Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg
Categorie: Communicatie
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1310778/1316650
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Dit geschil gaat over de beëindiging van de behandeling van de cliënt en hoe de zorgaanbieder daarmee is omgegaan. De cliënt vindt dat de behandeling onterecht is gestopt tijdens een crisissituatie en dat de communicatie hierover onduidelijk en tegenstrijdig was. De commissie oordeelt dat de zorgaanbieder zorgvuldig heeft gehandeld bij het stoppen van de behandeling en de overdracht naar andere zorg, en dat er voldoende aandacht was voor de situatie van de cliënt. Wel is de communicatie over de duur en reden van de behandeling onvoldoende duidelijk geweest. Daarom is de klacht gedeeltelijk gegrond. De gevraagde schadevergoeding wordt afgewezen, maar het klachtengeld moet wel worden terugbetaald.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
de heer [naam], wonende te [plaatsnaam]
(hierna te noemen: de cliënt)
en
Stichting Arkin, gevestigd te Amsterdam (hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft het handelen van de zorgaanbieder bij de beëindiging van de behandeling en gedurende de interne klachtenprocedure.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt heeft zijn klacht onderverdeeld in vier klachtonderdelen, te weten:
1) Vasthouden aan beëindiging behandeling ondanks crisissituatie
De cliënt stelt dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld door vast te houden aan de beslissing om de behandeling te beëindigen terwijl er sprake was van crisissituatie. De cliënt stelt hiertoe dat er niet adequaat is gereageerd op zeer vroege noodsignalen, verzoeken voor tijdelijke zorgintensivering ten onrechte zijn afgewezen en er niet adequaat is gereageerd op escalerende suïcidaliteit en volledige uitval op werk.
2) Het doorzetten van de overdracht tijdens een crisissituatie
De cliënt stelt dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld door de overdracht naar vervolgzorg door te zetten terwijl hij midden in een diepe crisis verkeerde. De cliënt stelt herhaaldelijk zorgen te hebben geuit over de geschiktheid van de vervolgzorg. Door de behandeling te beëindigen voordat een functionele en veilige behandelrelatie met de vervolgzorg was gegarandeerd heeft de zorgaanbieder een vacuüm in de zorg continuïteit gecreëerd.
3) Tegenstrijdige communicatie over de (reden van) beëindiging van de behandeling
De cliënt stelt dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld door hem niet (tijdig) te informeren over de behandelduur en door voorts tegenstrijdig te communiceren over de reden van beëindiging van de behandeling. Op 18 september 2023 werd medegedeeld dat de behandeling in februari zou worden geëindigd. Dit kwam geheel onverwachts. In eerste instantie werd daarbij door de zorgaanbieder gecommuniceerd dat de beëindigingsgrond organisatorisch was, terwijl later werd aangegeven dat er (ook) een klinische grond voor de beëindiging bestond. De cliënt stelt dat de zorgaanbieder haar informatieplicht heeft geschonden, nu dit laatste nimmer aan hem is gecommuniceerd.
4) Schadelijke uitvoering van de klachtenprocedure
De cliënt stelt dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld in de interne klachtenprocedure. De klachtenprocedure werd volgens de cliënt gekenmerkt door een defensieve houding, gericht op het verdedigen van de oorspronkelijk beslissing tot beëindiging van de behandeling in plaats van een open evaluatie van de klacht. Er werd ten onrechte niet ingegaan op het aanbod van de cliënt om informatie van andere betrokken professionals bij de klachtenprocedure te betrekken. In de second-opinion werd de kern van de klacht van de cliënt feitelijk ontweken door het afwijzen en herformuleren van de door de cliënt opgestelde vraagstelling voor de evaluatie. Bovendien werd er op onethische wijze verantwoordelijkheid voor het welzijn van een medewerker bij de cliënt gelegd.
Verzoek tot schadevergoeding
De cliënt vordert als gevolg van bovenstaande een materiële schadevergoeding van € 2.447,-. Dit bedrag bestaat uit € 2.278,- aan loonderving en € 169,- aan reiskosten. Ter onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding heeft de cliënt verscheidene documenten overgelegd.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
1) Tegenstrijdige communicatie over de (reden van) beëindiging van de behandeling
De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat de cliënt vanaf de start van de behandeling wist dat de GIT-PD behandeling maximaal 18 maanden zou duren. Dit is bij de intake en gedurende de behandeling steeds besproken met de cliënt. De behandelduur staat ook op de website en cliënten krijgen hierover een folder uitgereikt. Dat de behandeling in april 2014 eindigde is dan ook in lijn geweest met het voorgenomen behandelprogramma en de verwachtingen daaromtrent. In september 2023 vinden reeds de eerste gesprekken plaats over de eindigheid van de behandeling, hetgeen een terugkerend thema is gedurende de rest van de behandeling. Daarnaast was sprake van een veranderende behandelindicatie waarbij het vervolg meer op rehabilitatie en sociaal functioneren gericht zou moeten zijn, waar juist [thuiszorgorganisatie] in gespecialiseerd is. De cliënt heeft ook akkoord gegeven voor de inhoud van de verwijsbrief van 12 februari 2024. De zorgaanbieder verzoekt dit klachtonderdeel ongegrond te verklaren.
