Klacht over tweede keizersnedesnede ongegrond verklaard

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1309956/1317343

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënte klaagt dat de gynaecoloog bij haar tweede keizersnede een nieuwe snede heeft gemaakt in plaats van de oude te gebruiken, waardoor zij nu twee littekens heeft en lichamelijke en psychische klachten ervaart. Het ziekenhuis legt uit dat het oude litteken te laag zat en dat gebruik ervan te veel risico’s zou geven, zoals beschadiging van de blaas, en dat dit vlak voor de operatie met cliënte is besproken. De commissie oordeelt dat de gynaecoloog zorgvuldig heeft gehandeld en uit medisch oogpunt terecht heeft gekozen voor een hogere incisie om complicaties te voorkomen. De klacht is daarom ongegrond en de schadevergoeding wordt afgewezen.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: cliënte)

en

Zaans Medisch Centrum, gevestigd te Zaandam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de plaatsing van een incisie bij een keizersnede.

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

Cliënte verwijt de gynaecoloog onzorgvuldig handelen. Ondanks een toezegging tijdens de controles dat de tweede keizersnede altijd op het vorige litteken zit, heeft de gynaecoloog bij de tweede keizersnede niet de incisie gemaakt op het litteken dat cliënte na een eerdere keizersnede had overgehouden. Tijdens de ingreep is haar niet verteld dat de snede hoger werd gemaakt. Nu is haar buik misvormd door twee littekens. Zij heeft erge last van het litteken en hier zowel lichamelijke als psychische klachten aan overgehouden, namelijk bekkenbodemklachten, een lager zelfbeeld en depressiviteit.

Cliënte vordert van de zorgaanbieder een schadevergoeding van € 25.000,- voor de schade die zij heeft geleden, omdat zij twee jaar in de ziektewet heeft gezeten.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

Cliënte heeft op 24 mei 2023 een sectio caesarea ondergaan. Tijdens de sectio zijn er tevens enkele biopten afgenomen van verklevingen en uit PA-onderzoek bleek nadien dat sprake was van endometriose. Zowel in de reactie van de gynaecoloog op 13 december 2024 als in de brief die op 20 juni 2025 is verstrekt aan cliënte, blijkt dat ten tijde van de operatie op 24 mei 2023 in de operatiekamer met cliënte en partner door de gynaecoloog is gesproken over het te lage oude litteken dat naar aanleiding van de sectio caesarea in 2014 was achtergebleven en het gegeven dat dit te laag zat om hier opnieuw een incisie in te maken. Dit met het oog op een grotere kans op complicaties zoals blaasbeschadiging, meer bloedverlies en een lastigere ingreep om het kind geboren te laten worden. De gynaecoloog, die cliënte niet voor de operatie had gezien, was in de veronderstelling dat er op dat moment sprake is geweest van informed consent en dat zowel cliënte als partner akkoord gingen met een tweede litteken om zo de kans op mogelijke complicaties zo klein mogelijk te houden.

De zorgaanbieder betreurt het dat cliënte nog steeds klachten ervaart. Het is de gynaecoloog niet duidelijk wat de exacte oorzaak is van deze klachten. De eerder gediagnosticeerde endometriose kan tevens klachten met zich meebrengen, echter op 10 januari 2024 is geconstateerd tijdens een bezoek aan de polikliniek dat de klachten meest waarschijnlijk passend zijn bij cesaerean scar disorder. Cliënte heeft een verwijzing gekregen voor een bekkenbodemfysiotherapeut. Een cesaerean scar disorder kan derhalve een complicatie zijn van de desbetreffende operatie. Er is geen sprake geweest van medisch onzorgvuldig handelen wat de zorgaanbieder kan worden verweten. Cliënte heeft nadien geen afspraak meer gemaakt op de polikliniek, zoals was aangegeven tijdens het consult op 10 januari 2024, en er is geen terugkoppeling geweest vanuit een bekkenbodemfysiotherapeut ten aanzien van het verloop van een behandeling aldaar.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval: de zorgaanbieder) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst, wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-) proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

De commissie zal de klacht van cliënte beoordelen in het licht van het hierboven geschetste toetsingskader.

Cliënte heeft gesteld dat de gynaecoloog, ondanks de verwachting dat het litteken van de oude keizersnede zou worden gebruikt, er een incisie op een andere plek is gemaakt, waardoor haar lichaam nu ‘misvormd’ is en zij diverse bijkomende klachten hiervan heeft gekregen.
De gynaecoloog heeft ter zitting aangegeven dat zij in de regel voor de incisie gebruik maakt van een bestaand litteken. Echter in dit geval durfde zij het oude litteken niet te gebruiken, omdat dit litteken te laag zat waardoor er risico’s waren op complicaties, blaasbeschadiging en de kans op een lastige geboorte van het kind.

De commissie heeft vastgesteld dat tijdens de controles bij de verloskundige is gesproken over een keizersnede en dat daarbij naar voren is gekomen dat in de regel voor de incisie het oude litteken zou worden gebruikt. Op de operatiekamer heeft de gynaecoloog cliënte voor het eerst gesproken. Na onderzoek vlak voor de ingreep heeft zij met cliënte en haar partner overlegd en uitgelegd waarom zij de incisie iets hoger op de buik wilde plaatsen. De gynaecoloog heeft daarbij aangegeven dat het oude litteken te laag zat en er kans zou zijn op complicaties. Cliënte heeft dit begrepen.

De zorgaanbieder heeft naar het oordeel van de commissie zorgvuldig gehandeld door de incisie iets hoger te zetten. De commissie begrijpt dat cliënte liever niet een tweede litteken wilde hebben op haar buik, maar een incisie kan alleen in het oude litteken worden gezet als er geen kans is op beschadiging van vitale organen zoals de blaas. Het oude litteken zat echter te laag. Een gynaecoloog dient te handelen volgens de professionele standaard. Dat betekent in dit geval dat zij het leven van moeder en kind niet bewust in gevaar mag brengen vanwege esthetische redenen door een incisie te maken op een plaats met een groot risico op complicaties.

De commissie zal de klacht ongegrond verklaren.

Nu er geen sprake is geweest van een onzorgvuldig handelen van de zijde van de gynaecoloog, zal de vordering tot schadevergoeding worden afgewezen. Daarbij merkt de commissie ten overvloede op dat de commissie het niet aannemelijk acht dat de langdurige klachten die cliënte aangeeft na de bevalling, die hebben geleid tot een arbeidsongeschiktheid van cliënte van twee jaar, zijn te wijten aan de plaatsing van deze tweede incisie. Een causaal verband tussen de klachten van cliënte en het handelen van de zorgaanbieder kan niet worden vastgesteld.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht ongegrond en wijst de vordering tot schadevergoeding af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer prof. dr. F.W. Jansen, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 20 februari 2026.