Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: Behandelingsovereenkomst
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1059114/1195933
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De cliënt klaagde dat het ziekenhuis is gestopt met het geven van de driemaandelijkse ruginjecties die hij al jaren kreeg en waar hij naar eigen zeggen baat bij heeft. De arts vond dat de injecties niet meer goed genoeg werkten en dat de risico’s voor de cliënt te groot werden, vooral omdat tussentijdse controles ontbraken en de medische richtlijnen waren veranderd. De commissie oordeelt dat de arts zorgvuldig heeft gehandeld, de risico’s goed heeft uitgelegd en terecht heeft besloten de behandeling niet voort te zetten. Daarom is de klacht ongegrond en hoeft het ziekenhuis de injecties niet te hervatten.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[Naam], wonende te [woonplaats]en
Alrijne Zorggroep, gevestigd te Leiderdorp
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de beslissing van de zorgaanbieder om de oorspronkelijke behandeling van de cliënt niet te continueren.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
De cliënt heeft bij de zorgaanbieder jarenlang elke drie maanden injecties ter bestrijding van rugpijn gekregen. De behandelend arts van de zorgaanbieder (hierna te noemen: de behandelaar) weigert deze behandeling voort te zetten. De cliënt is het hier niet mee eens. Hij meent dat de injecties eens in de drie maanden goed zijn werk doen en wenst deze oorspronkelijke behandeling te continueren.
De behandelaar heeft een collega-arts van een andere zorgaanbieder verzocht om een second opinion. Deze arts heeft uiteindelijk weer een injectie gezet.
Voor de cliënt is onbegrijpelijk dat de zorgaanbieder ten onrechte blijft aannemen dat de werking van de injecties van te korte duur zou zijn. De werking is wel degelijk effectief gedurende een periode van drie maanden, ook in de aangepaste dosering/samenstelling sinds 2024. Er is geen direct (wetenschappelijk) bezwaar tegen voortzetting van deze behandeling bij de cliënt, zij het met aanpassingen (lagere frequentie/dosering).
Hoewel de cliënt inmiddels bekend is met de risico’s – waarover hij niet eerder voorlichting van de zorgaanbieder heeft ontvangen -, wenst hij de behandeling voort te zetten. Immers, hij heeft er baat en belang bij om mobiel te blijven.
De cliënt verzoekt de commissie te bepalen dat de zorgaanbieder moet doorgaan met de behandeling.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
De cliënt kampt met lage rugklachten, waarvoor hij vele jaren door de zorgaanbieder is behandeld. In 2016 werd gestart met caudale blokkades, in een frequentie van vier keer per jaar. Toen de behandelaar de behandeling begin 2023 overnam, heeft zij vastgesteld dat het effect van deze caudale injecties inmiddels matig was. Daarom heeft zij haar zorgen geuit over de frequentie van de blokkades, en de dosering van de daarbij te geven steroïden. Toen in de loop van 2023 en ook in 2024 de effectiviteit van de caudale injecties duidelijk achterbleef, heeft zij met de cliënt besproken deze caudale infiltraties helemaal te willen staken.
De injecties hadden niet (langer) de gewenste effectduur. Bovendien had de behandelaar – mede gezien de comorbiditeiten van de cliënt – zorgen om de risico’s van het onbeperkt continueren van de caudale injecties. Complicerende factor was ook dat de cliënt iedere vorm van tussentijdse controle stelselmatig afwees. Onverkort doorbehandelen werd zodoende niet langer verantwoord gevonden. Dat is in lijn met de professionele richtlijnen, die voorschrijven dat de behandeling proportioneel en doelmatig moet zijn en geëvalueerd moet worden. Dit is uitvoerig met de cliënt en zijn echtgenote besproken, waarbij ook de veranderde inzichten in de indicaties en effectiviteit van caudale epidurale injecties bij lage rugpijn werden toegelicht. De zorgaanbieder wijst onder meer op de MinT-studie van 2021 van ZonMw, Radboud UMC en LUMC over epidurale injecties bij aspecifieke lage rugpijn, de richtlijn Pijnbehandeling bij chronische pijn van de Federatie Medisch Specialisten (FMS) (2017) opgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA) en de Richtlijn Epidurale corticosteroïde-injecties bij lumbosacraal radiculair syndroom (FMS).
