Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: Kwaliteit zorgverlening
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1150755/1298793
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een patiënt diende een klacht in tegen Tergooi omdat hij na een hartklepoperatie te snel uit het ziekenhuis zou zijn ontslagen. Volgens hem werd er daarna ook geen tijdige controleafspraak gepland en werd zijn hulpvraag onvoldoende serieus genomen toen hij later telefonisch contact opnam. Hij stelde dat zijn gezondheid daardoor verslechterde en dat complicaties eerder hadden kunnen worden ontdekt. Het ziekenhuis gaf aan dat de patiënt na de operatie goed herstelde en zelf graag naar huis wilde. Daarom werd hij op 3 februari 2024 ontslagen. De commissie stelde vast dat het ontslag inderdaad eerder plaatsvond dan volgens het eigen beleid van het ziekenhuis gebruikelijk is, omdat er geen beoordeling door een fysiotherapeut had plaatsgevonden. Volgens de commissie was dit in strijd met de interne werkwijze van het ziekenhuis. Tegelijkertijd oordeelde de commissie dat het ontslag medisch gezien niet onverantwoord was en dus niet in strijd met de professionele standaard. Ook kon niet worden vastgesteld dat het ziekenhuis de hulpvraag van de patiënt later had genegeerd of dat de controleafspraak onzorgvuldig was gepland. Daarom werd de klacht ongegrond verklaard. Wel oordeelde de commissie dat het ziekenhuis onvoldoende transparant was geweest over het afwijken van het eigen beleid. Om die reden moet het ziekenhuis het betaalde klachtengeld van €52,50 aan de patiënt vergoeden.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)en
Stichting Tergooi, gevestigd te Hilversum
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 11 november 2025 te Utrecht.
De cliënt is verschenen samen met [naam]. Namens de zorgaanbieder zijn verschenen [naam], gemachtigde, [naam], jurist en [naam], cardioloog.
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van zorgverlening door de zorgaanbieder.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat hij na een operatie, waarbij een hartklep is vervangen, te snel naar huis is gestuurd. Er werd niet tijdig een controleafspraak ingepland en nadat hij zelf telefonisch contact had gezocht met de zorgaanbieder werd hij niet toegelaten voor controle, waarna zijn toestand verslechterde. De cliënt stelt dat zijn hulpvraag beantwoord had moeten worden door hem op te roepen voor een vroegtijdig consult/onderzoek. Indien hij direct na zijn hulpvraag was gezien, was er een diagnose gevolgd en een behandeling. Het herstelproces had er dan anders uitgezien en complicaties waren vroegtijdig herkend. De cliënt wil primair graag erkenning, maar hij behoudt zich het recht voor om later afhankelijk van de uitspraak van de commissie, via de civiele weg alsnog een vordering in te dienen.
De cliënt brengt in deze procedure uitdrukkelijk geen schadevergoedingsverzoek in.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
Ten aanzien van de klacht over het snelle ontslag merkt de zorgaanbieder op dat, toen de cliënt na een operatie op 2 februari 2024 werd opgenomen bij de zorgaanbieder, sprake bleek van een ongecompliceerd beloop, waarbij de cliënt goed sliep, kon douchen, geremd moest worden in mobilisatie en zonder klachten kon traplopen. Ook gaf de cliënt zelf aan graag naar huis te willen. Hij werd daartoe gelet op het voorgaande in staat geacht en hij werd om die reden op 3 februari ontslagen. Hoewel het ontslag achteraf bezien aan de vroege kant was, betekent dit niet dat het ontslag medisch onverantwoord en/of onzorgvuldig is geweest.
