Klacht over late diagnose niet behandeld door commissie

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Ontvankelijkheid    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: niet-ontvankelijk   Referentiecode: 1156631/1308924

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een moeder diende namens haar dochter een klacht in tegen het Maasstad Ziekenhuis over een vermeend te late diagnose van het nefrotisch syndroom. Volgens haar was de diagnose bij haar dochter te laat gesteld, waardoor er schade kon zijn ontstaan. Het ziekenhuis stelde echter dat de klacht niet door de geschillencommissie behandeld kon worden, omdat de interne klachtenprocedure in het ziekenhuis niet was afgerond. De commissie moest daarom eerst beoordelen of de moeder ontvankelijk was in haar klacht. Tijdens de zitting gaf de moeder aan dat zij na een brief van de klachtenfunctionaris had besloten geen interne klachtenprocedure te starten. Zij dacht dat zij direct naar de geschillencommissie kon gaan. Volgens het reglement moet een patiënt echter eerst de interne klachtenprocedure van het ziekenhuis doorlopen voordat een geschil bij de commissie kan worden ingediend. De commissie oordeelde dat het ziekenhuis daardoor onvoldoende kans heeft gekregen om de klacht zelf te onderzoeken en mogelijk op te lossen. Hoewel de communicatie vanuit het ziekenhuis volgens de commissie voor verwarring kon zorgen, was dat geen reden om van de regels af te wijken. Daarom werd de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. Het ziekenhuis heeft tijdens de zitting aangeboden om alsnog een interne klachtenprocedure te starten, waar de moeder voor openstond.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: klaagster), namens haar dochter [naam], (hierna te noemen: cliënte),

en

Stichting Maasstad Ziekenhuis, gevestigd te Rotterdam
(hierna te noemen: het ziekenhuis).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 15 januari te Den Haag.

Klaagster werd ter zitting bijgestaan door haar echtgenoot, [naam] en met haar vertaalster.
Het ziekenhuis werd ter zitting vertegenwoordigd door [naam] en [naam], kinderarts.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de delay van de diagnose Nephrotic Syndroom.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

De commissie dient primair te beoordelen of de klaagster in haar klacht kan worden ontvangen, nu het ziekenhuis in haar verweer uitdrukkelijk een beroep op niet-ontvankelijkheid heeft gedaan.

Het ziekenhuis heeft een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 6, lid 1, onder b, van het Reglement van de commissie (verder: reglement) en de commissie verzocht klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk te verklaren.

Klaagster heeft ter zitting aangegeven dat, nadat zij haar klacht over de medische behandeling aan de klachtenfunctionaris had voorgelegd en van de klachtenfunctionaris een brief over haar klacht heeft ontvangen, zij heeft afgezien van een interne klachtenprocedure. Zij begreep uit de brief van de klachtenfunctionaris dat zij kon kiezen voor een interne klachtenprocedure of een geschillenprocedure bij de geschillencommissie. Het advies van de klachtenfunctionaris om juridische bijstand in te schakelen heeft zij, vanwege de hoge kosten, niet opgevolgd.

Op grond van artikel 3 sub b. van het reglement kan een geschil door een cliënt aan de commissie worden voorgelegd indien de cliënt schriftelijk kan aantonen dat de interne klachtenprocedure bij het ziekenhuis is beëindigd. De commissie verklaart op verzoek van het ziekenhuis – gedaan bij eerste gelegenheid – de cliënt in zijn klacht niet ontvankelijk indien hij niet schriftelijk kan aantonen dat hij deze interne klachtenprocedure heeft gevolgd (artikel 6, lid 1, onder b van het reglement). In afwijking van het bepaalde in voornoemd artikel kan de commissie besluiten het geschil toch in behandeling te nemen, indien de cliënt ter zake van de niet naleving van deze voorwaarde naar het oordeel van de commissie redelijkerwijs geen verwijt treft (artikel 6. lid 2.).

De commissie heeft vastgesteld dat geen inhoudelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden waarbij hoor en wederhoor is toegepast. Klaagster heeft naar het oordeel van de commissie het ziekenhuis niet de gelegenheid gegeven om de klacht in voldoende mate op te lossen.
Gelet hierop zal klaagster niet-ontvankelijk worden verklaard in haar klacht nu zij er bewust voor heeft gekozen om de klachtenprocedure in het ziekenhuis niet te doorlopen. Daarbij overweegt de commissie dat klaagster geen omstandigheden heeft aangevoerd waardoor zij ter zake van de niet naleving van deze voorwaarde van artikel 3 sub b redelijkerwijs geen verwijt treft.

Daarbij merkt de commissie wel op dat de correspondentie met klaagster voor meerdere uitleg vatbaar is geweest waardoor er bij klaagster verwarring is ontstaan over de te volgen procedurele stappen. Dat leidt evenwel niet tot een ander oordeel omdat klaagster gebruik had kunnen maken van de ook in die brief gegeven mogelijkheid zich nader door de zorgaanbieder te laten informeren.

Ter zitting heeft de zorgaanbieder klaagster de mogelijkheid geboden om alsnog de interne klachtenprocedure te volgen. Klaagster heeft aangegeven hiervoor open te staan.
De commissie acht het gewenst dat de zorgaanbieder met klaagster contact opneemt teneinde deze interne klachtenprocedure in gang te zetten.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd. Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer drs. G.J. van der Burg, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 15 januari 2026.