Op 11 februari 2025 heeft de behandelaar de cliënt verwezen naar een andere zorgaanbieder voor een second opinion. Met hem is afgesproken dat er geen vervolgbehandeling middels caudaal blokkade zou plaatsvinden, in afwachting van deze second opinion. De behandelaar heeft de cliënt nog aangeboden hem op de wachtlijst voor het gecombineerde spreekuur van de pijnarts en de fysiotherapie te plaatsen, maar van dat aanbod heeft hij geen gebruik gemaakt.
De zorgaanbieder verzoekt de commissie om de klacht van de cliënt ongegrond te verklaren en hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn eventuele verzoek om voortzetting van de driemaandelijkse injectiebehandeling.
Beoordeling van het geschil
Het beoordelingskader
De relatie tussen partijen is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de uitvoering van een dergelijke overeenkomst moet de zorgaanbieder de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Dit betekent dat hij de zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Het gaat daarbij niet om de vraag of dat handelen anders of zelfs beter had gekund, maar om het antwoord op de vraag of de hulpverlener binnen de grenzen van de redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Dit antwoord wordt mede bepaald door de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen.
Inhoudelijk
De commissie overweegt als volgt.
De cliënt is het niet eens met de beslissing van (de behandelaar van) de zorgaanbieder om hem niet meer driemaandelijks injecties te geven voor de behandeling van zijn lage rugklachten.
Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat de behandelaar al vanaf 2023 herhaaldelijk aan de cliënt heeft kenbaar gemaakt dat (en waarom) zij de frequentie en de dosering van de injecties te hoog vond. Ook heeft zij hem gewezen op de aan de behandeling verbonden risico’s. De cliënt heeft de injecties in 2023 en 2024 nog wel regelmatig gekregen. Tijdens het consult van 11 februari 2025 heeft de behandelaar hem medegedeeld dat zij de behandeling niet langer wilde voortzetten.
De commissie overweegt dat een medische behandeling slechts gerechtvaardigd is, indien deze in het belang van de cliënt is en gericht blijft op het behalen van het beoogde behandeldoel. Indien dit niet langer het geval is, kan dit een gewichtige reden vormen om – in overleg met de cliënt – de behandeling niet meer uit te voeren.
In het onderhavige geval is hiervan sprake. De zorgaanbieder heeft gemotiveerd aangevoerd dat de behandeling onvoldoende resultaat opleverde, omdat geen sprake was van voldoende duurzame pijnbestrijding. Bovendien achtte de behandelaar de aan de behandeling verbonden risico’s in de specifieke situatie van de cliënt niet (langer) verantwoord. Naar het oordeel van de commissie betreft dit een zorgvuldig en professioneel medisch-inhoudelijk oordeel. Dat de cliënt deze zienswijze niet deelt, maakt nog niet dat de behandelaar verwijtbaar heeft gehandeld. Daarbij merkt de commissie op dat de zienswijze van de behandelaar wordt ondersteund door de huidige (gewijzigde) medische inzichten, die blijken uit de literatuur en de door de zorgaanbieder genoemde richtlijnen.
De commissie concludeert dat de zorgaanbieder een gewichtige reden had om de behandeling niet langer voort te zetten. De cliënt is door de behandelaar zorgvuldig en tijdig geïnformeerd, is terecht verwezen naar een andere zorgaanbieder voor een second opinion en hem is aangeboden om op de wachtlijst voor het gecombineerde spreekuur van de pijnarts en de fysiotherapie te worden geplaatst. Van dat laatste aanbod heeft de cliënt onweersproken geen gebruik gemaakt. De zorgaanbieder heeft voorts onweersproken gesteld dat de behandelaar na de verwijzing voor een second opinion niet meer van de cliënt of de andere zorgaanbieder heeft gehoord. Wat daar verder ook van zij, uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de commissie dat de zorgaanbieder de zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Van een tekortkoming van de zijde van de zorgaanbieder is dan ook geen sprake.
Dit betekent dat de klacht van de cliënt ongegrond is. Aan de bespreking van het verzoek van de cliënt tot voortzetting van de behandeling komt de commissie dan ook niet toe. Dit klemt temeer omdat uit de opmerkingen van de cliënt bij gelegenheid van de mondelinge behandeling kan worden afgeleid dat de zorgaanbieder, die de second opinion heeft verricht, de behandeling van de cliënt kennelijk voortzet.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Daarom luidt de beslissing als volgt.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënt ongegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie behandelingskosten aan de commissie is verschuldigd.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer prof. dr. G.J. Scheffer en mevrouw mr. I. van den Hoven-van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 5 november 2025.