2) Vasthouden aan beëindiging behandeling ondanks crisissituatie
De zorgaanbieder is van mening dat zij goede zorg heeft verleend en zorgvuldig is omgegaan met de suïcidale gedachtes van de cliënt. Daarbij merkt zij allereerst op dat het ontstaan van een (dreigende) crisissituatie op zichzelf geen reden is dezelfde behandeling te continueren. De behandelaren van de zorgaanbieder hebben veel aandacht gehad voor de situatie van de cliënt. Daarbij is steeds adequaat gereageerd op de signalen van de cliënt. Behandelaren hebben de doorverwijzing naar [thuiszorgorganisatie] tot stand gebracht hetgeen middels een warme overdracht heeft plaatsgevonden. Tevens is een uitgebreide melding gedaan bij de crisisdienst waarbij ook een crisisplan is opgesteld. Vanwege de aanhoudende onvrede van de cliënt over de beëindiging van zijn behandeling bij de zorgaanbieder, is er een second opinion aangevraagd. Dit advies bevestigde de lijn die door de zorgaanbieder was ingezet om de lopende behandeling af te ronden. Er was vanuit de zorgaanbieder geen indicatie om de gestarte GIT-PD behandeling te continueren. Met toestemming van de cliënt is de doorverwijzing naar [thuiszorgorganisatie] geregeld. De zorgaanbieder stelt dat er aldus zorgvuldig is gehandeld, en verzoekt dit klachtonderdeel ongegrond te verklaren.
3) Het doorzetten van de overdracht tijdens een crisissituatie
De zorgaanbieder is van mening dat een crisissituatie op zichzelf geen reden is om de behandeling GIT-PD te continueren. Ondanks dat de cliënt moeite had met de beëindiging van de behandeling bij de zorgaanbieder en het aangaan van een nieuwe behandeling bij [thuiszorgorganisatie], is de continuïteit van zorg nooit in het geding geweest. De behandelaren van de zorgaanbieder hebben de cliënt zoveel mogelijk ondersteund en geholpen in de moeilijkheden die hij ervoer ten aanzien van het beëindigen van de behandeling. Het idee was om zoveel mogelijk in samenspraak met de cliënt toe te werken naar een doorverwijzing.
Na signalen vanuit de cliënt heeft de psychiater van de zorgaanbieder de suïcidaliteit van de cliënt op 5 april 2024 ingeschat als acuut ambivalent en op de middellange termijn als verhoogd als afgezien zou worden van het beëindigen van afstand. Op 11 april 2024 heeft de gz-psycholoog ook stilgestaan bij de suïcidaliteit van de cliënt. Tijdens een consult met de gz-psycholoog op 19 april 2024 is eveneens aandacht geweest voor de suïcidaliteit van de cliënt. De gz-psycholoog heeft in dat consult de psychiater betrokken bij een suïcidebeoordeling, waarbij ook de cliënt is betrokken ten behoeve van het maken van keuzes ten aanzien van suïcidepreventie. De gz-psycholoog heeft vervolgens een vooraanmelding bij de crisisdienst gedaan, zodat de cliënt via de HAP contact kan opnemen als het niet goed gaat met hem. De cliënt heeft daarbij aangegeven zelf aan de bel te kunnen trekken. Daarnaast heeft de gz-psycholoog de cliënt geïnformeerd over de verschillende manieren om hulp in te schakelen via de HAP/crisisdienst, 113 online en tijdens kantooruren met de zorgaanbieder. Hierna is door de gz-psycholoog uit eigen beweging meermalen contact opgenomen met de cliënt om te informeren hoe het met hem gaat. Op 26 april 2024 heeft vervolgens een warme overdracht plaatsgevonden.
Gelet op het voorgaande is de zorgaanbieder van mening dat zij zorgvuldig heeft gehandeld met betrekking tot de signalen over de (crisis)situatie van de cliënt. Behandelaren hebben steeds oog gehad voor de moeilijkheden die de cliënt heeft ervaren ten aanzien van het beëindigen van de behandeling, terwijl er ook veel aandacht is geweest voor een prettige en warme overdracht naar [thuiszorgorganisatie]. De zorgaanbieder verzoekt ook dit klachtonderdeel ongegrond te verklaren.
