Klacht over operatie en nazorg door commissie ongegrond verklaard

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Behandelingsovereenkomst    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1250943/1312743

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënt hield na een rugoperatie blijvende pijnklachten en vindt dat het ziekenhuis haar klachten niet serieus heeft genomen, onvoldoende onderzoek heeft gedaan omdat er geen MRI is gemaakt, en dat de operatie mogelijk niet goed is uitgevoerd. Het ziekenhuis stelt dat er zorgvuldig is gehandeld, dat de controles passend waren en dat de beeldvorming geen fouten liet zien. De commissie oordeelt dat het ziekenhuis heeft gehandeld zoals een goed hulpverlener mag doen, dat er geen reden was voor extra MRI‑onderzoek en dat er geen aanwijzingen zijn voor een verkeerd uitgevoerde operatie, en verklaart daarom alle klachten ongegrond.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

mevrouw [naam] , wonende te [plaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Haaglanden Medisch Centrum, gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Onderwerp van het geschil

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft de vraag of de zorgaanbieder voldoende zorgvuldig heeft gehandeld in de uitvoering van de operatie en in de nazorg.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt is op 18 oktober 2021 in het HMC Leidschendam geopereerd door [naam] in verband met ernstige rugpijn met uitstraling naar het linkerbeen. Het betrof een spondylodese-operatie. Direct na de operatie functioneerde haar rechterbeen niet goed. Hoewel dit in de loop der tijd enigszins verbeterde, bleef de cliënt een vreemd en pijnlijk gevoel in de rechtervoet houden.

In de periode na de operatie heeft de cliënt herhaaldelijk contact gehad met [naam], zowel telefonisch als fysiek tijdens poliklinische consulten. Daarbij heeft zij steeds melding gemaakt van aanhoudende pijnklachten in haar rug en rechtervoet. Naar aanleiding daarvan zijn er uitsluitend röntgenfoto’s gemaakt maar zijn geen MRI-scans vervaardigd. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de oorzaak van haar klachten.

Daarnaast heeft de cliënt fysiotherapie gevolgd en is zij in verband met de pijn in haar rechtervoet bij een orthopeed geweest. Daar zijn twee injecties toegediend, zonder dat dit tot verbetering leidde. Ondanks deze behandelingen bleven de klachten bestaan.

Begin 2024 heeft de cliënt zich gewend tot [naam] van [naam kliniek] (hierna: [naam kliniek). Deze arts heeft het medisch dossier opgevraagd en geconstateerd dat na de operatie geen MRI- of CT-scans waren gemaakt, maar uitsluitend röntgenfoto’s. In het [naam kliniek] zijn vervolgens alsnog een MRI- en CT-scan vervaardigd. Hieruit bleek dat de wervels aan elkaar waren gegroeid, en dat één van de schroeven niet correct was geplaatst en een ander bot of gewricht raakte. Ook werd er door deze arts opnieuw een zenuwbeknelling vastgesteld.

[naam] heeft de cliënt geadviseerd het osteosynthesemateriaal te verwijderen. Omdat niet duidelijk was welke materialen bij de eerste operatie waren gebruikt, is de cliënt geadviseerd zich hiervoor weer tot het HMC te wenden. De cliënt heeft aangegeven geen vertrouwen meer te hebben in [naam] en de zorgaanbieder omdat haar klachten volgens haar gedurende lange tijd niet serieus zijn genomen en geen nader onderzoek is verricht.

Het materiaal is inmiddels verwijderd. De cliënt ervaart sindsdien aanzienlijk minder pijnklachten.

Samengevat verwijt de cliënt de zorgaanbieder het volgende:

Klachtonderdeel 1: na de operatie zijn geen MRI-scans gemaakt
Er is nagelaten na de operatie aanvullend onderzoek te verrichten in de vorm van een MRI, waardoor een verkeerd geplaatste schroef lange tijd onopgemerkt is gebleven.

Klachtonderdeel 2: de cliënt is niet serieus genomen in haar klachten
De klachten zijn gebagatelliseerd en er is onvoldoende onderzoek gedaan om de oorzaak van de aanhoudende pijn te achterhalen.

