Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: Communicatie
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
948927/1141746
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De volledige uitspraak
in het geschil tussen,
[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de klaagster)en
Maastricht Universitair Medisch Centrum+, gevestigd te Maastricht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 24 november 2025 te Utrecht.
Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Namens de zorgaanbieder zijn verschenen [naam], jurist en [naam], oncoloog.
De klaagster is niet ter zitting verschenen. Bij aanvang van de zitting is telefonisch contact opgenomen met de klaagster om te informeren naar haar komst. Hierbij is gesproken met haar zoon, tevens vertegenwoordiger van de klaagster, die aangaf dat hij noch zijn moeder op de hoogte waren van de zitting. De zitting is geschorst teneinde na te gaan of de klaagster op een juiste wijze is opgeroepen. Gebleken is dat de uitnodiging voor de zitting op 4 november 2025 per e-mail is verstuurd aan het e-mailadres dat van de klaagster bij de commissie bekend is en waarmee vaker met de klaagster is gecorrespondeerd. Hierna is opnieuw is telefonisch contact opgenomen met de zoon van de klaagster. Hij heeft bevestigd dat dit het juiste e-mailadres is, maar dat geen uitnodiging is ontvangen. Het aanbod is gedaan om telefonisch aan de zitting deel te nemen. De zoon heeft namens de klaagster aangegeven hiervan geen gebruik te willen maken, omdat zij niet voldoende op de zitting waren voorbereid. Nu de klaagster op een juiste manier is opgeroepen ter zitting te verschijnen en zij in de gelegenheid is gesteld alsnog telefonisch aan de hoorzitting deel te nemen en de zorgaanbieder wel ter zitting is verschenen en heeft aangegeven groot belang te hechten aan het doorgaan van de mondelinge behandeling, heeft de commissie besloten de hoorzitting doorgang te laten vinden. Dit is meegedeeld aan de zoon van de klaagster.
Onderwerp van het geschil
Het geschil heeft betrekking op de handelswijze en communicatie van de arts van de zorgaanbieder rondom de wijziging van de reanimatiestatus van de echtgenoot van de klaagster en op de gevolgde interne klachtenprocedure.
Standpunt van de klaagster
Voor het standpunt van de klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
De betreffende arts van de zorgaanbieder heeft op 23 september 2023 onverwachts de kamer van de echtgenoot van de klaagster betreden en op een zakelijke en kwetsende manier meegedeeld dat zij een besluit had genomen over het niet-reanimeren beleid. Er was geen ruimte voor overleg, het stellen van vragen of verdere toelichting. De klaagster had de arts niet eerder ontmoet en zij was ook niet de hoofdbehandelaar of behandelend arts tijdens de opname. De klaagster heeft een klacht over deze handelwijze ingediend bij de interne klachtencommissie, waar communicatieproblemen ontstonden.
Zo werd het tijdstip van de zitting niet tijdig gecommuniceerd, waardoor alleen de zoon van de klaagster bij de zitting aanwezig kon zijn. Kort voor de zitting bleek dat ook de behandelend arts werd uitgenodigd.
Dit bevreemdde de klaagster, nu de behandelend arts in eerste instantie niet op de hoogte was van de situatie. Hierdoor leek het alsof deze arts de zorgaanbieder ging verdedigen. Met deze informatie was het voor de klaagster essentieel aanwezig te kunnen zijn bij de zitting. Daarom is de klachtencommissie verzocht de zitting uit te stellen, maar de klachtencommissie heeft dit geweigerd. Gezien de hele gang van zaken is het vertrouwen van de klaagster in een eerlijke klachtbehandeling door de klachtencommissie ernstig geschaad. De klaagster heeft als gevolg van de klacht immateriële schade geleden.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
De zorgaanbieder heeft de klacht van de klaagster ingedeeld in twee klachtonderdelen, klachtonderdeel A ziet op het handelen van de arts van de zorgaanbieder en klachtonderdeel B op de interne klachtencommissie van de zorgaanbieder.
Wat betreft klachtonderdeel A stelt de zorgaanbieder dat de klaagster bij het regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Hertogenbosch een tuchtklacht heeft ingediend tegen de arts. Het klaagschrift bij de commissie is vrijwel identiek aan dat bij het Tuchtcollege. Het Tuchtcollege heeft de klacht reeds beoordeeld en kennelijk ongegrond verklaard. Deze uitspraak is onherroepelijk. De zorgaanbieder meent daarom dat de klaagster geen redelijk belang meer heeft bij verdere beoordeling van dit klachtonderdeel en stelt dat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Mocht de commissie hieraan voorbijgaan, dan stelt de zorgaanbieder dat de arts zorgvuldig heeft gehandeld. Er is geen sprake geweest van een tekortkoming in de zorgverlening. De arts betreurt het dat de klaagster niet in gesprek wilde gaan tijdens het mondeling vooronderzoek, omdat een persoonlijk gesprek mogelijk had bijgedragen aan een goede afwikkeling van de klacht.