4) Schadelijke uitvoering van de klachtenprocedure
De zorgaanbieder stelt primair dat de commissie niet bevoegd is om een oordeel te geven over dit klachtonderdeel. Het klachtonderdeel ziet namelijk niet op een gedraging in het kader van de zorgverlening, maar uitsluitend op gedragingen in het kader van de klachtenbehandeling. Naar de mening van de zorgaanbieder is dit geen klachtgrond waarover de commissie een oordeel kan geven, gelet op het bepaalde in artikel 14 lid 1 Wkkgz en artikel 3 van het reglement van de commissie.
Subsidiair stelt de zorgaanbieder dat de klachtenprocedure in alle zorgvuldigheid is doorlopen, en dat de cliënt alle ruimte heeft gekregen om zijn klachten te bespreken. Na het ontvangen van de klacht over het beleid rondom het afronden van de behandeling is gepoogd het beleid uit te leggen aan de cliënt. Er is een schriftelijke reactie gestuurd, een bemiddelingsgesprek gepland, een second opinion uitgevoegd met twee gesprekken en er is een afsluitend gesprek aangeboden met de oud-behandelaar van de cliënt. Als sluitstuk van de klachtenprocedure heeft de directie van de zorgaanbieder een oordeel gegeven over de klachtgronden. De zorgaanbieder verzoekt dan ook subsidiair dit klachtonderdeel ongegrond te verklaren.
Verzoek tot schadevergoeding
De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat voor een recht op schadevergoeding ten minste is vereist dat vast is komen te staan dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar tekort is geschoten in de zorg richting de cliënt, en er een causaal verband bestaat tussen het handelen door de zorgaanbieder en de schade die door de cliënt wordt gevorderd. Gelet op al het voorgaande is de zorgaanbieder van mening dat niet is gebleken van toerekenbare tekortkomingen in de geleverde zorg aan de cliënt. Een recht op schadevergoeding ontbreekt derhalve. De zorgaanbieder verzoekt de commissie het verzoek tot schadevergoeding af te wijzen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 BW). Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
De verplichting die voor een hulpverlener voortvloeit uit een zorgovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting waarbij de hulpverlener zich verplicht voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken als komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
De klacht
De klacht van de cliënt valt in vier klachtonderdelen uiteen: vasthouden aan beëindiging behandeling ondanks crisissituatie, het doorzetten van de overdracht tijdens een crisissituatie, tegenstrijdige communicatie over de (reden van) beëindiging van de behandeling en schadelijke uitvoering van de klachtenprocedure.
De commissie bespreekt deze klachtonderdelen hierna afzonderlijk.
De beoordeling
1) Vasthouden aan beëindiging behandeling ondanks crisissituatie
De cliënt stelt dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld door de beëindiging van de behandeling door te zetten terwijl sprake was van een crisissituatie. Naar het oordeel van de commissie kan deze klacht niet slagen. De zorgaanbieder heeft in haar verweer voldoende aannemelijk gemaakt dat het ontstaan van een (dreigende) crisissituatie op zichzelf geen reden is om dezelfde behandeling te continueren. De overwegingen van de zorgaanbieder om de behandeling niet te continueren en de cliënt door te verwijzen naar [thuiszorgorganisatie] kan de commissie goed volgen. Uit de voorhanden zijnde stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de zorgaanbieder oog heeft gehad voor de problemen waarmee de cliënt kampte en heeft gepoogd passende vervolgzorg te organiseren toen de beëindiging van de behandeling in zicht kwam. Dat de beëindiging van de behandeling zorgde voor forse spanning en emoties bij de cliënt, heeft de zorgaanbieder erkend. De commissie is van oordeel dat hier door de zorgaanbieder op adequate wijze op is gereageerd. Gelet op het voorgaande is de commissie dan ook van oordeel dat de zorgaanbieder niet onzorgvuldig heeft gehandeld.
2) Het doorzetten van de overdracht tijdens een crisissituatie
De cliënt stelt dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld met het doorzetten van de overdracht naar [thuiszorgorganisatie] terwijl sprake was van een crisissituatie. Naar het oordeel van de commissie kan deze klacht niet slagen. De zorgaanbieder heeft in haar verweer voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, gedurende de periode dat de behandeling bij de zorgaanbieder feitelijk was beëindigd en de overdracht naar [thuiszorgorganisatie] was gerealiseerd, op adequate wijze heeft gereageerd op de noodsignalen van de cliënt. In het bijzonder is relevant dat de zorgaanbieder op het moment dat de gz-psycholoog signalen kreeg van de cliënt dat er sprake was van suïcidaliteit, de psychiater heeft betrokken bij het maken van een crisisbeoordeling. Bovendien heeft er een vooraanmelding plaatsgevonden bij (naam zorgaanbieder), en is er herhaaldelijk door de zorgaanbieder contact opgenomen met de cliënt om te informeren naar zijn situatie. Daarbij heeft de zorgaanbieder de cliënt ook geïnformeerd over de mogelijkheden om contact op te nemen met de crisisdienst, 113 online en de zorgaanbieder zelf tijdens kantooruren. Dit heeft de zorgaanbieder gedaan tot het moment dat de warme overdracht plaatsvond met [thuiszorgorganisatie]. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder hiermee heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend zorgverlener mag worden verwacht. Dat sprake was van een gebrek aan zorgcontinuïteit is niet gebleken. De zorgaanbieder is actief betrokken gebleven bij de cliënt tot het moment dat sprake was van de overdracht naar [thuiszorgorganisatie]. De commissie is dan ook van oordeel dat de zorgaanbieder zorgvuldig heeft gehandeld. Derhalve is klachtonderdeel 2 ongegrond.
