Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg
Categorie: Behandelingsovereenkomst
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1197715/1298636
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De klacht gaat over de zorg die de moeder van klager kreeg tijdens haar laatste dagen bij de zorgaanbieder. Klager vindt dat zijn moeder onterecht als terminaal is beoordeeld en dat eten, drinken en medicatie daardoor onterecht zijn gestopt. De commissie ziet in de medische stukken dat de moeder zelf had aangegeven geen behandeling meer te willen en levensmoe was. Zij was wilsbekwaam en haar wensen zijn gevolgd. De zorgaanbieder heeft alleen palliatieve zorg en pijnbestrijding gegeven en er is geen sprake geweest van levensbeëindiging. De commissie ziet geen bewijs voor onzorgvuldig handelen en verklaart de klacht ongegrond.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: klager)en
Stichting Amarijn, gevestigd te Vlissingen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de onvrede van klager over de zorgverlening aan zijn moeder, die kort na haar opname bij de zorgaanbieder is komen te overlijden.
Standpunt van klager
Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De moeder van klager (hierna te noemen: de cliënte) is op 19 april 2023 opgenomen bij de zorgaanbieder met ernstige gordelroos. Het doel van de opname was herstel en terugkeer naar de eigen woning.
Op 24 april 2023 is de cliënte, samen met de zus van klager, lopend naar de praktijk van de hematoloog gegaan. Volgens klager heeft de hematoloog schriftelijk verklaard dat de cliënte en de zus van klager tijdens het consult hebben gevraagd om palliatieve sedatie en plaatsing in een hospice, maar dat zij heeft aangegeven dat het daarvoor nog te vroeg was.
Desondanks is de cliënte daarna op de hospice-afdeling van de zorgaanbieder geplaatst. Daarbij is de zorgaanbieder kennelijk afgegaan op de mededeling van de zus van klager dat de hematoloog daartoe opdracht had gegeven.
Op 25 april 2023 is de specialist ouderengeneeskunde van de zorgaanbieder – die was opgeroepen omdat de huisarts van de cliënte niet kon komen – meteen gestart met palliatieve sedatie. Op basis van informatie van de zus van klager oordeelde de arts dat de cliënte terminaal was en dat zij niet wilde eten en drinken. De cliënte werd op basis van die informatie en zonder haar toestemming eten en drinken onthouden. Zij kreeg morfine en midazolam. De medicijnen van de hematoloog zijn niet aan haar gegeven.
Ook de fentanylpleisters, die de cliënte vanaf 2020 gebruikte, zijn vanaf de opname bij de zorgaanbieder niet meer gebruikt. Daardoor werd de cliënte erg ziek en kreeg zij afkickverschijnselen.
Op 29 april 2023 is de cliënte overleden.
Klager is van mening dat (de specialist ouderengeneeskunde van) de zorgaanbieder de zorgvuldigheidseisen niet heeft gevolgd. Volgens hem was de cliënte helemaal niet stervende en heeft de specialist ouderengeneeskunde haar op onrechtmatige wijze van het leven beroofd.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op 19 april 2023 is de cliënte in zorg gekomen bij de zorgaanbieder. Zij was op dat moment bijna 89 jaar oud en had een behoorlijke medische voorgeschiedenis.
De cliënte had daarnaast bij haar opname bij de zorgaanbieder al drie weken last van ernstige gordelroos op een groot deel van haar lichaam. Haar situatie verslechterde in een korte tijd: haar huidafwijkingen namen sterk toe, ondanks wondzorg en het gebruik van zinkoxidezalf sinds 20 april 2023. Er bleek sprake te zijn van ernstig geïnfecteerde gordelroos. Tijdens het consult bij de hematoloog op 24 april 2023 heeft de cliënte te kennen gegeven dat zij voor haar gordelroos geen behandeling meer wilde. Omdat de zorgaanbieder gehouden is aan de wensen van de cliënte gehoor te geven, is verdere behandeling van de wonden uitgebleven.
De cliënte heeft vervolgens zelf de wens uitgesproken om te stoppen met eten, drinken en (andere) medicatie ter bestrijding van haar medische klachten. Omdat zij haar wens met betrekking tot het stoppen van eten en drinken niet altijd even consistent uitte, is besloten de situatie zorgvuldig te volgen en de ontwikkeling van haar wensen nauwgezet af te wachten. Als zij om eten of drinken zou vragen, zou haar dit worden gegeven (wensdieet). Toen zij de wens om niet meer te eten en drinken consistent bleef uiten, is eten, drinken en medicatie gestaakt. Er was derhalve geen sprake van een opgelegd behandelbeleid. Integendeel: de wensen van de cliënte zijn opgevolgd.
Na de keuze van de cliënte om geen behandeling meer te willen ondergaan en te stoppen met eten en drinken, is de cliënte verder achteruitgegaan en werd zij terminaal. Zij heeft herhaalde malen aangegeven dat zij levensmoe was en ‘wilde gaan slapen’. De zorgaanbieder heeft meermaals met klager over de behandelwensen van de cliënte gesproken.
Nog afgezien van het feit dat de cliënte wel degelijk een stervenswens had en dit ook herhaaldelijk heeft geuit aan familie en diverse zorgverleners, staat voorop dat er geen euthanasie is toegepast. Er is immers geen sprake geweest van actieve levensbeëindiging met een dodelijk middel. Wel is sprake geweest van intermitterende (tijdelijke) sedatie in de nacht, door de cliënte het slaapmiddel midazolam toe te dienen. Overdag was de cliënte wakker en werden haar klachten uitsluitend symptomatisch behandeld. Er is sprake geweest van pijnbestrijding en palliatieve zorg. Ter pijnbestrijding is morfine ingezet, die geleidelijk is opgehoogd en steeds is afgestemd op haar fors toenemende pijnklachten. De doseringen morfine waren niet zodanig dat dit het overlijden heeft kunnen veroorzaken. De cliënte was zeer verzwakt en is overleden als gevolg van haar aandoeningen (gordelroos).
