Klacht over ontbreken antistollingsmedicatie na bevalling ongegrond

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1309047/1314897

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënte kreeg na haar bevalling een herseninfarct en vindt dat het ziekenhuis haar had moeten beschermen door antistollingsmedicatie te geven, omdat zij volgens haar meerdere risicofactoren had. Het ziekenhuis zegt dat er geen aanwijzingen waren voor een verhoogd risico en dat er volgens de richtlijnen is gehandeld. De commissie oordeelt dat de arts juist heeft gehandeld: er was geen medische reden om antistollingsmedicatie voor te schrijven en het herseninfarct was een zeer zeldzame en niet te voorspellen complicatie. Daarom wordt de klacht ongegrond verklaard.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: cliënte)

en

Albert Schweitzer ziekenhuis, locatie Dordwijk, gevestigd te Dordrecht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft het niet verstrekken van antistollingsmedicatie na de bevalling, waardoor cliënte naar haar zeggen een herseninfarct heeft gekregen.

Standpunt van cliënte

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

Cliënte heeft nadat zij is bevallen een herseninfarct gekregen. Zij is al geruime tijd aan het revalideren en heeft blijvende restverschijnselen.

Volgens de richtlijn “Veneuze trombo-embolie en antitrombotisch beleid” van de Federatie Medisch Specialisten, moet bij verhoogd risico op trombose, zoals in de kraamperiode, profylactische antistollingsmedicatie worden overwogen.

Cliënte verwijt de zorgaanbieder dat de behandelend arts voorafgaande aan de behandeling niet breed heeft gekeken naar het medisch dossier. Volgens cliënte was sprake van een cumulatie van milde risicofactoren. Zij had een BMI van 26,7 en had zwangerschapsdiabetes. Er was sprake van een ingeleide bevalling en handmatige placentaverwijdering. In de richtlijn uit 2022 van de Royal College of Obstetricians and Gynaecologists wordt in een dergelijk geval aangeraden om gedurende zeven tot tien dagen tromboseprofylaxe aan zwangeren te geven. Ook in de NVOG-richtlijn, die de zorgaanbieder heeft overgelegd, wordt geadviseerd gedurende zes dagen tromboseprofylaxe te geven bij matige risicofactoren, onder meer een BMI boven 25 en operatieve placentaverwijdering.
Uit het medisch dossier blijkt bovendien dat cliënte in 2018 mogelijk problemen had met een stollingsstoornis. Gelet op de problemen die cliënte in het verleden heeft gehad met een stollingsstoornis, had zij na de bevalling antistollingsmedicatie toegediend moeten krijgen.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

De Raad van Bestuur heeft zorgvuldig kennisgenomen van het oordeel van de Klachtencommissie, waarin de klachtonderdelen ongegrond zijn verklaard. De klachtencommissie is van oordeel dat de gynaecoloog correct en in overeenstemming met de geldende richtlijn heeft gehandeld. Omdat er geen verhoogd risico op trombose bestond, behoefde daar ook geen specifieke voorlichting over te worden gegeven.

Beoordeling van het geschil

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval: de zorgaanbieder) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst, wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-) proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

De commissie zal de klacht van cliënte beoordelen in het licht van het hierboven geschetste toetsingskader.

Cliënte verwijt de zorgaanbieder dat hij heeft nagelaten aan cliënte een tromboseprofylaxe te geven nadat zij was bevallen van haar zoontje.

Cliënte is op 22 november 2023 bevallen van haar tweede kindje. Tijdens de zwangerschap kreeg zij last van zwangerschapsdiabetes. Vanaf 33 weken zwangerschap bleek bovendien sprake van een afbuigende groei van het kind. Daarom werd besloten tot inleiding bij 37,5 weken. Zij is vervolgens spontaan vaginaal bevallen. Omdat werd getwijfeld of de placenta compleet was, is er op de operatiekamer nagevoeld en gehecht. Enkele weken na de bevalling heeft zich een trombose in haar hoofd ontwikkeld met uitvalsverschijnselen en een langdurig revalidatietraject tot gevolg. Op 10 december 2023 heeft de neuroloog de medische diagnose ‘cerebrale veneuze sinus trombose’ (CVST) post partum gesteld.

Cliënte heeft aangevoerd dat de zorgaanbieder vanwege een cumulatie van risicofactoren in samenhang met stollingsproblemen in 2018 tromboseprofylaxe had moeten voorschrijven. Een herseninfarct was daarmee misschien niet te voorkomen geweest, maar de gevolgen waren naar alle waarschijnlijkheid veel minder ernstig geweest.

De zorgaanbieder heeft aangevoerd dat er sprake van een zeer zeldzame complicatie na een bevalling. In de literatuur wordt een kans op een CVST tijdens zwangerschap/kraambed genoemd van 0.018-0.2%. Bij cliënte bestonden (vanuit de medische voorgeschiedenis of anderszins) geen aanwijzingen voor een verhoogd risico op het optreden van een CVST. In het medisch dossier staat weliswaar vermeld dat er bij de huisarts een verdenking was van een mogelijke stollingsstoornis, maar hier is verder niets uitgekomen en gelet op het gevoerde beleid zou dit geen aanleiding zijn geweest voor het geven van tromboseprofylaxe. Ook in de eerste zwangerschap is hier geen nadere actie op ondernomen.

De commissie stelt voorop dat zij het verschrikkelijk vindt wat cliënte is overkomen.

De vraag die moet worden beantwoord, is of de behandelend arts heeft gehandeld volgens de geldende professionele standaard.

Op grond van de geldende richtlijn wordt een tromboseprofylaxe voorgeschreven bij cliënten met een ernstig overgewicht en bij cliënten die behoren tot een risicogroep. Uit het medisch dossier komt naar voren dat de huisarts cliënte in 2018 vanwege een verdenking op een stollingsstoornis heeft doorverwezen naar de specialist. Er is verder geen melding gemaakt dat er ook sprake is geweest van een stollingsstoornis. Cliënte heeft nooit last gehad van een trombosebeen. Ook zijn in de familiegeschiedenis geen afwijkingen bekend. Cliënte had geen overgewicht. De handmatige placentaverwijdering na de eerste bevalling, de aangeboren hartafwijking toen en ook het beloop tijdens de tweede zwangerschap en de bevalling vormden geen indicatie voor tromboseprofylaxe.
De commissie volgt het oordeel van de klachtencommissie dat de gynaecoloog in overeenstemming met de geldende richtlijn heeft gehandeld door geen tromboseprofylaxe voor te schrijven. Daarbij merkt de commissie op dat haar ambtshalve bekend is dat het onnodig voorschrijven van tromboseprofylaxe ook risico’s met zich meebrengt vanwege de kans op onder andere een hersenbloeding.

Omdat er geen verhoogd risico op trombose bestond, behoefde de gynaecoloog daar ook geen specifieke voorlichting over te geven. Het risico op een CVST tijdens het kraambed is ongeveer 0.02-0.2%. Dat cliënte deze zeer zeldzame aandoening heeft gekregen, was vooraf niet te voorspellen.

Hoewel de commissie begrijpt dat dit tragische medisch beloop het leven van cliënte voor goed heeft veranderd, komt zij tot het oordeel dat de behandelend arts heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts in gelijke omstandigheden zou hebben gehandeld.

De klacht zal ongegrond worden verklaard.

Ter zitting heeft de zorgaanbieder aangegeven dat cliënte zich voor vragen altijd tot de gynaecoloog kan richten. Het is aan cliënte of zij van dit aanbod gebruik wenst te maken.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer prof. dr. F.W. Jansen, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 20 februari 2026.