Klacht over heupoperatie en knieklachten ongegrond verklaard

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 578106/1285199

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een man diende een klacht in tegen het Jeroen Bosch Ziekenhuis omdat hij na een heupoperatie ernstige knieklachten kreeg. In 2020 kreeg hij een volledige heupprothese in zijn rechterheup. Kort daarna ontstonden pijnklachten aan de buitenkant van zijn rechterknie, waardoor lopen en staan steeds moeilijker werd. Volgens de patiënt was de prothese verkeerd geplaatst en ontstond daardoor een scheefstand van het been. Na meerdere second opinions en onderzoeken werd hij uiteindelijk in een ander ziekenhuis opnieuw geopereerd, waarna de scheefstand verdween en de klachten sterk afnamen. De patiënt stelde dat de eerste operatie onzorgvuldig was uitgevoerd en vroeg om erkenning en een schadevergoeding van €25.000. Het ziekenhuis stelde dat de operatie volgens de professionele standaard was uitgevoerd en dat de prothese correct was geplaatst. Ook wees het ziekenhuis erop dat de patiënt aanvankelijk tevreden was met het resultaat en dat knieklachten pas later weer werden gemeld, terwijl die vóór de operatie ook al aanwezig waren. De commissie oordeelde dat uit het medisch dossier blijkt dat de operatie zorgvuldig en volgens de geldende normen is uitgevoerd. Ook stelde de commissie vast dat de arts daarna meerdere onderzoeken heeft laten uitvoeren en de patiënt heeft doorverwezen voor second en third opinions. Volgens de commissie kon niet worden vastgesteld dat de knieklachten het gevolg waren van de heupoperatie of van een fout van de chirurg. De klacht werd daarom in alle onderdelen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting Jeroen Bosch Ziekenhuis, gevestigd te ‘s-Hertogenbosch
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)
gemachtigde: [naam] (VvAA)

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 26 november 2025 te Utrecht. Partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunt nader toegelicht. De cliënt werd daarbij vergezeld door zijn echtgenote. Namens de zorgaanbieder zijn verschenen [naam] (orthopedisch chirurg), [naam] (orthopedisch chirurg), [naam] (ziekenhuisjurist) en [naam] (gemachtigde).

Onderwerp van het geschil

De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat een heupoperatie onzorgvuldig is uitgevoerd. Na de operatie heeft de cliënt ernstige knieklachten ontwikkeld die uiteindelijk met een hersteloperatie in een ander ziekenhuis verholpen zijn.

Standpunt van de cliënt

In 2020 heeft de cliënt een operatie tot het plaatsen van een volledige heupprothese in het rechterbeen ondergaan in het ziekenhuis van de zorgaanbieder. Al gauw na de ingreep ontwikkelde de cliënt ernstige pijnklachten aan de buitenkant van zijn rechterknie. Lopen en staan werd gaandeweg vrijwel onmogelijk. De pijn in de knie werd veroorzaakt door een scheefstand van het bovenbeen die door de heupoperatie is opgetreden. De cliënt heeft meerdere zorgverleners bezocht voor het verkrijgen van een second en third opinion en uiteindelijk is hem in de Sint Maartenskliniek duidelijk geworden dat de prothese niet op de juiste wijze is geplaatst en een correctieve operatie onvermijdelijk was. Die operatie, waarbij de steel van de prothese op een andere wijze is geplaatst, is op 4 september 2025 uitgevoerd. Sindsdien is de scheefstand van het rechterbeen verdwenen, kan de cliënt weer lopen en bewegen en is de pijn aanzienlijk verminderd en beheersbaar.

De cliënt verwijt de chirurg van de zorgaanbieder dat de heupoperatie op 21 september 2020 niet is uitgevoerd volgens de professionele standaard en daarna de diagnose van de scheefstand van het rechterbovenbeen ten onrechte niet is gesteld.
De klachten van de cliënt werden toegeschreven aan artrose van de knie. Er werden allerlei onderzoeken voorgesteld die niet ter zake doende waren. De cliënt had het gevoel dat hij met een kluitje in het riet werd gestuurd en ‘om de hete brij heen werd gedraaid’. De cliënt heeft als gevolg van de onzorgvuldig uitgevoerde operatie jarenlang veel pijn geleden en hij is ernstig beperkt geweest in zijn doen en laten waarvoor hij de zorgaanbieder verantwoordelijk houdt. Naast een erkenning van zijn klachten vraagt de cliënt een schadevergoeding van € 25.000,-.

