Klacht over medicatie en bejegening binnen GGZ beoordeeld door de Geschillencommissie

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 914343/1036016

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënt, vertegenwoordigd door zijn moeder, diende een klacht in tegen Lentis over de behandeling van haar zoon na twee opnames in 2023. Volgens haar verslechterde de toestand van haar zoon door verkeerd voorgeschreven medicatie en door de manier waarop psychiaters hem en haar behandelden. De klacht omvatte vijf onderdelen: medicatiebeleid en druk om deze te slikken, weigering van informatie over een onderzoek, bejegening door psychiaters, te late reactie op een medicatievraag en een verkeerde verwijzing naar het UCP. De interne klachtencommissie had slechts het vierde onderdeel (te late reactie) gegrond verklaard. De geschillencommissie oordeelt dat dit onderdeel al voldoende is opgelost en de cliënt daarin niet-ontvankelijk is. Voor de andere onderdelen acht de commissie niet bewezen dat de medicatie schade veroorzaakte of dat psychiaters zich onjuist hebben gedragen. De monitoring van medicatie en de aanpassingen daarop waren volgens de commissie zorgvuldig uitgevoerd. Ook de verwijzing naar het UCP was correct en de vertraging lag deels aan de keuzes van de zoon zelf. Het ernstig psychisch lijden van de zoon staat buiten kijf, maar dit is niet veroorzaakt of verergerd door de zorgaanbieder. Omdat er geen tekortkomingen in de behandeling zijn vastgesteld, wijst de commissie het verzoek om schadevergoeding af.

De uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [woonplaats]

Vertegenwoordigd door zijn moeder
(hierna te noemen: de cliënt)

en

Lentis, gevestigd te Zuidlaren
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Samenvatting
De commissie verklaart een klacht over verergering van psychisch lijden door de behandeling met bepaalde medicatie en door de bejegening door de psychiaters van de zorgaanbieder, ongegrond, nu niet is gebleken van een toename van psychisch lijden door de behandeling door de psychiaters. De commissie wijst de vordering tot schadevergoeding af omdat er geen tekortkomingen zijn vastgesteld in de nakoming van de behandelovereenkomst.

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 19 juni 2025 te Zwolle.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling
Het geschil

Cliënt is de moeder van [naam], verder te noemen: (de) zoon. De zoon (die meerderjarig is), heeft zijn moeder gemachtigd een klacht voor hem in te dienen. De zoon is op 3 maart 2022 ernstig ziek geworden als gevolg van de besmetting met het Coronavirus. Volgens cliënt was het effect van de besmetting op haar zoon onder andere een ernstige depressie. Volgens cliënt is haar zoon in februari 2023 voor het eerst opgenomen bij de zorgaanbieder. Een tweede opname vond plaats in oktober 2023. Tijdens de eerste opname in 2023 was psychiater [naam psychiater 1] de behandelend psychiater. Volgens cliënt was psychiater [naam psychiater 2] tijdens de tweede opname in 2023 de behandelend psychiater.

Cliënt heeft een klacht ingediend bij de zorgaanbieder, welke klacht op 3 oktober 2024 in een zitting van de klachtencommissie is behandeld. De klachtencommissie heeft de klacht onderverdeeld in vijf onderdelen:

1. dreiging door psychiater [naam psychiater 1] dat wanneer zoon de amitriptyline weigerde, de opname zou worden beëindigd. Ook is er niet adequaat omgegaan met de medicatie;
2. Psychiater [naam psychiater 1] heeft geweigerd de naam te geven van de onderzoeker van het UCP (Universitair Psychiatrisch Centrum van het UMCG) die zoon heeft benaderd over het onderzoek naar gebruik van ketamine;
3. de bejegening door psychiater [naam psychiater 2] van cliënt en haar zoon in oktober 2023 rondom het ontslag van zoon en rond 9 januari 2024 inzake de medicatievraag van zoon;
4. in januari 2024 gaf psychiater [naam psychiater 2] te laat antwoord op een vraag van cliënt (dit ging over het te laat inplannen van een gesprek over wijziging van medicatie).
5. de verwijzing door psychiater [naam psychiater 2] naar het UCP was niet juist waardoor vertraging in de aanmeldingsprocedure is ontstaan.

