Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
660804/856528
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De uitspraak
in het geschil tussen
mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)
en
Universitair Medisch Centrum Utrecht, gevestigd te Utrecht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 1 april 2025 te Utrecht.
Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. De cliënt is samen met haar dochter ter zitting verschenen. Namens de zorgaanbieder waren aanwezig: mevrouw [naam] (jurist) en de heer [naam] (traumachirurg).
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft de vraag of de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld rondom en na de ingreep aan de pols van de cliënt.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
De cliënt dient een klacht in tegen de zorgaanbieder, meer specifiek tegen de heer [naam] (traumachirurg). De cliënt is geopereerd aan haar linkerpols in verband met een intra-articulair verlopende polsfractuur na een scooterongeluk. De behandeling door de traumachirurg heeft de cliënt als onvoldoende ervaren. De cliënt is na de operatie snel overgedragen waardoor haar behandeling is gestagneerd. De traumachirurg heeft ook onvoldoende geacteerd op de pijnklachten van de cliënt en tijdens het wachten op de operatie heeft de cliënt bijna twee jaar geen begeleiding of behandeling gekregen.
De cliënt verwijt de traumachirurg het volgende:
– Gelet op de complexiteit van de breuk had de traumachirurg tijdens de operatie een scan moeten maken;
– De cliënt is onvoldoende geïnformeerd over de diverse behandelmogelijkheden;
– Pas na de operatie werd gezien dat in de pols nog een botfragment los zat;
– Er is mogelijk op verkeerde wijze gips aangelegd waardoor CRPS is ontstaan;
– Er is onvoldoende geacteerd op pijnklachten die de cliënt heeft aangegeven.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
Scan maken
Tijdens het consult op 5 juli 2021 vond beeldvormend onderzoek (CT-scan en röntgenfoto) plaats waaruit bleek dat sprake was van een polsbreuk links (type AO 23-C3). De cliënt doelt op het gebruik van een 3D C-boog. Tijdens de operatie aan de pols op 6 juli 2021 is geen gebruik gemaakt van deze 3D C-boog. De operatie is middels beeldvorming (röntgendoorlichting) uitgevoerd. Het is niet essentieel dat bij een operatie als deze een 3D C-boog wordt gebruikt en niet gebruikelijk bij een primaire chirurgie als deze. Evenmin is de meerwaarde voor het gebruik van deze 3D C-boog voor de behandeling van een polsbreuk niet aangetoond. De traumachirurg heeft ook aan de cliënt uitgelegd.
Informatieverstrekking
De traumachirurg heeft de ernst van de breuk met de cliënt besproken en de operatie die geïndiceerd was uitgebreid besproken. Hierbij is ook de kans op complicaties (waaronder dat er in meer of mindere mate blijven beperking kon ontstaan) besproken. De cliënt heeft hierna ingestemd met de operatie die een dag later plaats zou vinden.
Los botfragment
Op de dag na de ingreep is een scan gemaakt. Hieruit bleek geen sprake van een los botfragment.
Ongeveer drie weken later is opnieuw een scan gemaakt. Op de röntgenfoto van 27 juli 2021 is dan te zien dat een stukje bot is verplaatst (DRU-fragment). Deze scan laat een verplaatsing zien van het DRU-fragment. Verder was het beeld conform eerder. Dit fragment stond op de eerste postoperatieve scan en röntgenfoto’s tijdens en na de operatie op zijn plek, maar blijkt nu onvoldoende ingeklemd.
Het op 26 juli 2021 waargenomen verplaatste DRU-fragment is dus niet pas later waargenomen omdat eerder een scan ontbrak of omdat deze eerder is gemist op de beeldvorming, maar omdat het fragment is verplaatst na de ingreep. Anders dan de cliënt meent, is hieruit niet af te leiden dat er onzorgvuldig zou zijn gehandeld door de traumachirurg.
Verkeerd aanlegging gips
Bij het verwijderen van het gips op 16 augustus 2021 is door de cliënt geen melding gemaakt dat het gips niet goed zat, evenmin zijn daar aanwijzingen voor en zijn er door de gipsmeester bij het verwijderen geen bijzonderheden genoteerd in het dossier die wijzen op te strak gips. Ook in de twee weken daarvoor heeft de cliënt niet gebeld met heftige pijnklachten (terwijl zij daar na de eerste ingreep bijvoorbeeld wel actief melding van maakte). Er zijn aldus geen aanwijzingen dat het gips zodanig te strak heeft gezeten als de cliënt nu naderhand aangeeft. Het is uit de klacht onvoldoende duidelijk geworden op welke punten t.a.v. het gips in de ogen van de cliënt onzorgvuldig zou zijn gehandeld.
Pijnklachten
Vanwege aanhoudende pijnklachten is de cliënt in augustus en september 2021 meerdere malen gezien. In februari en augustus 2022 is met de cliënt gesproken over het verwijderen van materiaal (VOSM), waarbij een uitgebreid revalidatietraject aan de orde is. De wachttijd voor deze niet-spoedeisende chirurgie was lang, wat een landelijk bekend probleem is.