Ten aanzien van klachtonderdeel B stelt de zorgaanbieder dat dit onderwerp buiten de bevoegdheid van de commissie valt, omdat het niet gaat om een gedraging in het kader van zorgverlening, maar om de behandeling van een klacht. Mocht de commissie zich toch bevoegd achten, dan stelt de zorgaanbieder dat de klachtencommissie redelijk heeft gehandeld en dit klachtonderdeel ongegrond is.
Gelet op het voorgaande verzoekt de zorgaanbieder de commissie om het verzoek tot schadevergoeding af te wijzen. Bovendien is het verzoek tot schadevergoeding niet nader geconcretiseerd, gespecificeerd en onderbouwd, zodat deze vordering enkel om die reden niet kan worden toegewezen.
Beoordeling van het geschil
Ontvankelijk
De zorgaanbieder heeft een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van de klaagster voor wat betreft klachtonderdeel A, aangezien hierover reeds door de Tuchtcommissie uitspraak is gedaan. Zij heeft daarom, zo stelt de zorgaanbieder, geen belang meer bij een uitspraak van de commissie.
De commissie stelt voorop dat de beoordelingskaders van een tuchtprocedure en een geschillenprocedure wezenlijk van elkaar verschillen. In een tuchtprocedure staat uitsluitend het professioneel handelen van de individuele zorgverlener centraal. Het tuchtrecht is gericht op het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening en toetst derhalve of de zorgverlener heeft gehandeld in overeenstemming met de geldende professionele normen en wettelijke verplichtingen. De tuchtrechter beoordeelt niet het handelen van de zorgaanbieder als organisatie en kent geen schadevergoeding toe.
In een geschillenprocedure daarentegen toetst de commissie een bredere rechtsverhouding tussen de cliënt en de zorgaanbieder. De commissie beoordeelt daartoe of de zorgaanbieder, waaronder mede begrepen diens medewerkers, heeft gehandeld conform de geneeskundige behandelingsovereenkomst, de toepasselijke wet- en regelgeving en de eisen van redelijkheid en billijkheid. Daarbij kunnen zowel de kwaliteit van de geleverde zorg, de communicatie en dossiervoering als het klachten- en schadeafwikkelingsproces worden betrokken. Anders dan het tuchtrecht kan de commissie tevens een oordeel geven over vorderingen tot schadevergoeding.
De commissie benadrukt dat het tuchtrecht en het geschillenrecht ieder een eigen doel, reikwijdte en maatstaf kennen. De beoordeling in deze procedure vindt dan ook plaats binnen het civielrechtelijk en contractueel kader dat voor geschillencommissies geldt en niet binnen het tuchtrechtelijke kader waarbinnen de eerder gevoerde tuchtprocedure heeft plaatsgevonden.
Gelet hierop gaat de commissie voorbij aan het beroep tot niet-ontvankelijkverklaring van de zorgaanbieder en zal overgaan tot een inhoudelijke behandeling van klachtonderdeel A.
Bevoegdheid
Wat betreft klachtonderdeel B stelt de zorgaanbieder dat de commissie niet bevoegd is ten aanzien van het functioneren van de klachtencommissie van de zorgaanbieder, omdat het niet gaat om een gedraging in het kader van zorgverlening. De commissie overweegt dat het handelen van de klachtencommissie moet worden aangemerkt als handelen dat plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder.
De Wkkgz legt de verplichting tot het inrichten en uitvoeren van een zorgvuldige klachtenbehandeling bij de zorgaanbieder neer. Dat de feitelijke beoordeling (deels) wordt verricht door een klachtencommissie doet aan die verantwoordelijkheidsverdeling niet af. Eventuele tekortkomingen in de klachtenafhandeling komen daarom voor rekening en risico van de zorgaanbieder.
De commissie verklaart zich bevoegd klachtonderdeel B te behandelen en zal overgaan tot een inhoudelijke beoordeling.
Inhoudelijk
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Onder ‘cliënt‘ wordt gelet op het reglement van de commissie tevens begrepen de nabestaande van een overleden cliënt.