In de klachtenprocedure bij de zorgaanbieder is klachtonderdeel 4 gegrond verklaard en zijn de overige klachtonderdelen ongegrond verklaard.
De zorgaanbieder heeft aangevoerd dat er over dit klachtonderdeel geen geschil meer bestaat omdat het gegrond is verklaard.

De commissie over ontvankelijkheid

De commissie is van oordeel dat cliënt niet-ontvankelijk is in klachtonderdeel 4, omdat dit klachtonderdeel door de zorgaanbieder in voldoende mate is opgelost (artikel 3 lid 2 sub b Reglement Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg).
De commissie is van oordeel dat cliënt in de overige klachtonderdelen ontvankelijk is.

De inhoudelijke behandeling

De commissie zal de vier resterende klachtonderdelen inhoudelijk beoordelen in dezelfde onderverdeling als de klachtencommissie van de zorgaanbieder heeft gedaan.

Het standpunt van cliënt

Psychiater [naam psychiater 1] schreef medicijnen voor aan de zoon, waardoor de lichamelijke en psychische toestand van zoon verslechterde. Psychiater [naam psychiater 1] heeft echter aan de zoon medegedeeld dat hij de kliniek moest verlaten als hij de medicijnen niet nam. De zoon is daarom de medicijnen blijven gebruiken. Begin april 2023 heeft psychiater [naam psychiater 5] de behandeling overgenomen, omdat zoon niet langer wenste te worden behandeld door psychiater [naam psychiater 1].

Volgens cliënt is haar zoon halverwege februari 2023 twee keer benaderd door een onderzoeker van het UCP over een proefbehandeling met ketamine. De zoon heeft de eerste keer al gezegd dat hij daaraan niet wilde meewerken en is volgens cliënt tegen zijn zin kort daarna nogmaals benaderd door de onderzoeker. Volgens cliënt weigerde psychiater [naam psychiater 1] de naam van de onderzoeker aan cliënt en haar zoon door te geven. Na veel aandringen heeft psychiater [naam psychiater 1] dat uiteindelijk toch gedaan.

In oktober 2023 is de zoon opnieuw opgenomen in de kliniek van de zorgaanbieder. Volgens cliënt was tijdens die opname psychiater [naam psychiater 2] de behandelend psychiater van haar zoon. Psychiater [naam psychiater 2] schreef eveneens de verkeerde medicijnen voor aan de zoon. Bovendien heeft psychiater [naam psychiater 2] de zoon ontslagen uit de kliniek terwijl hij suïcidaal was. Toen moeder tegen het ontslag protesteerde, schreeuwde psychiater [naam psychiater 2] tegen haar. De zoon is dezelfde dag weer opgenomen via de crisisdienst van de zorgaanbieder. Tijdens de opname vanaf oktober 2023 hebben cliënt en haar zoon gevraagd om andere medicatie, maar heeft het heel lang geduurd voordat er een gesprek met een psychiater kon worden ingepland. Psychiater [naam psychiater 2] heeft tegen cliënt toen ze hem trof, gezegd dat hij een week later een afspraak kon inplannen om over de medicatie te praten. Dat duurde volgens cliënt veel te lang omdat haar zoon kapot ging aan de medicatie die hem door psychiater [naam psychiater 1] en [naam psychiater 2] werd voorgeschreven. De zoon heeft daardoor zelfs een euthanasieverzoek ingediend. Volgens cliënt hebben zij en haar zoon tenslotte met een vrouwelijke psychiater gesproken die heeft toegezegd de medicatie te zullen afbouwen.

Uiteindelijk is de zoon in het UCP terechtgekomen, waar het volgens cliënt duidelijk werd dat de medicijnen die de zoon door de zorgaanbieder werden voorgeschreven, een slecht effect op hem hadden. De opname bij het UCP is echter vertraagd doordat psychiater [naam psychiater 2] een onjuiste verwijzing naar het UCP heeft gedaan.