In de procedure heeft de zorgaanbieder het volledige medisch dossier van de cliënt vanaf 2018 overgelegd. De cliënt stelt zich op het standpunt dat de operatie waarop de klacht ziet pas op 21 september 2020 is uitgevoerd waarmee zijn dossier vanaf 2018 tot 2020 buiten beschouwing dient te blijven.

Standpunt van de zorgaanbieder

De cliënt heeft zich op 6 februari 2018 op de afdeling orthopedie van het ziekenhuis van de zorgaanbieder gemeld vanwege persisterende heupklachten aan beide zijden. Vastgesteld werd dat sprake was van coxartrose (artrose in het heupgewricht). Op dat moment kwam de cliënt nog niet in aanmerking voor een heupprothese. Dit was anders toen de cliënt zich op 16 juni 2020 opnieuw meldde. Ditmaal was er een indicatie voor een totale heupprothese aan de rechterzijde. De cliënt heeft zich middels ondertekening van het informed consent formulier akkoord verklaard met de ingreep.

Op 21 september 2020 is de operatie uitgevoerd door orthopedisch chirurg Sprengers waarbij is uitgegaan van de natuurlijke stand en draaiing van de heupen van de cliënt. De operatie verliep ongecompliceerd. De op 22 september 2020 gemaakte röntgenfoto liet een goede stand van de prothese zien. Tijdens een controleafspraak op 18 november 2020 was de cliënt zeer tevreden met de operatie en ervoer hij nauwelijks meer pijn.

Op 1 februari 2021 gaf de cliënt te kennen dat hij het gevoel had dat zijn rechter been zwabberde en het leek alsof zijn rechter onderbeen een afwijkende valgusstand vertoonde. Vanwege de coronapandemie wilde de cliënt nog even wachten met het maken van een afspraak die vervolgens op 14 juni 2021 plaatsvond. De cliënt heeft toen aangegeven dat hij niet tevreden was met het resultaat van de operatie. Vastgesteld werd dat sprake was van een scheefstand van de knie en het rechteronderbeen in valgus. De zorgaanbieder heeft een neurologisch consult en een CT-scan van de heup voorgesteld om de verbetermogelijkheden van de stand van het been te onderzoeken maar de cliënt voelde hier niet voor.

Op verzoek van de cliënt werd hij op 7 juli 2021 verwezen naar het Radboud UMC voor een second opinion. Daar werd een terughoudend beleid geadviseerd ten aanzien van een eventuele revisieoperatie en werd geconcludeerd dat de klachten van de cliënt mogelijk waren toe te schrijven aan een kleine verlenging van het rechterbeen. In december 2021 maakte de cliënt voor het eerst melding van knieklachten; vóór de operatie was daarvan ook sprake maar nadien heeft de cliënt gedurende een jaar en vier maanden geen pijnklachten gemeld. Op 9 maart 2022 heeft de cliënt de Kliniek ViaSana bezocht voor een third opinion waarin werd geconcludeerd dat de door de cliënt ervaren (knie)klachten een andere oorzaak leken te hebben dan de heupprothese en gelegen waren in artrose.

De chirurg van de zorgaanbieder heeft veelvuldig met de cliënt overlegd en de mogelijkheden voor het verbeteren van zijn klachten met hem besproken. Ook de mogelijkheden van een revisieoperatie zijn besproken. De casus van de cliënt is uitgebreid voorbereid en besproken in de “heupunit” van de zorgaanbieder. In overleg werd geconcludeerd dat het beter was om vooralsnog van een revisieoperatie af te zien. In 2024 heeft de cliënt verzocht om een verwijzing voor een nieuwe second opinion naar de Sint Maartens kliniek. In de Sint Maartens kliniek werd eveneens de mogelijkheid van een revisieoperatie besproken. Met die operatie heeft de cliënt ingestemd waarna de operatie op 4 september 2025 heeft plaatsgevonden.

