Klacht over diagnose, medicatieadvies en communicatie volledig ongegrond

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1257576/1297143

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De zaak gaat over een cliënt die vindt dat een psychiater van de zorgaanbieder ten onrechte bij haar autisme heeft vastgesteld, onterecht medicatie heeft voorgeschreven en onvoldoende met haar wettelijk vertegenwoordiger heeft gecommuniceerd. De cliënt vraagt daarnaast om € 1.250 schadevergoeding. De commissie beoordeelt eerst of er sprake is van een behandelingsovereenkomst, en concludeert dat dit zo is omdat de psychiater een individueel medisch advies gaf. Vervolgens bekijkt de commissie de drie klachten. Uit de stukken blijkt dat de psychiater geen diagnose heeft gesteld, maar alleen een advies heeft gegeven aan de huisarts om verder onderzoek te doen naar mogelijk autisme. Ook is geen medicatie voorgeschreven; de psychiater heeft alleen geadviseerd dat de huisarts dit zou kunnen overwegen omdat eerdere medicatie had geholpen. Daarom zijn de eerste twee klachten ongegrond. De commissie vindt ook dat de wettelijk vertegenwoordiger voldoende is betrokken bij het consult, omdat deze aanwezig was en het grootste deel van het gesprek voerde. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond. Omdat alle klachten ongegrond zijn, wordt ook de schadevergoeding afgewezen.

De volledige uitspraak

Geschillencommissie Zorg Algemeen

in het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [woonplaast] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting Koraal, gevestigd te Sittard
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Onderwerp van het geschil

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft het stellen van een autismediagnose alsmede het voorschrijven van medicatie en de communicatie met de wettelijk vertegenwoordiger.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De cliënt heeft haar klacht onderverdeeld in twee klachtonderdelen, te weten:

  • Onjuiste autismediagnose

Op 28 april 2025 is de cliënt door psychiater [naam], werkzaam bij de zorgaanbieder, gezien in het kader van een consult naar aanleiding van een verwijzing van de huisarts van cliënt. De huisarts heeft de zorgaanbieder verzocht om een advies uit te brengen ten aanzien van de psychische gesteldheid van de cliënt.

Het eerste klachtonderdeel richt zich op het ten onrechte stellen van een autismediagnose door de zorgaanbieder. De cliënt stelt dat de zorgaanbieder tijdens het consult op 28 april 2025 bij haar de diagnose autisme heeft gesteld, zonder grondige evaluatie of overleg met haar wettelijke vertegenwoordiger.

  • Ten onrechte voorschrijven van medicatie (Aripiprazol)

Het tweede klachtonderdeel ziet op het voorschrijven van medicatie door de zorgaanbieder aan de cliënt. De cliënt stelt zich op het standpunt dat ten onrechte medicatie is voorgeschreven, terwijl er slechts één consult heeft plaatsgevonden en zonder dat het functioneren van de cliënt goed is gemonitord. Dit heeft tot verwarring, risico’s en verslechtering van de situatie van de cliënt geleid.

  • Onvoldoende communicatie met de wettelijk vertegenwoordiger

Het derde klachtonderdeel ziet op de communicatie tussen de zorgaanbieder en de wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt. De cliënt stelt zich op het standpunt dat tijdens het consult door de zorgaanbieder onvoldoende is gecommuniceerd met de wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt.

Verzoek tot schadevergoeding

De cliënt vordert als gevolg van bovenstaande een schadevergoeding van €1250,00 bestaande uit zowel materiële als immateriële schade.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat er geen (autisme)diagnose is gesteld. De cliënt werd door de zorgaanbieder gezien in het kader van een consult, op verwijzing van de huisarts. Door de huisarts is de zorgaanbieder gevraagd om een advies ten aanzien van de psychische problematiek van de cliënt. Door de zorgaanbieder is richting de huisarts, naar aanleiding van het consult dat heeft plaatsgevonden met de cliënt, het vermoeden geuit dat er sprake is van autismeproblematiek en het advies meegegeven dit verder te laten onderzoeken. Het consult was van adviserende aard en een diagnose is aldus niet gesteld.

De zorgaanbieder stelt zich voorts op het standpunt dat er geen medicatie is voorgeschreven. Door de zorgaanbieder is wel de huisarts geadviseerd medicatie voor te schrijven, nu eerder voorgeschreven medicatie volgens de cliënt en haar wettelijk vertegenwoordiger goed heeft geholpen.

Tot slot kan de zorgaanbieder zich ook niet vinden in de klacht van de cliënt dat er tijdens het consult geen of onvoldoende overleg heeft plaatsgevonden met de wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt. De zorgaanbieder weerspreekt dit nu tijdens het consult bijna enkel met de wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt is gesproken. Dit aangezien de cliënt tijdens het consult met de psychiater nauwelijks iets heeft gezegd. De cliënt heeft alleen het woord gevoerd toen het ging over het hebben van een dagbesteding die door de psychiater werd voorgesteld.

Ter zitting heeft de zorgaanbieder nogmaals benadrukt dat van het stellen van een diagnose en het voorschrijven van medicatie geen sprake was. De zorgaanbieder heeft enkel, conform de verwijzing, een advies geschreven aan de huisarts van de cliënt.