Volgens cliënt heeft het lijden van haar zoon door de fouten van de psychiaters veel langer geduurd dan nodig was. Door die fouten heeft het lang geduurd voordat de zoon de juiste behandeling heeft gekregen. Hierdoor is de zoon zijn baan kwijtgeraakt.
Volgens cliënt kan de klacht worden opgelost door de psychiaters van de zorgaanbieder te straffen en de schade te vergoeden aan haar zoon.

Het standpunt van de zorgaanbieder

Er was sprake van een eerste behandeling bij de zorgaanbieder (op de afdeling PsyQ depressie) van
30 maart 2016 tot en met 21 oktober 2016. Op 5 augustus 2022 is de zoon opnieuw in beeld gekomen bij de zorgaanbieder, dit keer bij de crisisdienst, vanwege een verdenking van depressie na het doormaken van Covid. Op dat moment heeft de zoon zijn werk al neergelegd. Er volgt in overleg geen verwijzing voor behandeling wegens een lopend traject bij het Martini ziekenhuis. Op 2 februari 2023 vindt er opnieuw een beoordeling bij crisisdienst van de zorgaanbieder plaats, omdat de zoon bij zijn huisarts te kennen heeft gegeven wegens suïcidaliteit een euthanasiewens te hebben.
Op 27 februari 2023 heeft psychiater [naam psychiater 1] met de zoon gesproken omdat de zoon na drie dagen was gestopt met de behandeling met sertraline vanwege bijwerkingen. Volgens psychiater [naam psychiater 1] was er geen verband tussen de klachten van zoon en de medicatie. Psychiater [naam psychiater 1] heeft behandeling met andere medicatie voorgesteld, waarmee zoon uiteindelijk een dag later heeft ingestemd. Er is gestart met amitriptyline. De dosering is vervolgens van 10 milligram opgehoogd naar uiteindelijk 30 milligram op 13 maart 2023. Kort daarna meldde zoon dat hij veel bijwerkingen ervoer. Er is een bloedspiegelcontrole gedaan die geen dan wel een onmeetbaar lage amitriptylinespiegel liet zien. Desondanks is de dosis verlaagd naar 20 milligram. Wegens onvrede met de behandeling door psychiater [naam psychiater 1], heeft psychiater [naam psychiater 5], de behandeling op 5 april 2023 overgenomen.

Wat betreft het doorgeven van de naam van de onderzoeker van het UCP (een onderzoek dat samen met de zorgaanbieder werd uitgevoerd) heeft psychiater [naam psychiater 1] verklaard die naam niet eerder te hebben doorgeven omdat hij de naam niet wist. Het bleek na onderzoek om psychiater [naam psychiater 3] te gaan die op 14 februari 2023 en op 15 februari 2023 met de zoon heeft gesproken. Zodra psychiater [naam psychiater 1] had uitgezocht wie de onderzoeker was, heeft hij de naam doorgegeven aan cliënt en haar zoon.

Op 7 juni 2023 volgt een verwijzing naar de afdeling depressie van het UCP voor klinische overname. De opname bij het UCP heeft plaatsgevonden van 9 augustus 2023 tot en met 21 september 2023. De zoon heeft de opname tegen het advies van het UCP in, zelf beëindigd om hyperbare zuurstoftherapie in Duitsland te volgen.

Op 9 oktober 2023 is opnieuw een beoordeling en een opname bij de zorgaanbieder gevolgd. Deze opname is voortgezet tot 12 maart 2024. Psychiater [naam psychiater 2] was geen regiebehandelaar maar was alleen betrokken als beoordelend psychiater Een psychiater van de kliniek heeft de zoon ontslagen op 16 oktober 2023. Na het ontslag is psychiater [naam psychiater 2] wel op de afdeling van de kliniek geweest.