De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat de operatie van de cliënt volgens de professionele standaard is uitgevoerd en de nazorg eveneens conform de professionele standaard is verleend.

Beoordeling van het geschil

Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen de cliënt en de zorgaanbieder, is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener – in dit geval de orthopedisch chirurg – de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen. Daarbij moet de hulpverlener handelen in overeenstemming met de op hem/haar rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

De commissie dient te onderzoeken of de orthopedisch chirurg bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.

Met het aanhangig maken van de procedure heeft de cliënt zich akkoord verklaard met een inzage door de commissie in zijn medische gegevens. Bij de beoordeling zal de commissie het medische dossier van de cliënt vanaf 2018 betrekken aangezien hij zich toen voor het eerst bij de afdeling orthopedie van de zorgaanbieder heeft gemeld met heupklachten.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Uit het dossier blijkt dat de cliënt zich op 16 februari 2018 bij de zorgaanbieder meldde vanwege “al jaren klachten heupen. Kan niet meer lopen van de pijn”. Op 16 juni 2020 is in het dossier van de cliënt genoteerd: “klachtenpatroon wisselt, altijd aanwezig, knie rechts meer dan links. Soms liespijn”. Op grond van het medische dossier en de overgelegde stukken is de commissie van oordeel dat de orthopedisch chirurg op 21 september 2020 een goede en verdedigbare operatie heeft uitgevoerd tot het plaatsen van een totale heupprothese aan de rechterzijde, passend bij de stand van de benen en de klachten van de cliënt. Uit het dossier blijkt dat de operatie volgens de professionele standaard is uitgevoerd en dat de prothese na de operatie in een goede stand stond. Uit het dossier blijkt voorts dat de heupklachten en liesklachten van de cliënt met de operatie aanzienlijk zijn verminderd. Aanvankelijk maakte de cliënt ook geen melding van knieklachten hoewel daarvan vóór de operatie wel sprake was.

In februari 2021 heeft de cliënt te kennen gegeven dat hij zich zorgen maakte dat zijn been zwabberde en scheef leek te staan. De commissie stelt vast dat de orthopedisch chirurg van de zorgaanbieder de klachten van de cliënt vanaf dat moment steeds serieus heeft onderzocht, hem heeft doorverwezen voor radiologisch onderzoek en tevens voor neurologisch onderzoek. Ook heeft zij op verzoek van de cliënt een verwijzing gegeven voor een second opinion in het Radboud UMC en een third opinion in de ViaSana kliniek. Voorts heeft zij de mogelijkheden van een revisieoperatie met de cliënt besproken. Alle onderzoeken, bevindingen en overwegingen zijn door de zorgaanbieder zorgvuldig en uitvoerig gedocumenteerd in het medisch dossier van de cliënt.

De commissie is van oordeel dat de orthopedisch chirurg zowel voor, tijdens als na de ingreep heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend chirurg in vergelijkbare omstandigheden verwacht mag worden. Dat de chirurg in de Sint Maartenskliniek de cliënt in overweging heeft gegeven om een revisieoperatie te laten uitvoeren, betekent niet dat de door de chirurg van de zorgaanbieder uitgevoerde operatie onjuist of ondeskundig is uitgevoerd. De na de operatie bij de cliënt opgetreden knieklachten en artrose van de knie kunnen, ook blijkens een second en third opinion in het Radboud UMC en de Kliniek ViaSana, alsmede de foto’s in het medisch dossier, niet worden toegeschreven aan het handelen van de orthopedisch chirurg van de zorgaanbieder. Van enig verwijtbaar of onzorgvuldig handelen van (de orthopedisch chirurg van) de zorgaanbieder is de commissie dan ook niet gebleken.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht van de cliënt ongegrond is. Het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënt in alle onderdelen ongegrond;
– wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd. Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, de heer prof. dr. B.J. van Royen, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 26 november 2025.