Klachtonderdeel 3: de operatie is niet lege artis uitgevoerd
Er is sprake geweest van een verkeerd geplaatste schroef, hetgeen betekent dat de operatie niet lege artis is uitgevoerd.

De cliënt verzoekt de commissie te oordelen dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld en de klachten gegrond te verklaren. Zij kan de omvang van haar schade niet concretiseren en behoudt zich het recht voor om, afhankelijk van de uitspraak van de commissie, een eventuele civiele vordering in te stellen.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder verzoekt primair te verklaren dat de commissie onbevoegd is, althans subsidiair de cliënt niet-ontvankelijk te verklaren wegens het financiële belang. Meer subsidiair verzoekt de zorgaanbieder de klachten ongegrond te verklaren.

Bevoegdheid en ontvankelijkheid
Op grond van artikel 20 Wkkgz is de Geschillencommissie Ziekenhuizen niet bevoegd te oordelen over geschillen die betrekking hebben op een schadevergoeding van meer dan € 25.000,-. Daarnaast bepaalt artikel 5 sub d van het reglement dat de cliënt niet-ontvankelijk wordt verklaard indien tijdens de behandeling aannemelijk wordt dat het totale financiële belang meer dan € 25.000,- bedraagt, tenzij de cliënt bereid is haar vordering te beperken tot € 25.000,- en afstand te doen van het meerdere.
De cliënt heeft haar financiële belang niet uitdrukkelijk beperkt tot € 25.000,-. In het vragenformulier heeft zij bovendien expliciet aangegeven zich het recht voor te behouden om – afhankelijk van de uitspraak – alsnog een civiele vordering in te stellen. Dit strookt niet met het uitgangspunt van finale geschilbeslechting dat aan de procedure bij de Geschillencommissie ten grondslag ligt.
Om die reden verzoekt de zorgaanbieder primair te verklaren dat de Geschillencommissie onbevoegd is, althans subsidiair de cliënt niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij zij haar vordering alsnog beperkt tot € 25.000,- en afstand doet van het meerdere.

Inhoudelijk verweer
Mocht de commissie het hiervoor genoemde preliminaire verweer afwijzen dan komt verweerder met het volgende inhoudelijke verweer.

De cliënt meldde zich in mei 2021 met rugpijn en uitstralende pijn in het been. Zij had een relevante voorgeschiedenis, waaronder een spondylodese in 1978 en langdurige rug- en beenklachten. In maart 2021 was reeds een MRI verricht. Hierop was onder meer te zien dat de eerdere spondylodese niet goed was vastgegroeid, dat sprake was van foraminale vernauwing en van een forse afglijding van L5 ten opzichte van S1.

Tijdens de consulten zijn met de cliënt zowel conservatieve als operatieve behandelmogelijkheden besproken, waaronder een revisie-spondylodese (PLIF L5-S1). Daarbij zijn de risico’s en mogelijke complicaties, zoals zenuwschade en problemen met schroeven, toegelicht en is schriftelijke informatie meegegeven.

Op 18 oktober 2021 is de operatie uitgevoerd door [naam] met behulp van neuronavigatie. Direct na de ingreep is een O-arm/CT-scan vervaardigd ter controle van de positie van de schroeven en cages. Tijdens de operatie deden zich geen complicaties voor en werd een goede stand bereikt.

In de postoperatieve periode is de cliënt meerdere malen gecontroleerd, zowel telefonisch als tijdens fysiek poliklinische consulten. Er zijn herhaaldelijk röntgenfoto’s gemaakt, medicatie is zo nodig aangepast en waar passend is aanvullende beoordeling of verwijzing ingezet, onder meer naar de orthopedie in verband met voetklachten. Uit die controles en beeldvorming volgden geen aanwijzingen voor materiaalcomplicaties. Het klinisch beloop liet bovendien verbetering zien, waaronder afname van beenpijn en neurologische klachten. Een MRI zou destijds geen consequenties hebben gehad voor het behandelbeleid ten aanzien van de aanhoudende rugpijn.

