Mentor heeft klager volmacht verleend; klager ontvankelijk in klacht

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: ontvakelijkheid    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: ontvankelijkheidsverklaring   Uitkomst: ontvankelijk   Referentiecode: 195549/230909

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Dit geschil vloeit voort uit een behandelovereenkomst tussen zorgaanbieder en cliënt. Klager wil namens zijn broer een klacht indienen bij de commissie. De klacht betreft het niet goed verzorgen van cliënt door zorgaanbieder. Zorgaanbieder stelt dat klager niet ontvankelijk is in zijn klacht, omdat de interne klachtprocedure niet gevolgd zou zijn en klager geen volmacht heeft om namens cliënt een geschil in te dienen. De commissie verklaart dat klager ontvankelijk in de klacht.

De uitspraak

In het geschil tussen

de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: klager), broer en vertegenwoordiger van de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt),

en

Stichting WoonZorgcentra Haaglanden, gevestigd te ’s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder),
gemachtigde: mevrouw mr. [naam] ([naam advocatenkantoor]).

Behandeling van het geschil
Uit de stukken blijkt dat eerst dient te worden vastgesteld of klager in zijn klacht ontvankelijk is.

De Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 6 december 2023 te Den Haag.

Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van de zorg die de zorgaanbieder levert aan de cliënt. Klager verwijt de zorgaanbieder dat die zorg ver onder de maat is waardoor klager en zijn familieleden genoodzaakt zijn de dagelijkse zorg voor de cliënt zelf te verlenen.

Standpunt van klager
Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern en kort samengevat komt het standpunt op het volgende neer.

Bij een ernstig auto-ongeluk heeft de cliënt hersenletsel opgelopen waardoor hij veel verzorging behoeft en in een verzorgingstehuis van de zorgaanbieder verblijft. De zorgverlening voor de cliënt is zeer onder de maat; zo worden veel zorgmomenten vergeten, wordt de sondevoeding verkeerd toegediend en worden infusen en katheters verkeerd aangelegd. De ouders van de cliënt zijn hierdoor genoodzaakt de dagelijkse verzorging voor de cliënt zelf op zich te nemen. Inmiddels gaat het om zes uur zorg per dag, zeven dagen per week en dat al vijf jaar lang. Ondanks gesprekken met de locatiemanager en de directeur van de zorgaanbieder zijn er geen verbeteringen opgetreden.

Klager verlangt een oordeel van de commissie over het handelen en nalaten van de zorgaanbieder. Klager vraagt een schadevergoeding van € 20.000,– van de zorgaanbieder, bestaande uit een vergoeding voor de lichamelijke en geestelijke klachten die de cliënt door de ondermaatse zorg heeft opgelopen en een vergoeding voor de door de ouders verrichte zorgtaken.

Omdat de cliënt door zijn hersenletsel niet in staat is om zijn niet-vermogensrechtelijke belangen zelf te behartigen is de vader van de cliënt, de heer [naam], door de kantonrechter tot zijn mentor benoemd. De vader (mentor) heeft klager gemachtigd om de onderhavige procedure aanhangig te maken.
Omdat de cliënt evenmin in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen, is de [naam stichting] tot bewindvoerder benoemd. De bewindvoerder is door klager op de hoogte gesteld van de procedure.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder betreurt het dat klager de zorgverlening door de zorgaanbieder heeft ervaren, zoals door hem beschreven. De hulpverleners van de zorgaanbieder hebben zich steeds ingespannen om de cliënt van de zorg te voorzien die hij nodig heeft gelet op zijn beperkingen en klachten.

De zorgaanbieder beroept zich primair op de niet-ontvankelijkheid van de klacht van klager en heeft daar drie gronden voor aangevoerd:
1. De mentor (vader van de cliënt) heeft klager geen volmacht verleend om de klacht in te dienen.
Klager is de broer van de cliënt en is de eerste contactpersoon en tevens het aanspreekpunt van de familie voor de zorgaanbieder. De vader is echter de mentor van de cliënt en hij is degene die het geschil aanhangig dient te maken of daartoe aan klager een volmacht dient te verlenen. Die volmacht ontbreekt.
2. De bewindvoerder heeft klager geen volmacht verleend.
Klager heeft een schadevergoeding van € 20.000,– verzocht. Door de kantonrechter is een onderbewindstelling van het vermogen van de cliënt uitgesproken waarbij de [naam stichting] tot bewindvoerder is aangewezen. De [naam stichting] beheert de geldzaken van de cliënt. Het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding dient dan ook bij volmacht van de bewindvoerder plaats te vinden. Die volmacht ontbreekt.
3. De interne klachtregeling van de zorgaanbieder is niet gevolgd.
Klager en de zorgaanbieder zijn wel in gesprek gegaan, maar klager heeft de interne klachtregeling van de zorgaanbieder niet gevolgd.