Er ontstond veel onrust bij het ontslag: moeder en medepatiënten stonden bij de receptie en moeder heeft tegen psychiater [naam psychiater 2] gezegd dat hij de dood van haar zoon op zijn geweten zou hebben als de zoon niet opnieuw werd opgenomen. Psychiater [naam psychiater 2] is vervolgens weggelopen en heeft geprobeerd de zoon opnieuw te laten opnemen in de kliniek, maar dat werd geweigerd. Later die dag heeft psychiater [naam psychiater 2] de zoon via de crisisdienst weer laten opnemen. Op 9 januari 2024 trof psychiater [naam psychiater 2] moeder in de gang van de kliniek. Moeder was erg dreigend en verwijtend en verklaarde iedereen te willen vermoorden. Er was weer sprake van de aanwezigheid van medepatiënten. Psychiater [naam psychiater 2] is opnieuw weggelopen en heeft moeder verzocht het pand te verlaten omdat ze er buiten bezoektijden aanwezig was. Uiteindelijk heeft er op 9 januari 2024 wel een gesprek over de medicatie met onder andere psychiater [naam psychiater 4] plaatsgevonden.

Op 19 oktober 2023 is in overleg met patiënt een verwijzing gedaan naar de polikliniek depressie van het UCP voor ambulante vervolgbehandeling. De zoon gaf te kennen niet weer naar de klinische afdeling depressie van het UCP te willen terugkeren na zijn ervaringen eerder dat jaar. Op 29 november 2023 heeft het UCP gemeld dat de aanmelding was afgewezen wegens twijfel aan de nodige intrinsieke motivatie bij de zoon. Hierop heeft psychiater [naam psychiater 2] met patiënt besproken of hij toch niet te motiveren was voor een voortzetting van de klinische behandeling die hij op 21 september 2023 had beëindigd. Uiteindelijk heeft de zoon hiermee ingestemd waarna de zoon op 12 maart 2024 is overgeplaatst naar het UCP. De vertraging is volgens de zorgaanbieder veroorzaakt door zoon zelf.

De overwegingen van de commissie

De commissie overweegt als volgt.

Ten aanzien van klachtonderdeel 1:
De commissie is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de zoon medicatie is toegediend die hem alleen maar zieker maakte en dat er niet werd geluisterd naar hetgeen de zoon over de bijwerkingen van de medicatie aan de psychiaters heeft medegedeeld. De commissie constateert dat het effect en de bijwerkingen van de medicatie nauwkeurig werden gemonitord en dat naar aanleiding van mededelingen van de zoon de medicatie is gewijzigd en of de hoeveelheden zijn aangepast. Dat psychiater [naam psychiater 1] zou hebben gedreigd dat de zoon de kliniek moest verlaten als hij de voorgeschreven medicatie niet meer zou innemen, is niet gebleken. De commissie leidt dit onder andere af uit het feit dat toen de zoon was gestopt met het innemen van sertraline, aan de zoon is voorgesteld andere medicatie te proberen en de opname voort te zetten.

De verklaring van cliënt dat bij het UCP duidelijk is geworden dat de behandeling met de medicatie die de zorgaanbieder aan haar zoon heeft voorgeschreven de verkeerde behandelwijze was, omdat die behandeling een verkeerd effect op de zoon had, acht de commissie niet aannemelijk. Achteraf is immers gebleken dat de zoon tussen de twee opnames bij de zorgaanbieder in 2023 in, opgenomen is geweest bij het UCP. Van deze tussentijdse opname heeft de cliënt geen melding gemaakt.
De commissie ziet niet in waarom de zoon deze tussentijdse opname zelf zou afbreken als de behandeling door het UCP in zijn ogen wel aansloeg. Bovendien heeft de zoon zich in het najaar van 2023 opnieuw laten opnemen bij de zorgaanbieder en wilde hij niet meer worden verwezen naar de afdeling van het UCP waar hij tussen de twee opnames bij de zorgaanbieder in, was behandeld. Dit alles doet vermoeden dat de behandeling door het UCP, in ieder geval in de ogen van de zoon, ook niet naar tevredenheid was.

