psychiater cliënte in die week niet heeft gesproken, terwijl bij een medicatiewissel het van belang is dat een cliënt op korte termijn moet worden gezien om te kunnen beoordelen wat de gevolgen zijn van de medicatiewissel. De commissie begrijpt dat de psychiater niet binnen 4 dagen contact heeft opgenomen omdat de nieuwe medicatie eerst moet inwerken. Dit neemt niet weg dat de psychiater wel in de loop van die week contact had moeten opnemen met cliënte, zoals overigens ook toegezegd door de psychiater op het moment van de medicatiewissel. Gezien haar psychische situatie mocht niet van cliënte verwacht worden dat zij zelf contact zou opnemen.
De commissie is van oordeel dat dit klachtonderdeel gegrond is.

Beëindiging behandelovereenkomst
Omdat cliënte geen vertrouwen meer had in een behandeling door de psychiater en niet bereid was om hierover in gesprek te gaan, heeft de zorgaanbieder de behandelingsovereenkomst met cliënte op 2 juli 2025 beëindigd.
Ter zitting heeft de zorgaanbieder aangegeven dat er binnen het postcodegebied waar de zorgaanbieder de zorg faciliteert geen andere psychiater beschikbaar was. Cliënte is geadviseerd om via haar huisarts passende zorg te regelen. Daarbij was de zorgaanbieder bereid om een advies te geven aan de huisarts over een zorgaanbieder die passende zorg aan cliënte zou kunnen verlenen. In dat kader zou het FACT team van [naam andere zorgaanbieder] geschikt kunnen zijn. De wachtlijst was daar ook niet lang omdat er nieuwe behandelaars waren aangesteld. Cliënte kon haar behandeling bij de psychiatrisch verpleegkundigen niet meer voorzetten omdat de medicatie niet meer kon worden verstrekt. Logistiek was het niet mogelijk om een psychiater van een ander team bij de behandeling van cliënte te betrekken.

De commissie begrijpt dat de behandeling van cliënte bij de enige psychiater die voor de zorgaanbieder in het postcodegebied werkzaam is, niet meer kon worden voortgezet daar cliënte geen vertrouwen meer in haar had. Dit betekent echter niet dat daarmee de behandelingsovereenkomst met instemming van beide partijen is opgezegd. Ter zitting is duidelijk geworden dat cliënte onder behandeling van de twee psychiatrisch verpleegkundigen wilde blijven omdat zij in hen veel vertrouwen had. Daarmee is komen vast te staan dat er sprake is geweest van een eenzijdige opzegging van de behandelingsovereenkomst.

Een zorgaanbieder mag een behandelingsovereenkomst eenzijdig opzeggen als hij niet meer de mogelijkheid heeft om passende zorg aan te bieden. In dat geval dient een zorgaanbieder een cliënt bij te staan bij het vinden van een nieuwe zorgaanbieder die wel deze passende zorg kan leveren en dient hij de zorgverlening gedurende een redelijke termijn te blijven uitvoeren totdat de overdracht naar een nieuwe zorgaanbieder een feit is. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder hierin is tekort geschoten. Met een brief aan de huisarts kon niet worden volstaan.

Daarbij overweegt de commissie dat, zoals de zorgaanbieder ter zitting heeft aangegeven, er een mogelijkheid was voor cliënte om op korte termijn onder behandeling van [naam andere zorgaanbieder] te komen. Gelet hierop begrijpt de commissie niet waarom het voor de zorgaanbieder niet mogelijk was geweest om de behandeling van cliënte door de psychiatrisch verpleegkundigen voor deze korte periode voort te zetten en de huisarts te verzoeken om de medicatie voor te schrijven en te monitoren. Incidenteel had de huisarts bij eventuele problemen zelf contact kunnen opnemen met een psychiater van een ander team. Tevens had de zorgaanbieder gezien de korte termijn van een overstap naar bijvoorbeeld [naam andere zorgaanbieder], ook kunnen kiezen voor de tijdelijke inschakeling van één van haar psychiaters uit een ander postcodegebied, zoals bij haar gebruikelijk in vakantieperioden.

De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder ten aanzien van de begeleiding bij de medicatiewissel en het beëindigen van de behandeling niet heeft gehandeld volgens de professionele standaard.

Schadevergoeding
Cliënte vordert vanwege de emotionele schade die zij heeft geleden een bedrag van € 25.000,-.

Voor aanspraak op een schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar tekort is geschoten en daarnaast dat er een causaal verband kan worden gelegd tussen de behandeling door de zorgaanbieder en de schade die door cliënte is gevorderd. Hoewel de commissie begrijpt dat cliënte ernstige bijwerkingen heeft ondervonden van de nieuwe medicatie en op dit moment in een psychisch labiele situatie verkeert, acht zij geen termen aanwezig voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding. Daarbij merkt de commissie op dat de psychiater op goede gronden de nieuwe medicatie heeft voorgeschreven en dat de bijwerkingen van deze medicatie die cliënte heeft ondervonden zeer uitzonderlijk zijn. Cliënte heeft er zelf voor heeft gekozen om de behandeling met de nieuwe psychiater niet voort te zetten vanwege een vertrouwensbreuk.

Nu de klacht van cliënte gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, zal de commissie, onder verwijzing naar artikel 21 van het reglement, de zorgaanbieder veroordelen tot vergoeding aan cliënte van het door haar betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 52,50.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie
– verklaart de klachten met betrekking tot de nazorg na de medicatiewissel en de beëindiging van de behandelovereenkomst gegrond;
– verklaart de klacht over de medicatiewissel ongegrond;
– wijst het anders of meer gevorderde af;
– veroordeelt de zorgaanbieder tot het betalen van het klachtengeld, ad € 52,50, aan cliënte.
Betaling dient plaats te vinden binnen één maand na ontvangst door de zorgaanbieder van dit bindend advies.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer drs. T. Knap, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw
mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 20 januari 2026.