De zorgaanbieder benadrukt dat de beslissingen over de zorgverlening uitsluitend zijn genomen op basis van professioneel-medische inzichten en de wensen van de cliënte zelf. Zij was wilsbekwaam en kon haar wensen goed kenbaar maken. De zus van klager heeft daarbij geen beslissende rol gespeeld en heeft geen invloed uitgeoefend of initiatieven genomen.
De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klacht van de cliënte ongegrond te verklaren.
Beoordeling van het geschil
Het beoordelingskader
Op de zorgaanbieder rust de verplichting om bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen en daarbij te handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Dit betekent dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Aan de hand van deze norm zal de commissie beoordelen of de zorgaanbieder de zorgvuldigheidseisen niet heeft gevolgd, zoals klager heeft gesteld. Daarbij zal de commissie zich mede baseren op de door klager overgelegde medische stukken en de schriftelijke reactie van de zorgaanbieder op de klacht van klager, voor zover deze is ontleend aan het medisch dossier van cliënte. Hetgeen in een medisch dossier staat vermeld, moet in beginsel immers voor juist worden gehouden, tenzij aannemelijk is dat wat daarin is vermeld een onjuiste weergave is van hetgeen is gezegd of gedaan. Dit laatste heeft klager weliswaar gesteld, maar niet onderbouwd.
De commissie overweegt als volgt.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat vast dat de cliënte op 19 april 2023 is opgenomen bij de zorgaanbieder. Op dat moment had zij gordelroos, waarvan zij ernstige klachten ondervond. De zorgaanbieder heeft onweersproken gesteld dat hiervoor wondbehandeling is gestart.
Op 24 april 2023 heeft een consult bij de hematoloog plaatsgevonden. De hematoloog heeft in haar verslag van het consult onder meer geschreven:
“Wil geen actieve behandelingen of diagnostiek meer. Hoopt dat ze niet zo lang meer te leven heeft”.
In de dagen erna heeft de cliënte herhaaldelijk aan de zorgverleners van de zorgaanbieder in diverse bewoordingen te kennen gegeven dat zij niet verder wilde leven, ook in het bijzijn van haar familie. Er heeft hierover ook collegiaal overleg plaatsgevonden met de huisarts, met wie de cliënte al een langdurige relatie had. Deze heeft bevestigd dat de cliënte – al langere tijd – levensmoe was.
Gezien het feit dat de cliënte blijkens de stukken wilsbekwaam was, moest zij in staat geacht worden tot een redelijke waardering van haar belangen en wensen. In ieder geval heeft de commissie geen aanwijzingen dat cliënte daartoe niet in staat was. Nu cliënte zelf haar wil tot uitdrukking kon brengen en dat ook heeft gedaan, kon en mocht de zorgaanbieder in overeenstemming met die wil handelen. De mening van klager kan in het licht van het zelfbeschikkingsrecht van de cliënte in de gegeven situatie geen relevante omstandigheid zijn, waarmee de zorgaanbieder rekening had moeten houden. Klager heeft overigens ook erkend dat de cliënt levensmoe en wilsbekwaam was.
Gelet hierop heeft de specialist ouderengeneeskunde van de zorgaanbieder naar het oordeel van de commissie op 25 april 2023 op goede gronden kunnen besluiten om te starten met palliatief terminale zorg en haar daarom te laten overplaatsen naar het hospice van de zorgaanbieder.
De commissie merkt op dat er – anders dan klager meent – geen sprake is geweest van palliatieve sedatie door de zorgaanbieder. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat aan de cliënte wel intermitterende (tijdelijke) sedatie in de nacht is gegeven maar niet overdag. De zorgaanbieder heeft uitsluitend medicijnen toegediend om de cliënte in haar laatste levensdagen zoveel mogelijk comfort te bieden.
Op grond van de overgelegde stukken is voorts genoegzaam komen vast te staan dat ten aanzien van het eten en drinken de wensen van de cliënte zijn gevolgd. Daar waar daarover twijfel zou kunnen bestaan, is steeds uitdrukkelijk gevraagd of zij al dan niet wilde eten en/of drinken. Tekenend voor de stervenswens van de cliënte is daarbij dat zij op 28 april 2023 tegen de bezoekende huisarts zei dat ze water wilde, maar, na de mededeling van de huisarts dat het dan langer zou duren voor ze zou komen te overlijden, besloot om niet te drinken.
Naar het oordeel van de commissie zijn de beschuldigingen van klager, dat de zorgaanbieder zijn moeder heeft gedood, volstrekt misplaatst. Niet alleen heeft er geen enkele actieve (euthanasie)handeling plaats gevonden, maar is er uitsluitend sprake geweest van palliatieve zorg en pijnbestrijding waarbij steeds is gehandeld naar de wensen en behoefte van de cliënte. De commissie kan op grond van de voorgaande overwegingen tot geen andere conclusie komen dan dat niet aannemelijk is geworden dat de zorgaanbieder de zorgvuldigheidseisen niet in acht heeft genomen.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht van klager ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter en de heer drs. M. Decates en de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 31 oktober 2025.