Commissie: Zorg Algemeen
Categorie: -
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: onbevoegd
Referentiecode:
466305/561739
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De cliënte heeft bij Penders Voetzorg B.V. orthopedische schoenen laten maken die volgens haar niet passend zijn. Zij wil overstappen naar een andere zorgverlener, maar haar zorgverzekeraar stelt dat hiervoor eerst een uitspraak van de geschillencommissie nodig is. De kernvraag voor de commissie was of Penders Voetzorg als zorgaanbieder in de zin van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) moet worden beschouwd. De commissie concludeert van niet: het leveren van orthopedische schoenen valt onder hulpmiddelenzorg, die specifiek is uitgesloten van de werkingssfeer van de Wkkgz. Daarmee is de commissie niet bevoegd het geschil inhoudelijk te behandelen. Wel wijst de commissie op het herhaaldelijke aanbod van de zorgaanbieder om gratis een halfhoge schoen te leveren, en spreekt zij de hoop uit dat partijen alsnog tot een oplossing komen.
De uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [plaats] (hierna te noemen: de cliënte)en
Penders Voetzorg B.V., gevestigd te Hengelo Ov
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Samenvatting
De zorgaanbieder heeft orthopedische schoenen geleverd aan de cliënte. De cliënte stelt dat de schoenen niet voldoen. Zij wenst een andere zorgverlener te contracteren, maar de zorgverzekeraar geeft aan dat eerst een uitspraak van de commissie vereist is om een overstap te overwegen. De commissie beoordeelt of een leverancier/vervaardiger van medische hulpmiddelen is aan te merken als zorgaanbieder in de zin van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Naar het oordeel van de commissie vallen klachten met betrekking tot de levering van orthopedische schoenen niet onder de werkingssfeer van de Wkkgz. De commissie is dan ook niet bevoegd om het geschil te behandelen.
Behandeling van het geschil
Uit de stukken blijkt dat eerst dient te worden vastgesteld of de commissie bevoegd is het geschil te behandelen.
De Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft via Zoom plaatsgevonden op 17 oktober 2024. Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.
De commissie heeft het volgende overwogen.
Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder is niet in staat gebleken, ondanks herhaalde pogingen, om passende voorlopige orthopedische schoenen te maken, conform de afspraken gemaakt met de behandelende revalidatiearts. Op 8 april 2024 heeft de cliënte hierover een schriftelijke klacht ingediend bij de zorgaanbieder. Daar is op gereageerd, maar de daarop volgende pogingen hebben niet tot een oplossing geleid. De schoenen passen niet en de cliënte durft ze niet te dragen uit angst om te vallen. Op 25 juni 2024 is in overleg met de behandelend arts besloten om een andere zorgverlener te contacteren. De zorgverzekeraar geeft echter aan dat eerst een uitspraak via de commissie vereist is om een overstap te overwegen.
De zorgaanbieder schermt nu met het advies voor een halfhoge schoen. Had de zorgaanbieder vanaf het begin expliciet aangegeven (wat niet is gebeurd) een lage schoen niet te kunnen maken, was de cliënte nooit de overeenkomst aangegaan. De zorgaanbieder heeft bewust de opdracht aangenomen om een lage schoen te maken.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënte heeft van meet af aan aangegeven niet op een (half) hoge voorlopig orthopedische schoen (VLOS) te willen lopen. Vanwege de stelligheid heeft de arts de zorgaanbieder gevraagd een lage VLOS te maken met een ruime toe box. Er heeft een pastraject plaatsgevonden waarna de VLOS op 20 maart 2024 is gepast door de cliënte en vervolgens is afgeleverd. Op 10 april 2024 is de zoon gebeld in verband met een ingediende klacht en is de schoentechnicus bij de cliënte aan huis langsgegaan om te onderzoeken of er verbeteringen mogelijk waren.
Er is een nieuwe foliepas gedaan, er zijn aanpassingen gedaan aan de VLOS en op 22 mei 2024 is de VLOS opnieuw gepast. De schoen sloot goed aan en voelde beter aan volgens de cliënte. Wederom gaf zij aan geen (half) hoge VLOS te willen, terwijl dit meermaals geadviseerd is. Op 25 juni 2024 komt de cliënte op het gezamenlijke spreekuur en gaf zij aan niet verder te willen met de zorgaanbieder. Er is wederom aangeboden gratis een hogere VLOS te maken voor de cliënte. Wederom gaf zij aan dit niet te willen. De zorgaanbieder heeft voldaan aan de verwijzing van de arts en voldaan aan de op hem rustende inspanningsverplichting en de VLOS gemaakt zoals deze gemaakt zou moeten worden. Daarnaast heeft de zorgaanbieder aangeboden gratis een (half) hoge VLOS te maken. De cliënte heeft er echter voor gekozen om de zorgaanbieder deze kans niet te bieden en over te stappen naar een andere schoenmaker.
Het intrekken van de declaratie, hetgeen de cliënte wil, is volgens de zorgaanbieder niet aan de orde, omdat de schoen gemaakt is conform recept van de arts. De cliënte heeft eerst een klacht ingediend bij de zorgverzekeraar, deze heeft contact met de zorgaanbieder gezocht en na het delen van de informatie over de casus gaf men aan dat de klacht niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Vervolgens heeft de cliënte een klacht ingediend bij de commissie.
Beoordeling van het geschil
Allereerst dient de commissie in het kader van haar bevoegdheid te beoordelen of de aanbieder in het onderhavige geschil is te kwalificeren als een zorgaanbieder in de zin van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), alvorens eventueel wordt toegekomen aan een inhoudelijke behandeling en het beroep op niet-ontvankelijkheid zoals gedaan door de zorgaanbieder.
Op grond van artikel 19, lid 1, van de Wkkgz heeft de commissie tot taak geschillen over gedragingen van een zorgaanbieder jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening te beslechten. Zorg is in de Wkkgz gedefinieerd als Wlz-zorg, Zvw-zorg en andere zorg. Onder ‘andere zorg’ vallen handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg, zoals beschreven in artikel 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en handelingen met een ander doel dan het bevorderen of bewaken van de gezondheid van de cliënt. Met het laatste wordt onder meer gedoeld op alternatieve en cosmetische zorg.
De aanbieder vervaardigt en levert medische hulpmiddelen – in dit geval orthopedische schoenen. Bij de commissie ligt de vraag voor of makers en leveranciers van medische hulpmiddelen ook als zorgaanbieder in de zin van de Wkkgz zijn te kwalificeren. De commissie is gebleken dat de aanbieder zich voor de behandeling van geschillen heeft geregistreerd bij de commissie. Naar het oordeel van de commissie berust deze registratie echter niet op een juridisch correcte interpretatie van de Wkkgz.
Ter motivering van haar oordeel verwijst de commissie allereerst naar de Wkkgz. Uit artikel 1, lid 3, van de Wkkgz volgt dat bij ministeriële regeling geregeld kan worden dat de wet niet van toepassing is op hulpmiddelenzorg. Deze uitzondering is als zodanig opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Wkkgz, in artikel 2.1 onder b: De wet is niet van toepassing op hulpmiddelenzorg als omschreven in artikel 2.9 van het Besluit zorgverzekering.
In artikel 2.9 van het Besluit Zorgverzekering staat vervolgens dat dit functionerende hulpmiddelen en verbandmiddelen betreft, zoals bij ministeriële regeling aangewezen. De bedoelde ministeriële regeling betreft de Regeling Zorgverzekering, waarin in artikel 2.6 een lange lijst is opgenomen van uitgesloten hulpmiddelen.
In deze lijst van uitgesloten hulpmiddelen staan onder andere: uitwendige hulpmiddelen gerelateerd aan stoornissen in het bewegingssysteem, als omschreven in artikel 2.12 (onder e). In artikel 2.12 staat dat hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel e, omvatten (onder andere): hulpmiddelen, niet zijnde een hulpmiddel voor verzorging en verpleging op bed als omschreven in artikel 2.17, ter compensatie van beperkingen bij het lopen.
De commissie is van oordeel dat orthopedische schoenen onder deze definitie vallen. Dit leidt tot de conclusie dat het hulpmiddel dat in het onderhavige geschil ter discussie staat, onder de uitgesloten hulpmiddelen valt en dat de commissie daarom niet bevoegd is dit geschil te behandelen.
Op grond van de wetshistorie heeft de wetgever naar het oordeel van de commissie ook niet beoogd om vervaardigers en leveranciers van medische hulpmiddelen onder de werking van de Wkkgz te laten vallen. De commissie verwijst hiervoor naar het Besluit van 13 november 2015, houdende vaststelling van nadere regels ter uitvoering van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Uitvoeringsbesluit Wkkgz), waar op pagina 48 het volgende staat: ‘De wet is daarom niet van toepassing op de hulpmiddelenzorg die op grond van artikel 2.9 van het Besluit zorgverzekering onderdeel uitmaakt van de dekking van de zorgverzekering; in artikel 2.6 van de Regeling zorgverzekering zijn de hulpmiddelen en verbandmiddelen die het betreft, aangewezen, zoals gehoorhulpmiddelen, infuuspompen of schoenvoorzieningen etc. Met de gekozen formulering is toepasselijkheid van de wet uitgesloten voor leveranciers en fabrikanten van hulpmiddelen die men zelf kan aanschaffen en voor leveranciers en fabrikanten van hulpmiddelen die uitsluitend door tussenkomst van een arts/zorgverlener kunnen worden verkregen; in dat laatste geval valt de arts/zorgverlener als zorgaanbieder al onder de werking van de wet. Als de cliënt een klacht heeft, kan hij of zij deze indienen bij de fabrikant of leverancier.’
Uit dit Besluit volgt dat voor dergelijke klachten de reguliere productaansprakelijkheid volstaat.
Conclusie
De commissie kan op grond van de wettekst en de wetshistorie niet anders concluderen dan dat aanbieders die medische hulpmiddelen leveren geen zorgaanbieder zijn in de zin van de Wkkgz. Op grond van het voorgaande acht de commissie zich onbevoegd het geschil te behandelen.
Ten overvloede hecht de commissie eraan te wijzen op het door de zorgaanbieder in het verweerschrift meermaals gedane aanbod gratis een (half) hoge VLOS te maken. De commissie spreekt de hoop uit dat partijen alsnog tot een oplossing zullen komen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart zich onbevoegd van het geschil kennis te nemen.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer prof. dr. B.J. van Royen , de heer mr. S. Sierksma , leden, in aanwezigheid van
mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 17 oktober 2024.