Voor wat betreft het niet tijdig inplannen van een controle en het negeren van de hulpvraag van de cliënt toen hij zelf telefonisch contact opnam met de zorgaanbieder, stelt de zorgaanbieder dat dit verwijt geen doel treft. In het dossier is genoteerd dat een controleafspraak zou moeten worden gepland bij de Post Interventie Polikliniek. Toen de cliënt op 12 februari 2024 zelf contact opnam, bleek dat deze afspraak door drukte nog niet was ingepland, zodat werd getracht de afspraak te vervroegen. Helaas werd de cliënt tussentijds opgenomen op de spoedeisende hulp, zodat deze afspraak nooit heeft plaatsgevonden. De zorgaanbieder stelt dat de planning van de poliklinische follow-up na opname zozeer standaard en routine is dat als het spaak loopt sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden en/of overmacht. Dat kan worden beschouwd als een complicatie van de steeds ingewikkelder klinische zorg, maar is geen gevolg van onzorgvuldig handelen van de zorgaanbieder. Van het negeren van de hulpvraag van de cliënt is geen sprake geweest. De hulpvraag waarmee de cliënt belde werd beantwoord door de PIP-afspraak te vervroegen, zodat de vragen die de cliënt had konden worden beantwoord.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Beoordeling
De commissie beoordeelt de klacht aan de hand van de door de cliënt naar voren gebrachte klachtonderdelen. Deze klachtonderdelen betreffen 1) het te vroege ontslag na opname bij de zorgaanbieder en 2) het niet tijdig (binnen een week) zien van de cliënt na het ontslag en het negeren van de hulpvraag van de cliënt, nadat hij zelf telefonisch contact heeft opgenomen met de zorgaanbieder.
De cliënt heeft in de stukken en ter zitting aangegeven erkenning te willen van de door de zorgaanbieder gemaakte fouten en geen schadevergoeding te eisen.
1) Ontslag te snel
Uit de stukken blijkt dat de cliënt op 3 februari 2024, binnen 24 uur nadat hij bij de zorgaanbieder is opgenomen na een operatie op 30 januari 2024, is ontslagen. In de rapportage van de verpleegkundige dienst van 3 februari 2024 is aangegeven: “met dhr. trappen gelopen, in de loop van de middag met ontslag.”
Op 10 oktober 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden met de cliënt in het kader van zijn klachtbehandeling, waarbij de gang van zaken rond de opname na de operatie en het ontslag zijn besproken. In het gespreksverslag wordt aangegeven: “Ik bevestig dat het ontslag (te) vroeg is geweest, meestal staat hier minimaal 5 – 7 dagen voor en iemand na open hartoperatie ontslaan (zonder ook beoordeling van de fysiotherapeut), is niet onze standaard van werken en dit had ook niet mogen gebeuren. We hebben dat ook op de laatste vakgroep vergadering plenair besproken en hier was de gehele vakgroep het mee eens. We betreuren het dan ook dat dit zo is gelopen en zullen er weer extra alert op zijn dat dit niet in de toekomst nog eens zal gebeuren.”
Vervolgens wordt, naar aanleiding van een door de cliënt ingediende aansprakelijkheidstelling, in de brief van Medirisk aan de cliënt d.d. 15 april 2025 gesteld dat geen sprake is geweest van onzorgvuldig handelen ten aanzien van het ontslag van de cliënt op 3 februari 2024. In de brief van 15 april 2025 wordt aangegeven: “Iedere ontslagplanning is een individuele zaak. De patiënt moet het willen en moet het kunnen. Een belangrijk criterium daarbij is vaak trap kunnen lopen. Het oordeel van de fysiotherapeut is hierin essentieel. (….). Uit het medisch dossier volgt dat het op 3 februari 2024 goed met u gaat. Ook heeft u trapgelopen met de fysiotherapeut.“
In het verweerschrift dat namens de zorgaanbieder is ingediend wordt eveneens gesteld dat geen sprake is van onzorgvuldig handelen, althans dat de zorgaanbieder hiervan geen verwijt valt te maken. Hierin wordt niet meer benoemd dat sprake is geweest van traplopen in aanwezigheid van de fysiotherapeut, maar wordt slechts aangegeven dat de cliënt zonder klachten kon traplopen.
