Commissie: Zelfstandige Klinieken
Categorie: Informed consent
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1316192/1326879
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Deze zaak gaat over een vrouw die een cosmetische behandeling onderging om een storende fronsrimpel tussen haar wenkbrauwen te verminderen. Op advies van een plastisch chirurg liet zij een voorhoofdslift en een onderooglidcorrectie uitvoeren. De onderooglidcorrectie gaf het gewenste resultaat, maar volgens de cliënt werd de fronsrimpel niet minder zichtbaar en ontstonden zelfs nieuwe klachten, waaronder een extra rimpel en asymmetrie rond de ogen. Zij stelde dat zij vooral voor haar fronsrimpel hulp zocht en dat de voorhoofdslift daarvoor geen geschikte behandeling was. De zorgaanbieder voerde aan dat de cliënt vooraf had ingestemd met de voorgestelde behandeling en dat er geen sprake was van medisch onjuist handelen. De Geschillencommissie oordeelt dat onvoldoende duidelijk is vastgelegd wat tijdens het adviesgesprek precies is besproken. Uit het dossier blijkt echter dat de fronsrimpel een belangrijk aandachtspunt was. Ook staat vast dat een voorhoofdslift volgens de zorgaanbieder zelf niet de gebruikelijke behandeling is voor een fronsrimpel. De commissie vindt daarom dat de cliënt niet voldoende is geïnformeerd over de behandeling en dat de vereiste toestemming (informed consent) voor de voorhoofdslift ontbrak. Hierdoor heeft de zorgaanbieder zijn zorgplicht geschonden. De klacht wordt gegrond verklaard. De zorgaanbieder moet het bedrag van € 4.850 voor de voorhoofdslift terugbetalen en ook het klachtengeld van € 52,50 aan de cliënt vergoeden.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft een cosmetische ingreep in de kliniek van de zorgaanbieder ondergaan om een fronsrimpel te verminderen. De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat een verkeerde behandeling is toegepast waardoor de rimpel juist zichtbaarder is geworden.
Standpunt van de cliënt
De cliënt heeft zich in de kliniek van de zorgaanbieder gemeld voor informatie over de mogelijkheden om middels ‘lipofilling’ een fronsrimpel tussen de wenkbrauwen en overmatig fronsen te verminderen. Zij had daartoe een betaald consult met plastisch chirurg drs. [naam]. De belangrijkste klacht betrof de fronsrimpel en daar is tijdens het consult uitgebreid over gesproken. De cliënt had er moeite mee dat vaak werd gedacht dat zij boos of verdrietig was. De chirurg liet zien, door de wenkbrauwen met de vingers iets te spreiden, dat de fronsrimpel duidelijk minder zichtbaar werd. De chirurg gaf aan dat een voorhoofdslift een zeer goede verbetering zou geven. Op basis van dat advies en vertrouwen in de chirurg heeft de cliënt met de ingreep ingestemd. Ook zou een onderooglidcorrectie worden uitgevoerd.
De onderooglidcorrectie is goed verlopen. De voorhoofdslift heeft echter geen verbetering opgeleverd; integendeel, de fronsrimpel is juist zichtbaarder geworden en er is een nieuwe verticale rimpel ontstaan op een plek waar de cliënt een klein litteken had door een val. Ook dit litteken was vooraf uitgebreid besproken. Daarbij was sprake van asymmetrie; het linkeroog lijkt groter dan het rechteroog.
De cliënt heeft haar zorgen en vragen in het kader van een second opinion besproken met een andere plastisch chirurg binnen de kliniek; professor dr. [naam]. Hij heeft aangegeven dat de voorhoofdslift niet de juiste behandeling was voor het probleem met de fronsrimpel en het fronsen. De kliniek stelt zich echter op het standpunt dat de cliënt voor de operatie heeft getekend. In het document dat de cliënt vooraf heeft ondertekend was slechts een “contourverbetering” vermeld. De cliënt ging ervan uit dat daarmee gedoeld werd op hetgeen zij zo uitgebreid met drs. [naam] had besproken. Tijdens een later consult heeft drs. [naam] aangeboden om kosteloos fillers in de fronsrimpel te spuiten. Dit geeft echter slechts een tijdelijk resultaat en de cliënt is niet in een financiële positie om een dergelijke behandeling met regelmaat te herhalen.