Volgens de zorgaanbieder is geen sprake geweest van medisch onzorgvuldig handelen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Bevoegdheid commissie
Ten aanzien van haar bevoegdheid merkt de commissie het volgende op. De zorgaanbieder heeft bezwaar gemaakt tegen het feit dat de cliënt op het vragenformulier aangeeft zich het recht voor te behouden om na de geschillenprocedure via een aansprakelijkstelling een schadeclaim in te dienen.
Het is niet aan de commissie om hierover uitspraak te doen. De commissie heeft op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) slechts tot taak geschillen over gedragingen van een zorgaanbieder jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening te beslechten.
Reikwijdte klacht
Kort voor de mondelinge behandeling van het geschil heeft de cliënt nog een nieuw klachtonderdeel ingediend over gegevensuitwisseling met een andere zorgaanbieder. Dit klachtonderdeel wordt niet bij het geschil betrokken, nu de zorgaanbieder niet de gelegenheid heeft gehad daarop inhoudelijk te reageren.
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Scan
De cliënt klaagt dat de zorgaanbieder geen gebruik heeft gemaakt van een 3D C-boog om een scan te maken van haar fractuur.
Het maken van een scan met een 3D C-boog is geen onderdeel van de richtlijn en daarmee geen verplichte stap in het onderzoek of de behandeling van de cliënt. Het niet gebruiken van een 3D C-boog getuigt dan ook niet van onzorgvuldig handelen.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Informatieverstrekking
De cliënt klaagt dat ze onvoldoende is geïnformeerd over de diverse behandelmogelijkheden. De commissie volgt dit niet. In het dossier staat beschreven dat sprake is van informed consent en de cliënt heeft dit verder ook niet weersproken.
Ook heeft de traumachirurg de cliënt tijdig en voldoende geïnformeerd over eventuele behandeling door een andere specialist. De commissie acht het zorgvuldig dat de traumachirurg tijdig heeft aangegeven dat de behandelrelatie naar zijn mening vertroebeld is en dat verwijzing naar een collega wellicht beter is. Dat de cliënt de vertrouwensbreuk niet als zodanig heeft ervaren, doet daar niet aan af.
Uit de stukken of het besprokene ter zitting kan de commissie verder niet opmaken welke informatie de zorgaanbieder verder aan de cliënt had moeten verstrekken.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Los botfragment
Uit de postoperatieve CT-scan bleek geen sprake van een los botfragment. Na vier weken is opnieuw een CT-scan gemaakt waarop een DRU-fragment zichtbaar was (een migrerend botstukje). Het is voor de commissie niet vast te stellen waardoor het botstukje is losgeraakt. In ieder geval kan de commissie niet concluderen dat het losgeraakte botfragment te wijten is aan het handelen of nalaten van de zorgaanbieder.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Verkeerd aanlegging gips
Volgens de cliënt is bij haar CRPS ontstaan doordat het gips mogelijk op verkeerde wijze is aangelegd.
Na de tweede operatie heeft de cliënt een korte periode (19 dagen) gips gekregen ter verbetering van de wondgenezing. Dit is niet ongebruikelijk. Uit de stukken of het besprokene ter zitting kan de commissie niet opmaken dat dit gips op verkeerde wijze is aangelegd.
Volgens de Richtlijn CRPS voldoet de cliënt aan diverse risicofactoren voor het ontstaan van CRPS. De immobilisatie van de pols met gips is niet buitenproportioneel lang geweest. De commissie kan dan ook niet vaststellen dat de CRPS het gevolg is van het aanleggen van gips.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Pijnklachten en nazorg
De cliënt klaagt dat de zorgaanbieder onvoldoende heeft geacteerd op de door haar aangegeven pijnklachten. Hoewel de cliënt vanwege haar pijnklachten meermaals door de zorgaanbieder is gezien, is de zorgaanbieder niet overgegaan tot concrete actie, behalve het plaatsen van de cliënt op de lange wachtlijst voor een VOSM-ingreep (het verwijderen van het plaatje). De diagnose van CPRS is wel ter sprake gekomen tijdens het consult. Hierop had de zorgaanbieder de patiënt naar de multidisciplinaire pijnpoli moet sturen conform de richtlijn CRPS.
In zoverre is dit klachtonderdeel gegrond.
Conclusie
De klacht van de cliënt is ten dele gegrond. Omdat de klacht ten dele gegrond wordt verklaard, komt de commissie tot het oordeel dat de zorgaanbieder het door de cliënt betaalde klachtengeld van € 52,50 aan haar moet vergoeden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart het klachtonderdeel over de pijnklachten en nazorg gegrond;
– verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder het door de cliënt betaalde klachtengeld van € 52,50 aan de cliënt dient te vergoeden binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer drs. B. van Wageningen, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 1 april 2025.