Klachtonderdeel A betreft de wijze van communiceren door de arts van de zorgaanbieder over de wijziging van de NR-status van de echtgenoot van de klaagster.
Zoals is toegelicht door de zorgaanbieder ter zitting en uit het verweerschrift is af te leiden is de echtgenoot van de klaagster op 22 september 2023 opgenomen bij de zorgaanbieder met een sepsis. De arts van de zorgaanbieder werd er vanuit de eerste hulp op gewezen dat er bij de patiënt nog geen behandelafspraken ten aanzien van reanimatie en eventuele IC opname waren gemaakt. Gezien de situatie en de reële mogelijkheid van acute verslechtering gedurende deze opname kon het gesprek ten aanzien van behandelbeperkingen niet wachten tot na het weekend. Daarom is de arts als dienstdoend oncoloog tijdens de weekendvisite het gesprek aangegaan. De arts stelt dat een acute presentatie op de SEH bij een patiënt waar zich mogelijk een complicatie voor kan doen een situatie is waarbij kritisch nagedacht moet worden over het zinvol zijn van eventuele behandelingen en dit dient met patiënt besproken te worden.
De arts heeft ter zitting aangegeven dat een dergelijk gesprek bij voorkeur op de polikliniek door de behandelend oncoloog wordt gevoerd, daar deze (de context van) de patiënt het beste kent. Dit is ook de afspraak binnen het team van de zorgaanbieder. Soms gebeurt dit door omstandigheden niet en zal in een acute situatie alsnog een afweging gemaakt moeten worden. De arts stelt dat dit soort belangrijke beslissingen bij voorkeur samen met de patiënt genomen dienen te worden, waarbij het echter wel zo is dat het besluit tot niet reanimeren ook een besluit op medische gronden kan zijn, waarbij de arts dit besluit zelfstandig kan nemen.
De arts heeft desgevraagd ter zitting aangegeven voor wat betreft het verloop van het gesprek te moeten afgaan op haar aantekeningen en documentatie hiervan, aangezien zij zich het gesprek niet meer kan herinneren. Ze geeft aan dat dit anders zou zijn geweest indien de klaagster dan wel haar echtgenoot tijdens het gesprek bezwaren hadden geuit tegen haar wijze van communiceren of het gevolgde beleid.
De arts maakt uit de dossiervoering op dat zij met de patiënt en de klaagster het voorgestelde beleid besproken heeft en dat zij daarmee akkoord waren en dat het niet een mededeling c.q. eenzijdig besluit op medische gronden was. Er is geen notitie gemaakt van bezwaar tegen het voorgestelde NR-beleid.
De arts herkent zichzelf niet in de opmerking dat haar communicatie zakelijk en respectloos was zonder ruimte voor vragen, dit is niet hoe zij als zorgverlener te werk gaat. Wel geeft zij aan een directe communicatiestijl te hanteren en zij zich kan voorstellen dat dit door de klaagster en haar echtgenoot als sturend is ervaren. De arts geeft aan hierover graag in een eerder stadium het gesprek met de klaagster te zijn aangegaan. Dit is helaas door de klaagster afgewezen.
De commissie is gelet op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht van oordeel dat niet gesteld kan worden dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen door de (arts van de) zorgaanbieder. De stelling van de klaagster dat er geen sprake was van een acute noodsituatie en het daarom niet gerechtvaardigd was dat deze beslissing door de arts, die niet bekend was met het dossier en de patiënt nooit eerder had gezien of gesproken, volledig op eigen initiatief werd genomen, wordt weerlegd door de gegevens uit het medisch dossier en hetgeen hierover in het uitgebreide verweerschrift in de tuchtprocedure is gesteld, waaruit kan worden afgeleid dat wel degelijk sprake was van een situatie die het rechtvaardigde het gesprek aan te gaan over behandelbeperkingen. Dat de patiënt al acht keer eerder met spoed was opgenomen en daarbij niet is gesproken over behandelbeperkingen, maakt dit niet anders.
Evenmin heeft de klaagster aannemelijk kunnen maken dat de beslissing volledig op eigen initiatief van de arts is genomen. Er is overleg geweest met de dienstdoende internist op 22 september 2023, waarbij aanleiding werd gezien de indicatie van de behandelbeperking met de patiënt te bespreken.
