Commissie: Zorg Algemeen
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: onbevoegd
Referentiecode:
434622/508179
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een cliënt heeft een klacht ingediend tegen Stichting CJG Rijnmond over de langdurige jeugdhulpverlening aan haar zoon, die sinds zijn geboorte betrokken is bij de organisatie. Ze verwijt de zorgaanbieder onder meer gemiste diagnoses en onvoldoende inzet van passende hulp, ondanks duidelijke signalen. Pas in 2021 werd autisme als werkhypothese genoemd, terwijl de cliënt al jarenlang van hulpverlener naar hulpverlener werd gestuurd. De cliënt wil dat de commissie onderzoek doet naar falende ketenzorg vanaf de geboorte van haar zoon. De commissie beoordeelt eerst haar bevoegdheid. De klacht betreft jeugdzorg aan een minderjarige op basis van de Jeugdwet. Dergelijke hulp valt buiten de reikwijdte van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), waar de commissie normaliter haar bevoegdheid aan ontleent. Omdat de Jeugdwet een eigen klachtenregeling kent, verklaart de commissie zich onbevoegd deze zaak te behandelen. Hoewel begrijpelijk is dat de cliënt dacht dat haar klacht behandeld zou worden, mede doordat zij werd doorverwezen en het secretariaat bevestiging gaf van behandeling, kan dat geen bevoegdheid scheppen. Ook kan de commissie geen onderzoek doen naar falende ketenzorg, zoals verzocht. De klacht wordt niet inhoudelijk behandeld. De commissie verklaart zich onbevoegd.
De uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [plaats] (hierna te noemen: de cliënt)en
Stichting CJG Rijnmond, gevestigd te Rotterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Samenvatting
De commissie oordeelt dat de klacht gebaseerd is op het handelen van de zorgaanbieder als jeugdhulpaanbieder aan een 14-jarig kind op basis van de Jeugdwet. De Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (verder: Wkkgz) geldt niet voor aanbieders van diensten die vanuit de Jeugdwet worden gefinancierd. De wetgever heeft in de Jeugdwet een klachtenregeling opgenomen waarin andere vereisten zijn opgenomen dan in de Wkkgz. De klachten op basis van de Jeugdwet vallen daarom buiten het bestek van de Wkkgz. De commissie is onbevoegd om op grond van de Wkkgz het geschil te behandelen.
Behandeling van het geschil
De Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken. Na bestudering van de stukken heeft de commissie geoordeeld dat zij eerst een voorbeslissing dient te nemen over haar bevoegdheid. Zij betreurt het dat partijen in eerste instantie door het secretariaat abusievelijk voor de behandeling van het geschil zijn uitgenodigd nu de bevoegdheid van de commissie nog niet vast staat. Klaagster heeft vervolgens aan het secretariaat van de commissie laten weten dat zij haar klacht wenst in te trekken. De zorgaanbieder is niet akkoord gegaan met het intrekken van de klacht. Nu een klacht slechts kan worden ingetrokken met wederzijdse toestemming van partijen, zal de commissie een voorbeslissing nemen inzake haar bevoegdheid.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 24 april 2025 te Den Haag.
Beoordeling
Klaagster heeft het volgende naar voren gebracht. De zorgaanbieder is al vanaf zijn geboorte, 14 jaar geleden, betrokken in het medisch dossier van haar zoon. Klaagster verwijt de zorgaanbieder onzorgvuldig handelen vanwege gemiste diagnoses en het niet op gang komen van de juiste jeugdhulpverlening na incidenten. De signalen dat er heel veel met haar zoon aan de hand is waren al vroeg zichtbaar, maar pas in augustus 2021 heeft een nieuwe psycholoog de werkhypothese autisme gesteld. Klaagster is dan al jaren van het kastje naar de muur gestuurd, van zorgverlener naar zorgverlener met allerlei wisselende visies. Naast de zorgaanbieder zijn de ketenpartners huisarts, en het wijkteam van de gemeente Vlaardingen (ondergebracht bij de gecontracteerde jeugdhulpverlener Mevis, voor 31 december 2022 was dit Minters) betrokken. Naar aanleiding van haar klacht heeft de Raad van Bestuur van de zorgaanbieder een onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek worden niet met klaagster gedeeld, ondanks haar uitdrukkelijke verzoek daartoe. Klaagster verzoekt de commissie onderzoek in te stellen naar de falende ketenzorg vanaf de geboorte van haar zoon.
Allereerst dient de commissie in het kader van haar bevoegdheid te beoordelen of de aanbieder in het onderhavige geschil is te kwalificeren als een zorgaanbieder in de zin van de Wkkgz. Pas na positieve beantwoording van die vraag volgt een inhoudelijke behandeling van het geschil.
Op grond van artikel 19, lid 1, van de Wkkgz heeft de commissie tot taak geschillen over gedragingen van een zorgaanbieder jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening te beslechten. Zorg is in de Wkkgz gedefinieerd als zorgverlening vanuit de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet en andere zorg. Onder ‘andere zorg’ vallen handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg, zoals beschreven in artikel 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en handelingen met een ander doel dan het bevorderen of bewaken van de gezondheid van de cliënt. Met het laatste wordt onder meer gedoeld op alternatieve en cosmetische zorg.
De Wkkgz geldt niet voor aanbieders van diensten die vanuit de Jeugdwet worden gefinancierd. Voor zover de hulp geboden wordt aan jeugdigen tot de leeftijd van 18 jaar, valt deze hulp onder het bereik van de Jeugdwet. De wetgever heeft in de Jeugdwet een klachtenregeling opgenomen waarin andere vereisten zijn opgenomen dan in de Wkkgz. Voor de inrichting van een dergelijke klachtenregeling zijn de aanbieders zelf verantwoordelijk (artikel 4.2.1 van de Jeugdwet). Klachten over het handelen van de zorgaanbieder worden volgens de Jeugdwet behandeld door een onafhankelijke klachtencommissie van de zorgaanbieder zelf. De klachten op basis van de Jeugdwet vallen daarom buiten het bestek van de Wkkgz.
In het onderhavige geschil gaat het om de vraag of de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld bij de uitvoering van haar taak als jeugdzorg-aanbieder aan een minderjarig kind. De commissie heeft op basis van de stukken vastgesteld dat de zorgaanbieder deze taak verricht op grond van de Jeugdwet.
Nu onderhavige klacht betrekking heeft op het handelen van de zorgaanbieder in het kader van de jeugdzorgverlening aan een minderjarig kind, gebaseerd op de Jeugdwet, is de commissie onbevoegd om op grond van de Wkkgz het geschil te behandelen.
Ten overvloede merkt de commissie nog het volgende op. Allereerst begrijpt zij dat klaagster de indruk heeft gehad dat de commissie haar klacht zou behandelen, omdat zij door de zorgaanbieder is doorverwezen naar de commissie. Ook het secretariaat heeft mogelijk (onbedoeld) de suggestie gewekt dat de commissie bevoegd is door in een ontvangstbevestiging te schrijven dat de klacht in behandeling wordt genomen door de Geschillencommissie Zorg Algemeen en door het klachtengeld in rekening te brengen. Dergelijke berichtgeving kan echter niet meebrengen dat de commissie toch bevoegd is. Een tweede opmerking betreft het verzoek van klaagster om een onderzoek in te stellen naar de falende ketenzorg vanaf de geboorte van haar zoon. De commissie overweegt dat, indien zij zou zijn toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil, het op grond van haar reglement niet mogelijk is een dergelijk onderzoek te doen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart zich onbevoegd het geschil te behandelen.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer drs. G.J. van der Burg, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 24 april 2025.