Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg
Categorie: (Niet) Ontvankelijkheid
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: niet-ontvankelijkverklaring
Uitkomst: niet-ontvankelijk
Referentiecode:
1212036/1273912
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De moeder van klager is overleden. Volgens klager heeft de zorgaanbieder ten onrechte de diagnose gesteld dat de moeder terminaal was. Het gevolg van die diagnose was dat de moeder geen vocht meer kreeg toegediend. Volgens klager heeft de zorgaanbieder daarmee onzorgvuldig gehandeld. De commissie verklaart de klager niet-ontvankelijk in zijn klacht, omdat hij niet als wettelijk vertegenwoordiger kan worden aangemerkt van de moeder. De commissie mag dus formeel geen inhoudelijk oordeel geven over deze zaak. Toch heeft de commissie de zaak inhoudelijk beoordeeld en in een overweging ten overvloede kenbaar gemaakt dat de zorgaanbieder geen verwijt kan worden gemaakt.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)en
Zorgpartners Midden-Holland, gevestigd te Gouda
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Beoordeling
Wat aan het geschil vooraf is gegaan.
De moeder van klager was sinds 2017 bekend met Parkinson. Na het overlijden van de vader van klager is de moeder in het verzorgingstehuis van de zorgaanbieder opgenomen. Daar heeft ze gewoond tot haar overlijden. De moeder heeft zes kinderen. Twee van haar dochters waren eerste en tweede contactpersoon voor de zorgaanbieder.
Op 30 augustus 2024 heeft de arts de moeder onderzocht en vastgesteld dat sprake was van een terminale fase. Die situatie is door een andere arts met de dochter en klager besproken. Er is besloten om in te zetten op comfortbeleid, zonder vochttoediening.
Op 2 september 2024 is de moeder overleden.
De klacht van klager
Klager heeft vooral moeite met het besluit om de moeder geen vocht meer toe te dienen. In zijn visie had de arts de diagnose, dat sprake was van een terminale fase, niet mogen trekken op basis van het onvolledige onderzoek. Toen hij zijn zorgen uitsprak is wel meer diagnostiek verricht, maar de moeder kreeg op dat moment al geen vocht meer toegediend. Daardoor werd de verslechtering van de situatie van de moeder ten onrechte toegeschreven aan de eindfase van Parkinson, in plaats van aan vochtonthouding. Vanwege de levensbeschouwing van de moeder had niet mogen worden overgegaan op een beleid van vochtonthouding, zo stelt de klager. De zorgaanbieder heeft zich onvoldoende vergewist van deze wensen van de moeder.
De overwegingen van de commissie
De commissie verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klachten, omdat hij niet behoort tot de kring van personen die gerechtigd is een klacht over de zorgverlening aan de moeder in te dienen. Dat oordeel legt de commissie hierna uit.
De commissie is een geschilleninstantie, die door de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg is aangewezen om te oordelen over gedragingen van een zorgaanbieder in het kader van de zorgverlening aan de cliënt. Ook vertegenwoordigers of nabestaanden van de cliënt mogen over gedragingen jegens de cliënt klagen.
De commissie stelt voorop dat vaststaat dat klager niet als cliënt van de zorgaanbieder kan worden aangemerkt. Hij is ook geen wettelijk vertegenwoordiger, omdat er geen beschikking is van de kantonrechter waarin staat dat klager mentor of bewindvoerder was van de moeder. Er is ook geen sprake van een schriftelijke verklaring van de moeder waaruit blijkt dat klager is aangewezen om de belangen van de moeder betreffende haar gezondheid te behartigen. Klager kan dus niet als vertegenwoordiger van de moeder worden aangemerkt.