De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat zij een kostbare en risicovolle operatie heeft ondergaan die niet passend was bij haar vraag en die heeft geleid tot een verergering van haar klachten. De cliënt vraagt een oordeel van de commissie over de handelwijze van de zorgaanbieder. Bij wijze van schadevergoeding vraagt zij een restitutie van het bedrag van de voorhoofdslift van € 4.850,–
Standpunt van de zorgaanbieder
De cliënt is op 26 maart 2024 voor een eerste consult in de kliniek van de zorgaanbieder verschenen. Door plastisch chirurg drs. [naam] is tijdens dat consult goed uitgevraagd wat hij voor de cliënt kon betekenen. De cliënt wilde in een open vraag advies over mogelijke verbetering van haar gelaat. Drs. [naam] heeft met de cliënt alle opties besproken op basis van haar wensen, haar budget en zijn inschatting over de resultaten. Besproken werd dat alles wat rondom de ogen gebeurt bepaalt hoe je wordt beoordeeld. Als je iets aan een wat ‘norse’ uitstraling wilt doen moet je iets aan de wenkbrauwen doen. De positie van de wenkbrauwen is van grote invloed op het gelaat. Uiteindelijk werd met de cliënt besproken dat een onderooglidcorrectie in combinatie met een voorhoofdslift het beste resultaat zou geven. Nadat de cliënt schriftelijk haar akkoord had gegeven heeft op 5 april 2024 de ingreep plaatsgevonden. De ingreep is goed verlopen en de cliënt mocht diezelfde dag weer naar huis. Bij een nacontrole op 8 oktober 2024 was een verschil in spieractiviteit een punt van aandacht. Hiervoor werd een kosteloze botoxinjectie ingespoten in de spier. De cliënt heeft in april 2025 een klacht ingediend omdat de asymmetrische stand van de rechter wenkbrauw en de fronsrimpel haar stoorden en omdat zij bij het eerste consult had aangegeven dat de fronsrimpel voor haar het belangrijkst was. Er werd een afspraak met drs. [naam] ingepland. In dat consult gaf de cliënt voor het eerst aan dat dat zij verwacht had dat de frons en de rimpels boven de wenkbrauw rechts zouden verdwijnen. Er werd een second opinion besproken die werd uitgevoerd door prof. Dr. [naam]. Hij heeft het resultaat van de ingrepen beoordeeld als een passend en te verwachten resultaat. Verder heeft hij aangegeven dat als de fronsrimpel inderdaad het belangrijkst was voor de cliënt hij zich niet kon voorstellen dat drs. [naam] een voorhoofdslift had voorgesteld. Botox was dan de juiste behandeling geweest. Dit werd ook voorgesteld als vervolg.
De stelling van de cliënt dat haar wens enkel was om de fronsrimpel te verbeteren wordt door de zorgaanbieder betwist. Uit het medisch dossier en het gespreksverslag blijkt dit niet en drs. [naam] kan zich dit ook niet herinneren. Aan de cliënt is een gespreksverslag toegestuurd evenals voorlichtingsfolders. Zij heeft ermee ingestemd om een ooglidcorrectie en voorhoofdslift te laten uitvoeren. De zorgaanbieder stelt zich dan ook op het standpunt dat geen sprake is geweest van medisch onjuist handelen.
Beoordeling van het geschil
Beoordelingskader
Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen de cliënte en de zorgaanbieder, is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen. Daarbij moet de hulpverlener handelen in overeenstemming met de op hem/haar rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
De commissie dient te onderzoeken of de zorgaanbieder bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.