De zorgaanbieder verzoekt de commissie eerst een uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van de klacht voordat de zaak eventueel inhoudelijk wordt behandeld.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

De zorgaanbieder heeft – kort samengevat – de volgende ontvankelijkheidsverweren opgeworpen:
1. De mentor heeft klager geen volmacht verleend;
2. De bewindvoerder heeft klager geen volmacht verleend;
3. De interne klachtregeling van de zorgaanbieder is niet gevolgd.

Juridisch kader
Aangezien de verweren van de zorgaanbieder (deels) zien op de door de wetgever opgenomen beschermingsmaatregelen zal de commissie hieronder de betekenis en reikwijdte van die verschillende maatregelen uiteenzetten, zoals Advocaat-Generaal De Bock dat heeft gedaan in haar Conclusie (ECLI:NL:PHR:2021:324) vóór de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:950:

“3.1 De beschermingsmaatregelen curatele, onderbewindstelling en mentorschap zijn bedoeld om kwetsbare volwassenen die niet goed in staat zijn voor zichzelf op te komen, te beschermen door de benoeming van een wettelijke vertegenwoordiger die hun belangen behartigt. Met de per 1 januari 2014 ingevoerd Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap zijn de verschillende beschermingsmaatregelen gestroomlijnd. […]

3.2 Curatele is de meest verstrekkende beschermingsmaatregel. Het leidt tot een nagenoeg totaal verlies van handelingsbekwaamheid van de onder curatele gestelde en geldt als een ultimum remedium. Dat eerst moet worden nagegaan of volstaan kan worden met een minder verstrekkende voorziening, volgt uit het in art. 1:378 lid 1 slot BW neergelegde criterium dat ‘een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd’. Curatele beoogt bescherming van een meerderjarige die, al dan niet tijdelijk, zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van hun [de commissie begrijpt: zijn/haar] lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel gewoonte van drank- of drugsmisbruik (art. 1:378 BW). De curator behartigt zowel de vermogensrechtelijke als de niet-vermogensrechtelijke belangen van de onder curatele gestelde.

3.3 Een minder vergaande beschermingsmaatregel is beschermingsbewind. Beschermingsbewind leidt niet tot handelingsbekwaamheid [de commissie begrijpt: handelingsonbekwaamheid], maar tot onbevoegdheid tot beheer (art. 1:438 lid 1 BW) en een beperkte bevoegdheid tot beschikking (art. 1:438 lid 2 BW). Beschermingsbewind is bedoeld voor de meerderjarige die niet in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen zelfstandig behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke en/of geestelijke toestand of ten gevolge van verkwisting of het hebben van problematische schulden (art. 1:431 BW).

3.4 De derde beschermingsmaatregel voor meerderjarigen is het mentorschap. Mentorschap kan worden ingesteld indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke en/of geestelijke toestand, al dan niet tijdelijk, niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen (art. 1:450 BW). Mentorschap en beschermingsbewind kunnen naast elkaar bestaan; het eerste ziet op de bescherming van niet-vermogensrechtelijke belangen en het tweede op de bescherming van vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende. Tijdens het mentorschap is de rechthebbende in beginsel onbevoegd rechtshandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding (art. 1:453 lid 1 BW). Met betrekking tot deze aangelegenheden treedt de mentor in beginsel op als vertegenwoordiger (art. 1:453 lid 2 BW). De mentor heeft tot taak de rechthebbende raad te geven betreffende aangelegenheden van niet-vermogensrechtelijke aard en over diens belangen ter zake te waken (vgl. art. 1:453 lid 4 BW).”

Bij beschikking van de Rechtbank Den Haag (de kantonrechter) van 5 december 2016 is de [naam stichting] benoemd tot bewindvoerder over de goederen die toebehoren aan de cliënt.
Bij beschikking van de Rechtbank Den Haag (de kantonrechter) van 21 december 2016 is de vader van de cliënt, de heer [naam], benoemd tot zijn mentor.