Klachtonderdeel 1: na de operatie zijn geen MRI-scans gemaakt
De zorgaanbieder betwist dat de cliënt uitsluitend met röntgenfoto’s is beoordeeld: er vonden meerdere contactmomenten en beoordelingen plaats. Wel klopt het dat postoperatief met name röntgenfoto’s zijn gemaakt om de stand van het materiaal te beoordelen. Deze beelden toonden steeds een goede en onveranderde positie van schroeven en cages, overeenkomstig de intra-operatieve CT-scan. Volgens de zorgaanbieder was er destijds geen indicatie voor aanvullende beeldvorming zoals een (spoed)MRI, mede gelet op het ontbreken van uitvalsverschijnselen en het gegeven dat postoperatieve pijn verklaarbaar was door zwelling van eerder fors beknelde zenuwwortels. Dit klachtonderdeel dient ongegrond te worden verklaard.

Klachtonderdeel 2: de cliënt is niet serieus genomen in haar klachten
De zorgaanbieder stelt dat de klachten van de cliënt steeds serieus zijn genomen: er waren meerdere consulten, medicatie werd aangepast en er is herhaaldelijk beeldvorming verricht. Ondanks de inspanningen werd geen neurochirurgische verklaring gevonden voor de klachten en is de cliënt (onder meer) doorverwezen. Dat het resultaat voor de cliënt is tegengevallen, is vervelend, maar betekent niet dat onzorgvuldig is gehandeld. Dit klachtonderdeel dient ongegrond te worden verklaard.

Klachtonderdeel 3: de operatie is niet lege artis uitgevoerd
De zorgaanbieder betwist dat sprake is van een onjuiste positionering of schroefbreuk. De postoperatieve CT-scan en röntgenfoto’s laten geen afwijkende positie zien. Uit de latere beeldvorming bij het [naam kliniek] volgt volgens de zorgaanbieder dat een staaf contact maakt met bot, maar dat dit niet betekent dat een schroef verkeerd zit of door bot heen boort of raakt. Ook is volgens de zorgaanbieder onvoldoende onderbouwd dat hierdoor schade is ontstaan. Bovendien is reeds preoperatief met de cliënt besproken dat de operatie primair bedoeld was om beenpijn te verminderen en dat rugpijn mogelijk niet zou verbeteren. De beenpijn nam na de operatie af. Dit klachtonderdeel dient volgens de zorgaanbieder ongegrond te worden verklaard.

De zorgaanbieder verzoekt de commissie de cliënt primair onbevoegd te verklaren, althans subsidiair niet-ontvankelijk, en meer subsidiair de klachten ongegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil

De commissie is van oordeel dat de cliënt ontvankelijk is in de klacht en dat de commissie tevens bevoegd is om een oordeel te geven over dit geschil.

Tijdens de zitting heeft de cliënt besloten geen vordering in te dienen bij de Geschillencommissie Ziekenhuizen waardoor zij kan worden ontvangen in haar klacht. De commissie is ook daarom bevoegd een oordeel te geven over het geschil.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van deze overeenkomst dient de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen en te handelen overeenkomstig de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Dit betekent dat de commissie beoordeelt of de zorgaanbieder heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden mocht worden verwacht. Daarbij geldt dat de commissie beoordeelt op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van het handelen en niet met de kennis van achteraf.

Klachtonderdeel 1: na de operatie zijn geen MRI-scans gemaakt
De cliënt stelt dat haar aanhoudende pijnklachten na de operatie onvoldoende zijn onderzocht, omdat slechts röntgenfoto’s zijn gemaakt en geen MRI-scan.

De commissie overweegt dat het doel van postoperatieve beeldvorming in belangrijke mate samenhangt met de aard van de klachten en de klinische bevindingen. Een MRI-scan is met name aangewezen wanneer er aanleiding is om weke delen en zenuwstructuren nader te beoordelen, bijvoorbeeld bij (progressieve) neurologische uitval of pijn door compressie van zenuwweefsel.

Uit het dossier volgt dat de cliënt reeds vóór de operatie beenklachten had die pasten bij zenuwbeknelling. De operatie betrof een complexe revisie-spondylodese, waarbij sprake was van zeer forse wortelcompressie. De commissie acht het aannemelijk dat bij dergelijke ingrepen in de vroege postoperatieve fase (tijdelijke) veranderingen in het gevoel of de functie van een been kunnen optreden door manipulatie van zenuwstructuren of postoperatieve zwelling. Uit de verslaglegging blijkt dat de klachten gerelateerd aan het zenuwweefsel verbeterden.

