Klacht over staaroperatie die leidde tot blindheid ongegrond

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: informatie(verstrekking)    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1049643/1149833

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een man diende een klacht in tegen het Bravis ziekenhuis na een staaroperatie aan zijn linkeroog in mei 2023. Na de operatie werd hij blind aan dat oog. Volgens de man was de operatie niet noodzakelijk en was hij vooraf niet goed geïnformeerd over de risico’s. Hij stelde dat de oogarts in het dossier had genoteerd dat de risico’s waren besproken, terwijl dit volgens hem niet was gebeurd. Als hij had geweten dat blindheid mogelijk was, had hij de operatie niet laten uitvoeren. Daarom vroeg hij een schadevergoeding van €25.000. Het ziekenhuis stelde dat de patiënt wel degelijk uitleg had gekregen over de operatie en de mogelijke complicaties. Hij had ook een informatiebrochure ontvangen en een toestemmingsverklaring ondertekend waarin stond dat een staaroperatie in zeer zeldzame gevallen tot verlies van het gezichtsvermogen kan leiden. De Geschillencommissie oordeelde dat uit het medisch dossier en de ondertekende verklaring blijkt dat de patiënt voldoende was geïnformeerd en toestemming had gegeven voor de operatie. Tijdens de operatie trad een zeer zeldzame complicatie op die vooraf niet te voorspellen was. Ook zag de commissie geen aanwijzingen dat de operatie of de nazorg onzorgvuldig was uitgevoerd. Hoewel het verlies van het gezichtsvermogen voor de patiënt zeer ingrijpend is, kan het ziekenhuis daarvoor volgens de commissie geen verwijt worden gemaakt. De klacht werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

de heer [naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting Bravis ziekenhuis, gevestigd te Roosendaal
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 5 november 2025 te Den Haag.

Partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunten toegelicht. De cliënt werd bijgestaan door zijn dochter/gemachtigde, [naam]. Namens de zorgaanbieder zijn verschenen: [naam] (oogarts) en [naam] (jurist).

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de informatievoorziening en dossiervorming rondom de door de zorgaanbieder verrichte staaroperatie, die blindheid tot gevolg heeft gehad.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 23 mei 2023 heeft de cliënt bij de zorgaanbieder een staaroperatie aan zijn linkeroog ondergaan. Deze operatie was niet noodzakelijk omdat het zicht van de cliënt nog goed was.
De cliënt is niet geïnformeerd over de risico’s. De betrokken oogarts heeft dat echter wel in haar aantekeningen genoteerd. Zij noteert dus zaken in een dossier die niet zijn besproken. De cliënt vindt dit zeer klachtwaardig. Ten gevolge van de operatie is de cliënt thans blind aan zijn linkeroog. Als de cliënt van de risico’s op de hoogte was geweest, had hij operatie nooit laten uitvoeren.

De cliënt verzoekt de commissie hem een vergoeding van € 25.000,– toe te kennen voor de materiële en immateriële schade die hij door toedoen van de zorgaanbieder heeft geleden.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

Vanaf 2017 is de cliënt onder controle bij de oogarts van de zorgaanbieder in verband met oogaandoeningen: cataract (staar) aan beide ogen en droge ogen. Tijdens een controle op 3 maart 2023 bij de optometrist en oogarts heeft de cliënt aangegeven dat zijn zicht aan het linkeroog achteruit is gegaan. Bij onderzoek is gebleken dat de gezichtsscherpte aan beide kanten was verminderd ten opzichte van de aanvangsgezichtsscherpte in 2017. Er werd cataract aan beide ogen vastgesteld. De oogarts heeft aan de cliënt verteld dat, als hij verbetering van het zicht wenst, een cataractoperatie de enige mogelijkheid is.

De cliënt is geïnformeerd over de risico’s van de cataractoperatie en hem is een informatiebrochure (waarin ook de risico’s van een cataractoperatie zijn opgenomen) verstrekt. Er is ook een toestemmingsverklaring verstrekt. De cliënt heeft deze op 21 april 2023 ondertekend. De datum van de cataractoperatie was 23 mei 2023. Er is dan ook voldoende bedenktijd gegeven om de cataractoperatie wel of niet te ondergaan. Met het ondertekenen van de toestemmingsverklaring mag ervan worden uitgegaan dat de cliënt weloverwogen heeft besloten om de operatie te ondergaan

De zorgaanbieder heeft een intern protocol (“lnformatie en toestemming aan volwassen wilsbekwame patiënten (informed consent)”) waarin de verplichting is opgenomen voor de zorgverlener om het informed consent vast te leggen in het medisch dossier. Dit is ook in dit geval gebeurd. Het dossier is leidend indien er vragen rijzen omtrent het geven van informed consent.