1. De mentor heeft klager geen volmacht verleend
De vader van de cliënt, zijn mentor, is bevoegd de niet-vermogensrechtelijke belangen van de cliënt en daarmee de belangen die zijn verzorging betreffen, waar te nemen. De zorgaanbieder heeft gesteld dat klager niet gemachtigd is om het geschil bij de commissie aanhangig te maken. In het dossier bevindt zich echter een machtiging van 15 maart 2023 van de vader (de mentor) van de cliënt ten behoeve van klager om de belangen van de cliënt in de zaak tegen de zorgaanbieder te behartigen. Dat die machtiging dateert van na het indienen van de klacht op 1 maart 2023 bij de commissie doet aan de rechtsgeldigheid daarvan niet af. De mentor heeft klager een volmacht verleend waarmee klager gerechtigd is de procedure voor de cliënt te voeren.

2. De bewindvoerder heeft klager geen volmacht verleend
De zorgaanbieder heeft voorts naar voren gebracht dat een volmacht van de bewindvoerder nodig is om het geschil aanhangig te maken, nu klager een schadevergoeding van € 20.000,– heeft verzocht.
Die stelling berust op een onjuiste uitleg en interpretatie van het beschermingsbewind. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:429 in rechtsoverweging 3.3 overwogen, voor zover van belang:
“Het bewind tast niet de bevoegdheid van de rechthebbende aan om zelfstandig in rechte op te treden en dus evenmin zijn bevoegdheid om zelfstandig rechtsmiddelen aan te wenden, tenzij uit het bewind een beperking op die procesbevoegdheden voortvloeit. […]”

Niet gebleken, is dat uit het onderhavige bewind een beperking op de procesbevoegdheden van de cliënt voortvloeit.
Klager is als vertegenwoordiger van de cliënt dan ook bevoegd om zelfstandig, zonder volmacht of toestemming van de bewindvoerder, de procedure voor de cliënt betreffende zijn verzorging te voeren. Dat daarbij een schadevergoeding wordt verzocht, doet aan die bevoegdheid niet af. Voor zover die vergoeding in de inhoudelijke procedure aan de cliënt zou worden toegekend, dan valt die vergoeding immers op dat moment in het vermogen van de cliënt waarover de cliënt vanaf dat moment slechts met toestemming van de bewindvoerder zal kunnen beschikken; de vermogensrechtelijke belangen van de cliënt worden aldus beschermd, zoals de maatregel van beschermingsbewind bedoelt en beoogt.
Zoals hiervoor is toegelicht zijn de maatregelen curatele, onderbewindstelling en mentorschap bedoeld om kwetsbare volwassenen die niet goed in staat zijn om voor zichzelf op te komen, te beschermen en niet om hen te beperken. De cliënt is gerechtigd om via klager klachten over zijn verzorging bij de commissie in te dienen. Klager heeft daarbij zelf en uit eigen zak het griffierecht van € 52,50 aan de commissie voldaan. Het vermogen van de cliënt is met het aanhangig maken van het geschil dan ook niet belast.

3. De interne klachtregeling van de zorgaanbieder is niet gevolgd
De zorgaanbieder heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat klager meerdere malen klachten naar voren heeft gebracht over de zorg- en dienstverlening waarover meerdere gesprekken zijn gevoerd waarin tevergeefs is getracht tot een oplossing te komen. De commissie stelt daarmee vast dat klager zijn klachten eerst bij de zorgaanbieder heeft ingediend zoals artikel 6 lid 1 sub a van het reglement voorschrijft. Dat klager genoodzaakt zou zijn om vervolgens eerst de interne klachtenregeling van de zorgaanbieder te volgen alvorens hij zijn klacht aan de commissie kan voorleggen is een onjuiste uitleg van de wet en het daarop gebaseerde reglement. Klager is dan ook ontvankelijk in zijn klacht.

Op grond van het voorgaande worden de ontvankelijkheidsverweren van de zorgaanbieder verworpen, waarmee klager ontvankelijk is in zijn klacht.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart klager ontvankelijk in zijn klacht.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw mr. N. Jacobs en de heer mr. S. Sierksma, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 6 december 2023.