Het is relevant dat postoperatief direct een O-arm/CT-scan is vervaardigd om de positie van de geplaatste schroeven en cages nauwkeurig vast te leggen. In de loop der tijd is de positie van het osteosynthesemateriaal meermaals gevolgd met röntgenonderzoek, waarbij volgens de verslaglegging telkens een stabiele stand werd gezien, zonder aanwijzingen voor materiaalfalen of standsverandering die oorzaak van de toegenomen rugpijn zou kunnen zijn.

Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat, vanwege verbetering van de neurologische klachten, er geen noodzaak bestond om aanvullend een MRI-scan te vervaardigen. Dat een ander ziekenhuis achteraf alsnog een MRI/CT heeft laten maken bij cliënt, maakt dit oordeel niet anders. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 2: de cliënt is niet serieus genomen in haar klachten
De cliënt stelt dat haar aanhoudende pijnklachten na de operatie niet serieus zijn genomen en dat onvoldoende is gedaan om de oorzaak daarvan te achterhalen. Zij wijst er in dat verband op dat later in een ander ziekenhuis is gesproken over een mogelijke rol van het materiaal en dat uiteindelijk materiaalverwijdering is overwogen/uitgevoerd.

De commissie overweegt dat uit het dossier volgt dat de cliënt na de operatie frequent is gevolgd, zowel telefonisch als tijdens fysieke poliklinische controles. Daarnaast is herhaaldelijk beeldvorming verricht en is medicatie zo nodig aangepast. Ook is de cliënt verwezen voor beoordeling van haar voetklachten. De commissie leidt hieruit af dat de klachten van de cliënt wel degelijk aandacht hebben gekregen en dat het vervolgbeleid is afgestemd op het klinische beeld.

Dat achteraf is gebleken dat materiaalverwijdering bij de cliënt tot pijnvermindering heeft geleid, betekent niet zonder meer dat de zorgaanbieder eerder tot materiaalverwijdering had moeten overgaan. De commissie acht van belang dat het verband tussen klachten en osteosynthesemateriaal niet altijd eenduidig is vast te stellen en dat het vroegtijdig verwijderen van materiaal na een spondylodese op zichzelf risico’s kan meebrengen. Het door de behandelaar gevoerde beleid om de klachten te vervolgen, te monitoren met beeldvorming en (bij gebrek aan duidelijke aanwijzingen voor een neurochirurgische oorzaak) aanvullend beleid/doorverwijzing in te zetten, acht de commissie verdedigbaar en passend binnen de professionele standaard. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 3: de operatie is niet lege artis uitgevoerd
De cliënt stelt dat sprake is geweest van een verkeerd geplaatste schroef en dat hierdoor schade is ontstaan, wat volgens haar betekent dat de operatie niet lege artis is uitgevoerd.

De commissie overweegt dat uit het dossier volgt dat de ingreep is uitgevoerd met behulp van neuronavigatie en dat direct na de operatie een CT-scan (O-arm) is vervaardigd om de positie van het materiaal te controleren. Voorts is in de postoperatieve fase herhaaldelijk röntgenonderzoek verricht, waarbij geen materiaalcomplicaties zijn gerapporteerd. De stukken bieden naar het oordeel van de commissie onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat het osteosynthesemateriaal onjuist is geplaatst of dat sprake is geweest van operatief-technische fouten.

Dat de cliënt later in een ander ziekenhuis opnieuw is beoordeeld en dat uiteindelijk materiaalverwijdering is overwogen of uitgevoerd, maakt niet dat de oorspronkelijke operatie onzorgvuldig of niet lege artis is uitgevoerd. Dit klachtonderdeel is ook ongegrond.

Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder heeft gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsuitoefening.

De klacht wordt in al haar onderdelen ongegrond verklaard. Nu geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming of onzorgvuldig handelen, komt de commissie niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van een eventuele vordering tot schadevergoeding.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klachten van de cliënt ongegrond.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. J.D.M. Metzemaekers, de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. P.G.L. Koolen, secretaris, op 30 januari 2026.