Beoordeling van het geschil

Beoordeling van de bevoegdheid van de commissie

De commissie dient eerste te beoordelen of zij bevoegd is de klacht van de cliënt inhoudelijk te beoordelen. De vraag die in dit verband beantwoord moet worden is of er een behandelingsovereenkomst is tussen de cliënt en de zorgaanbieder. Die vraag moet naar het oordeel van de commissie bevestigend worden beantwoord. De commissie overweegt hiertoe als volgt.

Uit de KNMG-Richtlijn 2021 betreffende het niet-aangaan of beëindiging van een geneeskundige behandelingsovereenkomst (hierna: KNMG-Richtlijn) volgen een drietal cumulatieve criteria die van belang zijn bij de beoordeling of sprake is van een behandelingsovereenkomst, te weten:

  1. er is een hulpverlener betrokken;
  2. er is sprake van geneeskundige handelingen;
  3. de geneeskundige handelingen van de hulpverlener hebben rechtstreeks betrekking op een individuele patiënt.

De commissie stelt vast dat er in onderhavige zaak een hulpverlener betrokken is, te weten [naam psychiater], werkzaam bij de zorgaanbieder. Voorts stelt de commissie vast dat er sprake is van geneeskundige handelingen. Volgens de KNMG-Richtlijn valt onder geneeskundige handelingen immers ook het geven van advies over de gezondheidssituatie. Uit de voorhanden zijnde stukken volgt dat de psychiater gevraagd is een advies uit te brengen over de gezondheidssituatie van de cliënt, in het bijzonder haar psychische gesteldheid en daarmee samenhangend een advies omtrent het voorschrijven van medicatie wegens diezelfde psychische gesteldheid. Tot slot moeten ingevolge de KNMG-Richtlijn de geneeskundige handelingen van de hulpverlener betrekking hebben op de individuele patiënt, en ook dat is naar het oordeel van de commissie het geval. Dit volgt uit hetgeen hiervoor met betrekking tot de eerste twee gezichtspunten al is besproken.

Alles overwegende komt de commissie tot het oordeel dat er sprake is van een behandelingsovereenkomst tussen de cliënt en de zorgaanbieder, en dat zij derhalve bevoegd is de klachten van de cliënt inhoudelijk te beoordelen.

Toetsingskader

De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW). Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Beoordeling

Ten aanzien van klachtonderdeel 1 en 2

De commissie stelt op basis van de voorhanden zijnde stukken vast dat door de huisarts van de cliënt een verwijzing is geschreven aan de zorgaanbieder. In die verwijzing verzoekt de huisarts een psychiatrisch consult met medicatie advies. Dit psychiatrisch consult heeft op 28 april 2025 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig: de cliënt, haar wettelijk vertegenwoordiger en [naam], psychiater bij de zorgaanbieder. [Naam] heeft op 28 april 2025 een brief gestuurd aan de verwijzer van de cliënt, te weten de huisarts. De commissie stelt vast dat die brief nadrukkelijk een advies van [naam] behelst ten aanzien van verdere diagnostiek en medicatie.

De commissie stelt op basis van het voorgaande vast dat niet is gebleken dat door [naam] een diagnose is gesteld dan wel dat door hem medicatie is voorgeschreven aan de cliënt. Sterker nog, de commissie is van oordeel dat uit de voorhanden zijnde stukken duidelijk volgt dat hier geen sprake van is geweest. De commissie is voorts van oordeel dat de zorgaanbieder niet tekortgeschoten is in haar verplichtingen die voortvloeien uit de behandelingsovereenkomst. De zorgaanbieder heeft op goede gronden het advies aan de verwijzer van de cliënt gedaan en heeft zich als zodanig gedragen als redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener. Derhalve zijn de klachtenonderdelen 1 en 2 ongegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel 3

Het derde klachtenonderdeel richt zich op de communicatie tussen de zorgaanbieder en de wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt. De cliënt stelt zich op het standpunt dat er ten onrechte onvoldoende communicatie heeft plaatsgevonden met de wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt.

De commissie stelt op basis van de voorhanden zijnde stukken vast dat de wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt alle gelegenheid heeft gekregen het woord te voeren tijdens het psychiatrisch consult van de cliënt. Hiertoe is allereerst van belang dat de wettelijk vertegenwoordiger bij het psychiatrisch consult aanwezig was. Voorts neemt de commissie in aanmerking de brief van psychiater [naam] van 28 april 2025 aan de huisarts van de cliënt waaruit blijkt dat de wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt het woord heeft gevoerd namens haar tijdens het consult. Ter zitting heeft [naam] dit nogmaals aan de commissie bevestigd. Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat ook klachtonderdeel 3 ongegrond is.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht integraal ongegrond is.

Verzoek tot schadevergoeding

Nu de klacht van de cliënt op alle onderdelen ongegrond is zal de ter zake van schadevergoeding ingestelde vordering worden afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

  • verklaart de klacht ongegrond;
  • wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer drs. T. Knap, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort en mevrouw mr. K.E. Heins, beiden secretaris, op 5 november 2025.