De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder heeft gehandeld in strijd met haar eigen richtlijnen door de cliënt zonder beoordeling van een fysiotherapeut te ontslaan, terwijl de zorgaanbieder zelf aangeeft dat het oordeel van de fysiotherapeut nodig is bij die beoordeling. Ook acht de commissie het tegenstrijdig dat Medirisk namens de zorgaanbieder stelt dat de cliënt heeft trapgelopen met de fysiotherapeut. Uit het gespreksverslag van 10 oktober 2024 blijkt zonder meer dat dit niet het geval is geweest. In dit gesprek is juist erkend dat dit niet goed is gegaan.
De commissie begrijpt niet waarom vervolgens in de brief van Medirisk van 15 april 2025 en in het verweerschrift niet langer wordt erkend dat op dit punt niet overeenkomstig het eigen beleid van de zorgaanbieder is gehandeld. Het was zorgvuldig geweest indien zonder meer was erkend dat hierin niet conform het eigen beleid was gehandeld en de cliënt op dit punt van de zorgaanbieder erkenning had gekregen. Juist door in de brief van 15 april 2025 en in het verweerschrift hierover niet helder (en transparant) te zijn en in de brief van 15 april 2025 zelfs onjuiste informatie te geven door te stellen dat de cliënt is gezien door de fysiotherapeut, heeft de cliënt het gevoel gekregen niet gehoord te worden. De commissie is de mening toegedaan, gelet ook op hetgeen ter zitting is besproken, dat een expliciete erkenning van de zorgaanbieder, in plaats van juridisering van de zaak, wellicht al voldoende was geweest voor de cliënt om de zaak te kunnen laten rusten. Door deze erkenning niet te geven, heeft de cliënt aanleiding gezien de klacht verder door te zetten. De commissie meent dat de zorgaanbieder er daarom beter aan had gedaan te constateren, ook in de afhandeling van de aansprakelijkstelling en bij de behandeling van het geschil, dat er is gehandeld in strijd met eigen richtlijnen bij het ontslag van de cliënt doordat geen beoordeling van de fysiotherapeut heeft plaatsgevonden.
Overigens merkt de commissie op dat deze constatering geenszins betekent dat de complicaties die bij de cliënt zijn ontstaan in de periode na zijn ontslag te wijten zijn of veroorzaakt zijn door de geconstateerde onzorgvuldigheid bij het ontslag. Dit wordt door de cliënt zelf ook aangegeven, nu hij stelt dat dit een regulier risico is na elke ingreep. De commissie is met klager van oordeel dat de complicatie die is opgetreden bij de cliënt niet te wijten is aan onzorgvuldig handelen door de zorgaanbieder en de zorgaanbieder evenmin rekening had hoeven of kunnen houden met een dergelijke complicatie.
Concluderend is de commissie ten aanzien van het ontslag van de cliënt van oordeel dat, gelet op de fysieke gesteldheid van de cliënt op 3 februari 2024 en zijn wens om naar huis te mogen, begrijpelijk is dat de zorgaanbieder de cliënt heeft ontslagen. Wel is bij de beoordeling van het ontslag door de aanbieder gehandeld in strijd met eigen richtlijnen doordat geen beoordeling door een fysiotherapeut heeft plaatsgevonden, terwijl dit wel de werkwijze van de zorgaanbieder is.
Het voorgaande maakt niet dat het klachtonderdeel gegrond is; in die zin dat door de zorgaanbieder is gehandeld in strijd met het goed hulpverlenerschap. De commissie komt namelijk tot het oordeel dat het verplicht betrekken van een fysiotherapeut geen vast onderdeel is van een ontslagbeoordeling op basis van de professionele standaard en dit een werkwijze is van de zorgaanbieder. Ook zonder fysiotherapeut kan in beginsel worden beoordeeld of een cliënt medisch gezien verantwoord uit het ziekenhuis kan worden ontslagen. De commissie komt kortom tot de beoordeling dat – ondanks dat het eigen beleid niet (volledig) is gevolgd – geen sprake is van medisch onverantwoord handelen.