3) (Tegenstrijdige) communicatie over de (reden van) beëindiging van de behandeling
De cliënt stelt dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van de communicatie over de beëindiging van de behandeling. De commissie is van oordeel dat deze klacht van de cliënt slaagt. Uit de voorhanden zijnde stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de beëindiging van de behandeling voor de cliënt als een verrassing kwam. De zorgaanbieder stelt dat de behandelduur van 18 maanden al bij de intake besproken is, en voorts op de website en in een uitgereikte folder staat. Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder zich er onvoldoende van vergewist of de cliënt zich realiseerde dat de behandeling maximaal 18 maanden zou duren. Niet is gebleken dat de zorgaanbieder op regelmatige basis, vanaf de start van de behandeling, middels evaluatiemomenten met de cliënt de voortgang van de behandeling en in dat kader de behandelduur heeft besproken. Pas op 18 september 2023 is voor het eerst gemeld dat de behandeling zou eindigen over zes maanden. Deze gang van zaken getuigt naar het oordeel van de commissie van onzorgvuldig handelen. Ook ten aanzien van de reden van beëindiging van de behandeling heeft de zorgaanbieder naar het oordeel van de commissie onzorgvuldig gehandeld. Derhalve is klachtonderdeel 3 gegrond.
4) Schadelijke uitvoering van de klachtenprocedure
Voordat de commissie dit klachtonderdeel inhoudelijk kan beoordelen, dient zij te beslissen op de door de zorgaanbieder opgeworpen vraag of de commissie bevoegd is te oordelen over dit klachtonderdeel.
De commissie heeft tot taak geschillen tussen de cliënt en de zorgaanbieder te beslechten voor zover deze betrekking hebben op de totstandkoming of uitvoering van een gesloten behandelovereenkomst tussen de cliënt en de zorgaanbieder. Ingevolge artikel 14 lid 1 van de Wkkgz, in samenhang met artikel 3 van het reglement van de commissie kan schriftelijk een klacht worden ingediend door de cliënt over een gedraging jegens hem in het kader van de zorgverlening.
Klachtonderdeel 4 ziet op de interne klachtenprocedure naar aanleiding van de klachten van de cliënt en het oordeel van de klachtencommissie. De commissie is met de zorgaanbieder van oordeel dat de klachten niet zien op een gedraging van de zorgaanbieder in het kader van de zorgverlening. Niet is gebleken dat de interne klachtenprocedure met betrekking tot de klachten van de cliënt in strijd is met de bepalingen in de Wkkgz. De commissie is niet bevoegd een inhoudelijk oordeel te geven over de werkwijze van de klachtencommissie en de inhoud van haar oordeel. De commissie zal zich daarom onbevoegd verklaren ter zake van dit klachtonderdeel.
Verzoek tot schadevergoeding
De commissie heeft geoordeeld dat de klacht (enkel) ten aanzien van de (tegenstrijdige) communicatie gegrond is. De commissie is van oordeel dat er geen causaal verband bestaat tussen het onzorgvuldige handelen van de zorgaanbieder op dit punt en de door de cliënt gevorderde schadevergoeding. Om die reden zal de commissie de vordering afwijzen. Omdat de klacht van de cliënt deels gegrond is verklaard, zal de commissie wel bepalen dat het door hem betaalde klachtengeld door de zorgaanbieder aan hem dient te worden vergoed.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart klachtonderdeel 1 en 2 ongegrond;
– verklaart klachtonderdeel 3 gegrond;
– verklaart zich onbevoegd ten aanzien van klachtonderdeel 4;
– wijst het verzoek tot schadevergoeding af;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies een bedrag van € 52,50 aan de cliënt dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;
– overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. dr. B. Wallage, voorzitter, de heer drs. D.J.L. Jonker, mevrouw E.M. van den Berg, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. K.E. Heins, secretaris, op 16 maart 2026.