Op 5 april 2024 is door plastisch chirurg [naam] een onderooglidcorrectie en een voorhoofdslift bij de cliënt uitgevoerd.
Informed consent
Van cruciaal belang in deze zaak is wat tussen de cliënt en drs. [naam] tijdens het adviesconsult op 26 maart 2024 is besproken. De cliënt heeft naar voren gebracht dat haar hoofdvraag was een verminderde zichtbaarheid van een fronsrimpel tussen haar wenkbrauwen. Drs. [naam] heeft ter zitting verklaard dat de fronsrimpel niet expliciet is benoemd maar in algemeenheden rimpels en de kwaliteit van de huid zijn besproken.
De zorgaanbieder heeft zich op het standpunt gesteld dat de cliënt zich akkoord heeft verklaard met het ‘cliëntverslag na eerste consult’ van 26 maart 2024 waarmee er informed consent bestond over het uitvoeren van de ooglidcorrectie en de voorhoofdslift. De cliënt heeft aangevoerd dat zij met de inhoud van het verslag heeft ingestemd omdat zij ervan uitging dat met ‘contourverbetering’ een verbetering van de fronsrimpel werd bedoeld.
Niet weersproken is dat het adviesgesprek op 26 maart 2024 een uur heeft geduurd. Het gespreksverslag is echter zeer summier en mager.
Onder Uw wens of vraag is genoteerd:
“Vrij open consult met de vraag wat voor verbetering er mogelijk is in het gelaat”
En onder Concretisering wens:
Met welk resultaat zou u tevreden zijn: contourverbetering.
De commissie is van oordeel dat van de cliënt niet verwacht kan worden dat zij uit de kwalificatie “contourverbetering” heeft moeten afleiden dat een verbetering van de fronsrimpel daar niet toe behoorde. Het is aan de zorgaanbieder als professional om goed uit te vragen wat de wens is van een patiënt en zich ervan te vergewissen dat een patiënt goed begrepen heeft wat met een bepaalde behandeling wordt bedoeld en beoogd. Dit geldt te meer nu het hier een niet medisch noodzakelijke cosmetische ingreep betrof.
Voor de commissie is aannemelijk geworden dat de cliënt in het eerste adviesgesprek duidelijk heeft benoemd dat een vermindering van de fronsrimpel voor haar prioriteit had. Dit blijkt ook uit de hetgeen in het medisch dossier van de cliënt op 26 maart 2024 door drs. [naam] onder “Algemene indruk” is genoteerd: Wenkbrauwptosis bdz, frons +, voorhoofdsrimpels. Litteken centraal voorhoofd met onregelmatig herstel…… Hieruit leidt de commissie af dat de fronsrimpel wel degelijk is gezien en op 26 maart 2024 een belangrijk punt van aandacht was.
Door de zorgaanbieder is erkend en bevestigd dat voor de behandeling van een fronsrimpel een voorhoofdslift niet de geëigende behandeling is. Voor de commissie is dan ook vast komen te staan dat voor het uitvoeren van een voorhoofdslift op 5 april 2024 het benodigde informed consent ontbrak.
Daarmee staat vast dat de zorgaanbieder niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan door een ingreep uit te voeren waar de cliënt, was zij beter geïnformeerd, niet mee had ingestemd.
De klacht van de cliënt is dan ook gegrond. Aangezien de vereiste toestemming voor de voorhoofdslift op 5 april 2024 ontbrak dient het bedrag van € 4.850,– dat de cliënt voor deze behandeling heeft betaald door de zorgaanbieder aan haar te worden gerestitueerd. Omdat de klacht gegrond is zal de commissie voorts bepalen dat de zorgaanbieder het klachtengeld aan de cliënt dient te vergoeden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënt gegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies een bedrag van € 4.850,– aan de cliënt dient te vergoeden;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies een bedrag van € 52,50 aan de cliënt dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer dr. E.J.F. Timmenga en de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 21 april 2026.
mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans