Commissie: Vrijgevestigde GGZ Praktijken
Categorie: (On)Zorgvuldig handelen
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1318890/1328400
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Deze zaak gaat over een cliënt die tijdens een opname bij een ggz-instelling klachten had over de huisvesting, het ontbreken van een behandelplan, onduidelijkheid over de duur van de behandeling en gevoelens van onveiligheid op de afdeling. Volgens de cliënt was zijn kamer klein en gehorig, werd pas na drie maanden een behandelplan opgesteld, kreeg hij tegenstrijdige informatie over de duur van de opname en voelde hij zich onveilig doordat ook chronisch psychiatrische patiënten op de afdeling verbleven. Daarnaast vond hij dat de zorgaanbieder onvoldoende reageerde op zijn signalen van onveiligheid. De zorgaanbieder stelde dat de klacht deels niet ontvankelijk was omdat de interne klachtenprocedure niet volledig was doorlopen, maar voerde verder aan dat de klachten zorgvuldig waren behandeld en dat gesprekken met de cliënt hadden plaatsgevonden. De Geschillencommissie oordeelt dat de cliënt toch ontvankelijk is in zijn klacht. Vervolgens concludeert de commissie dat alleen de klacht over het behandelplan gegrond is, omdat de zorgaanbieder heeft erkend dat dit veel te laat schriftelijk is opgesteld. De klachten over de huisvesting, de behandelduur en de gevoelens van onveiligheid worden ongegrond verklaard. Volgens de commissie is niet bewezen dat de zorgaanbieder op die punten onzorgvuldig heeft gehandeld en blijkt uit de stukken dat er wel aandacht is geweest voor de zorgen van de cliënt. Omdat één onderdeel van de klacht gegrond is, moet de zorgaanbieder het betaalde klachtengeld van € 52,50 aan de cliënt vergoeden.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft het handelen van de zorgaanbieder tijdens een opname van de cliënt bij de zorgaanbieder.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt heeft, naar de commissie begrijpt, zijn klacht onderverdeeld in vier klachtonderdelen, te weten:
1) Huisvesting
De cliënt stelt dat de huisvesting ondermaats was. De kamer waarin de cliënt verbleef was erg klein en gehorig.
2) Behandelplan
De cliënt stelt dat er geen behandelplan is opgemaakt bij de start van de opname. Pas op 27 maart 2025 is blijkens het dossier een behandelplan gemaakt, terwijl de cliënt dan al drie maanden bij de zorgaanbieder verblijft. Dat is onzorgvuldig van de zorgaanbieder.
3) Behandelduur
De cliënt stelt dat er sprake was van inconsistenties met betrekking tot de duur van de opname bij de zorgaanbieder. In een familiegesprek voorafgaand aan de opname is door de zorgaanbieder gesteld dat de opname slechts drie maanden zou duren. Later is door de zorgaanbieder aangegeven dat er niet gesproken wordt over hoeveel maanden een opname duurt, omdat dit van tevoren niet duidelijk is. De zorgaanbieder heeft op dit punt onzorgvuldig gehandeld en de cliënt onjuist geïnformeerd over de behandelduur.
4) Onveilig gevoel wegens de combinatie van patiënten en onvoldoende handelen naar aanleiding van signalen
De cliënt stelt dat hij zich onveilig heeft gevoeld tijdens de opname omdat er op de afdeling ook chronisch- psychiatrische patiënten verbleven. Dit is door de zorgaanbieder voorafgaand aan de opname niet met de cliënt gecommuniceerd. Tijdens de opname heeft de cliënt meerdere keren aangegeven zich onveilig te voelen, maar de zorgaanbieder heeft niets met deze signalen gedaan. De cliënt was als gevolg van de combinatie van patiënten zeer angstig. De zorgaanbieder moet voor een veilige behandelomgeving zorgen, en daar is de zorgaanbieder volgens de cliënt niet in geslaagd.
De cliënt stelt zich op het standpunt dat het niet-ontvankelijkheidsverweer van de zorgaanbieder niet slaagt. De cliënt stelt dat er veel contact is geweest met de externe klachtenfunctionaris, maar dat dit nergens toe heeft geleid. In november 2025 heeft de cliënt daarom gebeld met de commissie en de situatie uitgelegd. De cliënt stelt dat er toen aan hem is meegedeeld dat hij zijn klacht kan voorleggen aan de commissie. De cliënt acht het niet redelijk, gelet op alle moeite die hij al heeft gedaan en vanwege het contact met de commissie, dat hij nu eerst weer naar de klachtencommissie van de zorgaanbieder zou moeten alvorens hij de klacht aan de commissie kan voorleggen.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de cliënt niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn klacht. De zorgaanbieder wijst in dit kader op artikel 6 lid 1 sub a van het Reglement Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg. De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat de cliënt zijn klacht niet eerst heeft ingediend bij de zorgaanbieder en dat voorts geen sprake is van een situatie dat niet van klager kan worden verlangd dat hij in dit geval zijn klacht eerst bij de zorgaanbieder indient.
Subsidiair stelt de zorgaanbieder dat de klacht van de cliënt op alle punten ongegrond dient te worden verklaard.
1) Huisvesting
De zorgaanbieder erkent dat de verblijfslocatie aan vernieuwing toe is. Er vindt op het gehele terrein nieuwbouw plaats en de eerste oplevering staat gepland in juni 2026. Het gebouw waar de rehabilitatie-afdeling in is gevestigd is in een latere fase gepland. De zorgaanbieder vindt het jammer om te horen dat de cliënt de huisvesting ondermaats vond en betreurt dat de nieuwbouw voor de opname van de cliënt te laat kwam. Van onzorgvuldig handelen aan de zijde van de zorgaanbieder is echter geen sprake.
2) Behandelplan
De zorgaanbieder stelt dat er normaal gesproken bij de start van een opname een behandelplan wordt gemaakt. Dat is de standaardwerkwijze. In het geval van de cliënt erkent de zorgaanbieder dat het niet goed is gegaan. De zorgaanbieder betreurt dat het behandelplan te laat is opgesteld, maar geeft aan dat er in de gesprekken wel gesproken is over wat de behandeldoelen zijn per discipline.
3) Behandelduur
De zorgaanbieder stelt dat er voorafgaand aan de opname en in de intake niet is gesproken over een behandeltermijn van drie maanden, althans, dit volgt niet uit de rapportages. De zorgaanbieder merkt in dit kader ook op dat het ongebruikelijk is om een behandeltermijn te stellen bij een opname als die van de cliënt, omdat een opnameduur op de rehabilitatieafdeling niet goed te voorspellen is.
4) Onveilig gevoel wegens de combinatie van patiënten en onvoldoende handelen naar aanleiding van signalen
De zorgaanbieder kan niet achterhalen of er voorafgaand aan de opname met de cliënt is gesproken over de combinatie van patiënten die op de afdeling verblijven. Normaal gesproken gebeurt dat wel altijd. Naar aanleiding van de klacht van de cliënt is de zorgaanbieder hier ook extra alert op.
De zorgaanbieder stelt dat de gevoelens van onveiligheid die de cliënt heeft geuit tijdens zijn opname altijd serieus zijn genomen. In dit kader stelt de zorgaanbieder dat er veel gesprekken zijn gevoerd met de cliënt maar ook tussen verschillende behandelaren van de zorgaanbieder. Er heeft altijd overleg plaatsgevonden met de betrokkene om te kijken wat er nodig is om de gevoelens van onveiligheid weg te nemen. Dit blijkt uit de verslaglegging. In dit kader is ook gesproken over de mogelijkheid om hem naar een andere kamer te verplaatsen. Aldus is de zorgaanbieder van mening dat van onzorgvuldig handelen geen sprake is.
Beoordeling van het geschil
De ontvankelijkheid
De commissie dient zich eerst uit te spreken over de ontvankelijkheid van de cliënt in zijn klacht tegen de zorgaanbieder gelet op het niet-ontvankelijkheidsverweer van de zorgaanbieder.
Volgens artikel 6 lid 1 sub a van het Reglement verklaart de commissie op verzoek van de zorgaanbieder de cliënt in zijn klacht niet-ontvankelijk indien hij zijn klacht niet eerst volgens de wet bij de zorgaanbieder heeft ingediend, tenzij van de cliënt in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij onder de gegeven omstandigheden zijn klacht eerst bij de zorgaanbieder indient.
De commissie is op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken van oordeel dat er vraagtekens bestaan of de cliënt de interne klachtenprocedure van de zorgaanbieder naar behoren heeft doorlopen alvorens zijn klacht aan de commissie voor te leggen. De commissie overweegt dat dit, gelet op artikel 6 lid 1 sub a van het reglement van de commissie, in beginsel tot gevolg heeft dat de cliënt niet kan worden ontvangen in zijn klacht. De commissie ziet echter aanleiding om dit formele gebrek te passeren en de klacht van de cliënt inhoudelijk te beoordelen. Hiertoe acht de commissie van belang dat de cliënt zich eerst heeft gewend tot de klachtenfunctionaris en vervolgens kennelijk van een medewerker van de commissie meent te hebben begrepen dat hij zijn klacht al kon voorleggen aan de commissie. Onder deze omstandigheden acht de commissie het onredelijk om van de cliënt te verlangen dat hij zijn klacht eerst (opnieuw) met de klachtenfunctionaris bespreekt en vervolgens voorlegt aan de klachtencommissie van de zorgaanbieder. Het verweer van de zorgaanbieder wordt dan ook verworpen, en de cliënt is ontvankelijk in zijn klacht. De commissie zal hierna een inhoudelijk oordeel geven over het geschil.
De commissie heeft het volgende overwogen.
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW). Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Ten aanzien van klachtonderdeel 1
De commissie is van oordeel dat de klacht van de cliënt op dit onderdeel ongegrond is. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken volgt dat de zorgaanbieder op de hoogte is van de staat van de huisvesting en inmiddels ook verbouwingsplannen heeft op korte termijn, maar dat zij op het moment van de opname van de cliënt hieraan niets kon veranderen. De commissie is van oordeel dat van de zorgaanbieder niet het onmogelijke kan worden verwacht. Bovendien geldt dat de cliënt vrijwillig bij de zorgaanbieder is opgenomen.
Ten aanzien van klachtonderdeel 2
De commissie is van oordeel dat de klacht van de cliënt op dit onderdeel gegrond is. Door de zorgaanbieder is ter zitting aangegeven dat het behandelplan te laat op schrift is gesteld. In zoverre heeft de zorgaanbieder erkend dat het een en ander niet goed is gegaan met betrekking tot het behandelplan.
Ten aanzien van klachtonderdeel 3
De commissie is gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is besproken van oordeel dat zij niet kan vaststellen of door de zorgaanbieder onzorgvuldig is gehandeld met betrekking tot de behandelduur van de opname. Het is vaste jurisprudentie van de commissie in gevallen als deze waarbij de lezingen van beide partijen uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest, dat het verwijt van een cliënt op het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de cliënt minder geloof verdient dan dat van de zorgaanbieder, maar op de omstandigheid dat voor een oordeel dat onzorgvuldig is gehandeld eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan de commissie hier niet vaststellen, waardoor de klacht van de cliënt op dit onderdeel ongegrond zal worden verklaard.
Ten aanzien van klachtonderdeel 4
De commissie is gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is besproken van oordeel dat zij niet kan vaststellen of voorafgaand aan de opname met de cliënt is besproken wat voor type patiënten op de afdeling zouden verblijven. Gelet hierop zal de commissie, overeenkomstig de redenering onder klachtonderdeel 3, de klacht van de cliënt op dit punt ongegrond verklaren.
Met betrekking tot de klacht van de cliënt dat door de zorgaanbieder tijdens de opname onvoldoende is gedaan met de signalen van onveiligheid die hij heeft geuit, is de commissie van oordeel dat ook dit onderdeel ongegrond moet worden verklaard. De zorgaanbieder stelt dat zij herhaaldelijk met de cliënt heeft gesproken over deze signalen. Het gevoel van onveiligheid is gedurende de opname steeds onderwerp van gesprek geweest. Bovendien stelt de zorgaanbieder dat zij heeft gekeken of het verplaatsen naar een andere kamer de gevoelens van onveiligheid zou kunnen wegnemen. De commissie kan niet vaststellen dat het tegendeel het geval is. Bovendien zijn voornoemde feiten en omstandigheden niet weersproken door de cliënt. Onder deze omstandigheden is de commissie van oordeel dat de klacht ook op dit onderdeel ongegrond moet worden verklaard.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht van de cliënt, voor zover deze ziet op het behandelplan gegrond zal worden verklaard. De klachten van de cliënt worden voor het overige ongegrond verklaard.
De commissie wenst tot slot nog op te merken dat uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de zorgaanbieder de klachten van de cliënt serieus heeft genomen, en de klachten van de cliënt in die zin gehoor hebben gevonden bij de zorgaanbieder.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de cliënt ontvankelijk in zijn klachten;
– verklaart de klachten van de cliënt ten dele gegrond, in die zin dat klachtonderdeel 2 gegrond is en de overige klachtonderdelen ongegrond zijn;
– bepaalt dat de zorgaanbieder gelet op het feit dat de klacht van de cliënt ten dele gegrond is, overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de cliënt dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. L. Verheij, voorzitter, mevrouw dr. S.M. van Es, de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. K.E. Heins, secretaris op 29 mei 2026.