2) Geen controle binnen een week na ontslag en het negeren van de hulpvraag van de cliënt
In het medisch dossier is op 3 februari 2024 het volgende aangegeven: Vervolg afspraak: 1 week, PIP.
Door de zorgaanbieder is aangegeven dat het niet is gelukt de afspraak binnen of kort na één week na het ontslag in te plannen.
Ter zitting werd toegelicht dat de termijn van een week bijna nooit gehaald wordt en het gebruikelijk is dat tussen 1 à 2 weken een controle plaatsvindt. Nadat de cliënt zelf op 12 februari 2024 telefonisch contact heeft opgenomen met de zorgaanbieder is de controle ingepland voor 22 februari 2024.
Deze afspraak is later gecanceld omdat de cliënt zich op 15 februari 2024 op de Spoed Eisende Hulp heeft gemeld en is opgenomen. De cliënt meent dat tijdens het gesprek op 12 februari 2024 niet goed is ingeschat door de zorgaanbieder wat de situatie was en er direct door de zorgaanbieder gehandeld had moeten worden. De cliënt stelt dat de hulpvraag die hij had op dat moment is genegeerd.
De zorgaanbieder stelt dat uit het telefoongesprek op 12 februari 2024 niet duidelijk is geworden dat het steeds slechter ging met de cliënt. De cliënt heeft in dit gesprek vooral aangegeven dat hij zich niet goed begeleid voelde en dat de medicatie niet goed ging. Hetgeen de cliënt aangaf, was voor de zorgaanbieder geen reden om de cliënt op dat moment te zien. Omdat er inmiddels een PIP-afspraak was gemaakt, was het voornemen om de klachten van de cliënt dan te bespreken.
De commissie is van oordeel dat uit de bovengenoemde gang van zaken niet kan worden afgeleid dat sprake is van onzorgvuldig handelen door de zorgaanbieder. Dat het niet is gelukt om een week na ontslag de controle in te plannen, maakt dit niet anders. De cliënt is tussentijds gezien door zijn huisarts en hij heeft ook zelf telefonisch contact opgenomen met de zorgaanbieder. In beide contacten heeft de cliënt kennelijk niet aangegeven dat het dusdanig slecht met hem ging dat medisch handelen noodzakelijk was. De cliënt heeft ter zitting ook beaamd dat hij niet snel klaagt en het dus waarschijnlijk niet duidelijk was dat het niet goed met hem ging. De commissie is daarom van oordeel dat niet gesteld kan worden dat de hulpvraag van de cliënt is genegeerd, maar veeleer dat de hulpvraag niet duidelijk genoeg is geweest. De commissie merkt in zijn algemeenheid op dat hieruit lering kan worden getrokken voor de zorgaanbieder door bij telefonische contacten met een patiënt goed door te vragen wat de exacte reden van het contact is; bij de cliënt was dit niet primair het uiten van een klacht jegens de zorgaanbieder maar zijn verslechterende toestand.
Klachtgeld
Alhoewel de klacht ongegrond wordt verklaard constateert de commissie wel dat door de zorgaanbieder op een onderdeel onzorgvuldig is gehandeld, namelijk door in strijd met de eigen richtlijnen geen fysiotherapeut in te zetten bij de ontslagbeoordeling en vervolgens daarover niet transparant te zijn. Om die reden oordeelt de commissie dat de zorgaanbieder naar redelijkheid het klachtgeld van klager dient te vergoeden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht ongegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder aan de cliënt vergoedt het door hem betaalde klachtengeld van € 52,50.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. dr. B. Wallage, voorzitter, mevrouw dr. M.H. van Wely, de heer mr. M.H.J.N. van Berckel Smit, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 11 november 2025.