Ten aanzien van klachtonderdeel 2:
Naar het oordeel van de commissie is niet gebleken dat psychiater [naam psychiater 1] de naam van de onderzoeker van het UCP, die zich bezighield met het ketamine-onderzoek, niet wilde doorgeven. Psychiater [naam psychiater 1] kende de naam van de onderzoeker niet en had wat tijd nodig om te onderzoeken wie de onderzoeker was. Op het moment dat psychiater [naam psychiater 1] bekend was met de naam van de onderzoeker, heeft psychiater [naam psychiater 1] de naam doorgegeven aan cliënt en haar zoon.

Ten aanzien van klachtonderdeel 3:
Wat betreft de bejegening van cliënt en haar zoon door psychiater [naam psychiater 2] ten tijde van het ontslag uit de kliniek op 16 oktober 2023 en op 9 januari 2024, concludeert de commissie dat psychiater [naam psychiater 2] beide keren is weggelopen met de bedoeling om verdere escalatie te voorkomen. De commissie is van oordeel dat dit op dat moment de meest passende aanpak was. Dat psychiater [naam psychiater 2] op 16 oktober 2023, nadat hij is weggelopen, vervolgens alles in het werk heeft gesteld de zoon opnieuw te laten opnemen, hetgeen ook is gelukt, getuigt volgens de commissie van grote betrokkenheid bij de situatie van de zoon.

Ten aanzien van klachtonderdeel 5:
De commissie concludeert dat de zoon zelf de vertraging in de verwijzing naar de juiste afdeling bij het UCP veroorzaakt heeft, nu hij in eerste instantie niet naar de klinische afdeling voor behandeling van depressie binnen het UCP wilde worden verwezen. Nu er geen sprake is van een foutieve verwijzing, kan de zorgaanbieder naar het oordeel van de commissie ook niet worden verweten dat de zoon zijn baan is verloren. Bovendien is het naar het oordeel van de commissie, hoe betreurenswaardig ook, maar zeer de vraag of een eerdere behandeling door het UCP in het najaar van 2023, wel tot baanbehoud had geleid. De zoon had immers in augustus 2022 zijn werkzaamheden al moeten neerleggen.

De commissie is op grond van vorenstaande van oordeel dat de klachtonderdelen 1 tot en met 3 en klachtonderdeel 5 ongegrond moeten worden verklaard.
De commissie is van oordeel dat er geen verband is tussen het lijden van de zoon en de behandeling door de zorgaanbieder. Dat er in de periode die in het dossier wordt beschreven, sprake was van ernstig lijden, staat, onder andere gelet op de euthanasiewens, niet ter discussie, maar de zorgaanbieder heeft dit lijden niet verergerd en de euthanasiewens niet veroorzaakt. Die wens was immers reeds kort voor de opname in februari 2023 al aanwezig.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat cliënt niet-ontvankelijk is in klachtonderdeel 4 en dat de overige klachtonderdelen ongegrond zijn.

Wat betreft het verzoek om de schade van de zoon te vergoeden overweegt de commissie dat, nog daargelaten dat het verzoek om toekenning van schadevergoeding niet is gespecificeerd en onderbouwd, er voor vergoeding van schade tekortkomingen in de nakoming van de behandelovereenkomst moeten worden vastgesteld en dat die tekortkomingen er naar het oordeel van de commissie niet zijn. Het verzoek tot toekenning van schadevergoeding zal dus worden afgewezen.

Ten overvloede overweegt de commissie dat de commissie klachten, die zij in behandeling neemt, slechts gegrond of ongegrond kan verklaren en geen straffen kan opleggen. De commissie ziet overigens, mocht zij die bevoegdheid wel hebben, ook geen enkele aanleiding bestraffend op te treden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart cliënt niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 4;
– verklaart de klachtonderdelen 1, 2, 3 en 5 ongegrond en
– wijst de vordering tot toekenning van schadevergoeding af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit mr. M.M. Verhoeven, voorzitter, drs. T. Knap, mr. H.E.L. Loeffen, leden, in aanwezigheid van mr. C. Koppelman, secretaris, op 19 juni 2025.