De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klacht van de cliënt ongegrond te verklaren en de door hem verzochte schadevergoeding af te wijzen.

Beoordeling van het geschil

Het beoordelingskader
De rechtsverhouding tussen partijen is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de overige bepalingen van het BW. Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moeten de hulpverleners de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverleners in de te onderscheiden fasen van de behandeling – te weten de voorfase (voorlichting/ informed consent), de hoofdfase (de operatie) en de nafase (de nazorg) – die zorg moeten betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Het gaat bij de beoordeling daarvan niet om de vraag of het betreffende handelen van de hulpverleners anders of mogelijk zelfs beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de hulpverleners binnen de grenzen van een redelijk handelend en redelijk bekwame vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zijn gebleven.
Bij de beoordeling zal de commissie zich mede baseren op de informatie in het medisch dossier van de cliënt. Anders gezegd: wat in een medisch dossier staat vermeld, moet in beginsel voor juist worden gehouden, tenzij aannemelijk is dat wat daarin is vermeld een onjuiste weergave is van hetgeen is gezegd of gedaan. Dit laatste heeft klager weliswaar gesteld, maar niet onderbouwd. De commissie heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de aantekeningen in het medisch dossier.

De voorfase (voorlichting/informed consent)
Voor verrichtingen ter uitvoering van een geneeskundige behandelovereenkomst is de toestemming van de patiënt vereist (artikel 7:450 BW). Een patiënt kan in beginsel slechts toestemming voor een behandeling geven indien hij daarover door de hulpverlener adequaat is geïnformeerd. Die informatieplicht is neergelegd in artikel 7:448 BW. De hulpverlener moet de patiënt op duidelijke wijze inlichten over de voorgestelde behandeling. Bij het verstrekken van informatie dient de hulpverlener zich te laten leiden door hetgeen de patiënt voor het nemen van een afgewogen beslissing redelijkerwijs dient te weten, onder meer ten aanzien van de te verwachten gevolgen en de normale, voorzienbare, risico’s van de behandeling. Het belangrijkste doel van de informatieplicht is de patiënt in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken voor een bepaalde behandeling. De hulpverlener hoeft de patiënt daarom niet over alle in theorie denkbare risico’s en/of complicaties te informeren.

De cliënt stelt allereerst dat de operatie niet noodzakelijk was. Echter, uit het medische dossier blijkt dat vanaf 2017 regelmatig controles hebben plaatsgevonden bij de zorgaanbieder. Tijdens de controle op 3 maart 2023 bleek dat het zicht van de cliënt – subjectief met name van het linkeroog en objectief van beide ogen – achteruit was gegaan. Ook zijn voorafgaand aan de operatie alle benodigde onderzoeken correct uitgevoerd. Op basis van de resultaten van deze onderzoeken en in overleg met de cliënt is besloten tot staaroperaties, te beginnen met die aan het linkeroog.

De cliënt stelt voorts dat hij niet is geïnformeerd over de risico’s van de operatie. De zorgaanbieder heeft dit weersproken. De commissie stelt vast dat de optometrist naar aanleiding van de controle op 3 maart 2023 in het medisch dossier – voor zover van belang – heeft vermeld:
“Informatiebrochure verstrekt : ja”, en
”Informed consent staaroperatie verkregen m.b.t. procedure / visuele verwachtingen / targetrefractie / per- en postoperatieve complicaties (waaronder endophthalmitis en blindheid) / verhoogde algemene of oogheelkundige risico’s / beloop zonder behandeling / andere behandelingsvormen (o.a. lenstypen).”