Toen de moeder achteruit ging eind augustus 2024, was zij niet meer wilsbekwaam. Dat heeft de zorgaanbieder vastgesteld. De zorgaanbieder moet volgens de wet bepalen jegens welke vertegenwoordiger van de moeder zij de verplichtingen uit de behandelingsovereenkomst nakomt (zie artikel 7:465 van het Burgerlijk Wetboek). Is er geen echtgenoot of levensgezel, en dienen zich vervolgens verschillende familieleden aan, dan zal de hulpverlener moeten kiezen. Dat heeft de zorgaanbieder gedaan door ruim vóór het overlijden van de moeder vast te leggen wie de eerste (en bij ontstentenis van de eerste: de tweede) contactpersoon van de moeder is. Dat was een dochter van de moeder, niet klager. Niet gebleken is dat klager daar op enig moment bezwaar tegen heeft gemaakt.
De zorgaanbieder heeft het comfortbeleid afgestemd met de dochter. Klager kan daarover dus niet een klacht indienen bij de commissie. Dat zou de eerste contactpersoon kunnen doen. Gesteld noch gebleken is dat klager deze procedure bij de commissie is gestart met instemming van de eerste contactpersoon. Daarom is klager niet-ontvankelijk in zijn klacht.
Ten overvloede.
De commissie is zich ervan bewust dat de uitkomst van deze zaak, een bindend advies waarin staat dat de commissie de klacht niet inhoudelijk beoordeelt, onbevredigend is voor klager als nabestaande. Daarom zal zij hierna uitleggen dat de klacht ongegrond zou zijn verklaard, als klager wél ontvankelijk was. Dat oordeel licht de commissie als volgt (kort) toe.
Als een behandeling niet (meer) in het belang is van de patiënt, is sprake van medisch zinloos handelen. Medisch zinloos handelen is niet toegestaan. Een medische behandeling moet altijd gerechtvaardigd kunnen worden. Die rechtvaardiging moet liggen in een bepaald belang voor de patiënt.
De zorgaanbieder heeft naar voren gebracht dat het toedienen van vocht in de situatie van de moeder een voorbeeld is van een medisch zinloze behandeling, die niet is toegestaan. Dat had zij dus nooit gedaan, ook niet als klager als (wettelijk) vertegenwoordiger van de moeder daarom had gevraagd. Klager is het met die stelling niet eens en is van mening dat enerzijds er onvoldoende diagnostiek is verricht door de arts en anderzijds dat de levensbeschouwing van de moeder had moeten meewegen. De commissie is van oordeel dat meer waarde toekomt aan het oordeel van de arts dat sprake is van een terminale fase dan aan het standpunt van klager. Klager heeft zijn standpunt dat nog geen sprake was van een terminale fase niet met stukken onderbouwd. Ook ontbreekt een standpunt door een second-opinion-arts. Klager heeft toegelicht dat het overlijden van de moeder daarvoor te snel kwam. Dat maakt begrijpelijk dat klager zijn standpunt niet kan onderbouwen met een second opinion, maar laat onverlet dat de commissie moet afgaan op wat het meest aannemelijk is. Dat is hier het oordeel van de arts van de zorgaanbieder.
De levensbeschouwing van de moeder is wel een bepaald belang, dat de arts kan meewegen in zijn besluit omtrent de zin van een medische behandeling, hoewel de commissie niet is gebleken welke levensbeschouwing dat dan was. Maar de zorgaanbieder heeft toegelicht dat vochttoediening niet zonder gevaar was voor de moeder, omdat het vocht niet oraal kon worden toegediend en toediening van vocht per infuus kan leiden tot vochtophoping. In die afweging mocht de arts naar het oordeel van de commissie het belang van de levensbeschouwing minder zwaar laten wegen.
De klacht zou dus ongegrond zijn verklaard. Maar zoals hiervoor is overwogen is de formele uitkomst van deze procedure dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht.
Op grond van het voorgaande is de cliënt niet-ontvankelijk in de klacht.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De cliënt wordt in de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit de heer mr. M.M. Verhoeven, voorzitter, mevrouw mr. M.B. van Leusden-Donker, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van de heer mr. C.J.H. Terwal, secretaris, op 4 december 2025.