Dat de patiënt niet heeft ingestemd met het NR-beleid, zoals door klaagster gesteld, is ook geen noodzakelijke voorwaarde. Het is een afweging van een arts om op basis van de medische gronden te besluiten tot een NR-beleid. Gelet op het gesprek dat de arts met de patiënt en de klaagster heeft gevoerd en waarbij geen bezwaar is gemaakt tegen het voorgestelde NR-beleid, mocht de arts ervan uitgaan dat de patiënt hiermee akkoord was. Over het feit dat in het dossier is aangegeven dat het NR-beleid op verzoek van de patiënt/de familie is geweest, is in de tuchtprocedure verklaard dat hiermee is bedoeld dat de patiënt akkoord is met de aanpassing van het reanimatiebeleid. Het was destijds op het door de zorgaanbieder gehanteerde formulier niet mogelijk dit anders te vermelden. Dit is inmiddels aangepast.
Dat deze formulering voor verwarring heeft gezorgd bij de klaagster acht de commissie voorstelbaar.
De commissie meent ook dat ‘toestemmen met’ en ‘op verzoek van’ niet hetzelfde zijn en niet als zodanig omschreven zouden moeten worden op het formulier. Dit is door de zorgaanbieder ook erkend en de formulering is inmiddels aangepast.
In het gesprek dat de patiënt op 26 september 2023 met zijn behandelend oncoloog heeft gevoerd is door de patiënt aangegeven dat de overwegingen van het NR-beleid begrepen worden. Wel is ook hier aangegeven dat de wijze waarop dit is besproken als te direct is ervaren, maar dat er bezwaren waren tegen het aanpassen van het reanimatiebeleid is hieruit niet af te leiden.
Gelet op de bovengenoemde punten is de commissie van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de arts haar zorgplicht heeft geschonden door haar wijze van communicatie met de patiënt en de klaagster. Dat de patiënt en de klaagster tijdens het gesprek bezwaren hebben geuit, zoals door klaagster gesteld, is niet aangetoond. Verder concludeert de commissie dat het niet-reanimeren beleid een juiste professionele afweging is geweest en de arts de patiënt en de klaagster hierover voldoende heeft geïnformeerd.
Dat de wijze van communicatie als onprettig is ervaren door de klaagster wil de commissie, in aanmerking nemende het soort gesprek dat het hier betrof, wel aannemen, maar de commissie kan zonder verdere onderbouwing van de stelling van de klaagster dat het gesprek zakelijk en kwetsend is geweest niet vaststellen dat de arts door haar manier van communiceren toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van haar zorgplicht.
Wat betreft klachtonderdeel B ten aanzien van de gevolgde interne klachtenprocedure richt de klacht zich erop dat de klachtencommissie de hoorzitting niet heeft willen verplaatsen, zodat klaagster hierbij aanwezig kon zijn. Klaagster had eerder aangegeven niet bij de zitting te zullen zijn – haar zoon zou haar vertegenwoordigen –, maar drie dagen voor de zitting werd in een gewijzigde uitnodiging meegedeeld dat ook de hoofdbehandelaar bij de zitting aanwezig zou zijn. Zijn aanwezigheid maakte het voor de klaagster cruciaal ook zelf bij de hoorzitting aanwezig te zijn. De klaagster verzocht de klachtencommissie om uitstel van de mondelinge behandeling wegens het binnen een onredelijk korte termijn verkrijgen van nieuwe informatie. Dit verzoek werd niet gehonoreerd.
De commissie acht dit klachtonderdeel ongegrond. Uit de stukken blijkt dat de klacht is ingediend door de zoon van klaagster. Uit de mailwisseling blijkt dat reeds op 27 januari 2025 bekend was dat de zitting op 14 februari 2025 zou worden gehouden. De zorgaanbieder geeft in de e-mail waarbij het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen aan dat de datum van 14 februari in onderling overleg bepaald is. Het feit dat drie dagen voor de zitting blijkt dat de hoofdbehandelaar meekomt, volgens de zorgaanbieder ter ondersteuning van de aangeklaagde arts, maakt dat de klaagster ook bij de zitting aanwezig wil zijn. Dat is haar goed recht, maar dat hoefde geen reden te zijn voor de klachtencommissie van de zorgaanbieder om de zitting hiervoor te verplaatsen.
Nu de klachten ongegrond worden verklaard komt de commissie aan beoordeling van de gevorderde immateriële schadevergoeding, naar redelijkheid en billijkheid, niet toe en dient de vordering reeds hierom te worden afgewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht ongegrond ten aanzien van de bejegening door de arts en het door haar aangepaste NR-beleid;
– verklaart de klacht ongegrond ten aanzien van de interne klachtafhandeling;
– wijst af het (niet gespecificeerde) verzoek om immateriële schadevergoeding.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer dr. J.D.M. Metzemaekers, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 24 november 2025.