Voorts staat vast dat de cliënt op 21 april 2023 een toestemmingsverklaring heeft getekend. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
“Zowel mondeling als schriftelijk is mij uitvoerig informatie verstrekt zodat ik een weloverwogen beslissing heb genomen over het ondergaan van een oogoperatie waarbij mijn eigen troebele lens (“staar”) verwijderd wordt en er een kunstlens in mijn oog/ogen geplaatst wordt (dit is de staaroperatie).

lk ben ervan op de hoogte gebracht dat:
(…)
een dergelijke operatie is niet zonder risico en kan in zeer zeldzame gevallen tot verlies van het gezichtsvermogen leiden.
het ondoenlijk is alle mogelijke complicaties van de behandeling in detail te bespreken, maar door de brochure (Behorend bij de folder Bravis “staaroperatie, een unieke kans op meer kwaliteit van zien”) en het gesprek bij het vooronderzoek zijn mijn vragen hierover naar tevredenheid beantwoord”.

Op basis van dit samenstel van factoren, in onderling verband en samenhang bezien, is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder aan zijn informatieplicht heeft voldaan en dat sprake was van informed consent. Daarbij merkt de commissie op dat het feit dat de cliënt – zoals hij ter zitting heeft verklaard – niet op de hoogte was van de inhoud van de toestemmingsverklaring en dacht dat hij voor de lenzen tekende, voor zijn rekening en risico komt. Het had op zijn weg gelegen de toestemmingsverklaring goed te lezen dan wel daarover vragen te stellen, alvorens deze te ondertekenen,

De hoofdfase (de operatie) en de nafase (de nazorg)
Ter zitting heeft de cliënt zich ook nog beklaagd over de operatie en de nazorg. De commissie merkt op dat de omvang van het geschil wordt begrensd door hetgeen de cliënt in het vragenformulier als klacht heeft geuit en dat hetgeen de cliënt daarna ter zitting als nieuwe klacht nog naar voren heeft gebracht, in beginsel geen onderdeel uitmaakt van het geschil. Louter ten overvloede overweegt de commissie als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de zorgplicht van de zorgaanbieder niet wordt aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener – in dit geval de oogarts – moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verbindt zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een onzekere factor vormt. Zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij zijn of haar inspanning een fout heeft gemaakt en dus niet heeft gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam hulpverlener.
De processtukken en de toelichting die de oogarts tijdens de zitting heeft gegeven, leiden de commissie tot de volgende conclusies. Er is geen reden om aan te nemen dat de operatie van 23 mei 2023 niet goed is uitgevoerd. De zorgaanbieder heeft genoegzaam toegelicht dat de ophangbandjes van het lenszakje zijn gescheurd tijdens het inbrengen van de lens en dat er een bloeding in het oog is opgetreden. Dit had de oogarts voorafgaand aan de operatie niet kunnen voorzien. De conclusie is gerechtvaardigd dat bij de cliënt sprake was van een zeer zelden voorkomende complicatie. Verder zijn in het medisch dossier geen aanwijzingen aangetroffen voor de stelling van de cliënt dat de oogarts hem aan het eind van de operatie aan zijn lot heeft overgelaten. Ook ten aanzien van de verleende nazorg is de commissie niet gebleken van ongerechtigheden. De verwijzing naar een andere zorgaanbieder getuigt naar het oordeel van de commissie van een zorgvuldige aanpak door de zorgaanbieder. Tenslotte mag niet onvermeld blijven dat de oogarts de cliënt ook daarna nog een aantal keren heeft gebeld om te vragen hoe het met hem gaat.

Dat de cliënt blind is geworden aan zijn linkeroog, is uiterst betreurenswaardig en de impact daarvan is (onbetwist) ernstig. Dat neemt echter niet weg dat het medisch dossier en de behandeling ter zitting geen grondslag bieden voor de conclusie dat de zorgaanbieder hiervan een verwijt treft.

Schadevergoeding
De cliënt verzoekt de commissie hem een schadevergoeding van € 25.000,– toe te kennen. Ten aanzien van dit verzoek merkt de commissie op dat voor een aanspraak op schadevergoeding is vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Nu is vastgesteld dat geen sprake is van een tekortkoming zal de vordering tot schadevergoeding reeds daarom worden afgewezen.

Conclusie
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is en dat het verzoek van de cliënt tot schadevergoeding moet worden afgewezen. Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht, kan onbesproken blijven omdat dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Daarom luidt de beslissing als volgt,

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht van de cliënt ongegrond;

– wijst de door de cliënt verzochte schadevergoeding af;

– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie behandelingskosten aan de commissie is verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer drs. T.C.G. Feenstra en mevrouw mr. I. van den Hoven – van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 5 november 2025.