Klacht over behandeling en dossierinzage na overlijden patiënte ongegrond verklaard

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1319739/1332774

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Deze zaak gaat over een conflict tussen een man (klager) en een ziekenhuis over de behandeling van zijn in juni 2021 overleden echtgenote en over het niet krijgen van inzage in haar medisch dossier. Op 3 juni 2021 werd bij de vrouw darmkanker vastgesteld en volgens klager was snel ingrijpen nodig, omdat haar darm bijna afgesloten was en er geen uitzaaiingen waren. Toch besloten de artsen eerst extra onderzoeken te doen, onder meer omdat zij twijfelden aan de diagnose, mede door een eerdere operatie waarbij een poliep geen kanker bleek te zijn. Klager vindt dat hierdoor kostbare tijd verloren is gegaan, dat er slecht overleg was tussen artsen en dat zijn vrouw geen eerlijke kans op behandeling heeft gekregen; zij kreeg uiteindelijk geen behandeling, ging naar huis en overleed op 22 juni 2021. Ook is klager het er niet mee eens dat hij geen inzage krijgt in het medisch dossier van zijn vrouw. Het ziekenhuis stelt dat er juist zorgvuldig is gehandeld, dat het ging om een complex ziektebeeld en dat er snel en uitgebreid onderzoek is gedaan; volgens een intern onderzoek is er geen sprake van fouten of nalatigheid. Ook zegt het ziekenhuis dat het dossier niet mag worden gedeeld volgens de wet, omdat er geen toestemming van de patiënt was, geen incident is vastgesteld en er geen zwaarwegend belang is aangetoond; klager had nog wel een onafhankelijke arts kunnen inschakelen om dit te laten beoordelen, maar dat heeft hij niet gedaan. De commissie legt uit dat een zorgverlener zich moet inspannen om goede zorg te geven, maar geen garantie kan geven op een bepaald resultaat, en dat pas sprake is van een fout als duidelijk is dat de zorg onvoldoende was. De commissie heeft begrip voor het verdriet van klager, maar vindt dat hij niet voldoende heeft aangetoond dat het ziekenhuis onzorgvuldig heeft gehandeld; zijn klacht is vooral gebaseerd op zijn eigen overtuiging en hij heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheden om zijn standpunt te onderbouwen. Ook oordeelt de commissie dat het ziekenhuis terecht heeft geweigerd om het medisch dossier te geven. Daarom beslist de commissie dat de klacht ongegrond is.

 

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft het handelen dan wel nalaten van de zorgaanbieder in de periode nadat bij de echtgenote van de klager darmkanker is gediagnosticeerd op 3 juni 2021 tot haar overlijden op 22 juni 2021 en de weigering tot inzage in het medisch dossier.

Standpunt van klager

Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

Klager stelt dat bij de behandeling van zijn overleden echtgenote sprake is geweest van ernstig tekortschieten door de zorgaanbieder. Op 3 juni 2021 werd bij haar na een endoscopie darmkanker vastgesteld. Daarbij werd te kennen gegeven dat haar darm vrijwel afgesloten was en dat een spoedige beoordeling door een chirurg noodzakelijk was. Uit aanvullende beeldvorming zou zijn gebleken dat er geen uitzaaiingen waren. De betrokken artsen hebben vervolgens ten onrechte getwijfeld aan de diagnose darmkanker, mede omdat bij een eerdere operatie in 2019 een grote poliep was verwijderd die geen kanker bleek te zijn. Ondanks de reeds vastgestelde diagnose werd niet direct tot een operatie of andere behandeling overgegaan, maar werden aanvullende onderzoeken verricht. Klager is van mening dat hierdoor kostbare tijd verloren is gegaan. Daarnaast verwijt klager het ziekenhuis onvoldoende communicatie en afstemming tussen de behandelend artsen. Uiteindelijk heeft zijn echtgenote geen behandeling meer ondergaan en heeft zij er op 18 juni 2021 voor gekozen naar huis te gaan. Zij overleed op 22 juni 2021, negentien dagen na de diagnose.

Klager stelt dat zijn echtgenote geen reële kans op behandeling heeft gekregen. Hij vraagt zich af waarom niet direct is ingegrepen en houdt de zorgaanbieder verantwoordelijk voor het uitblijven van een tijdige behandeling. Daarnaast stelt klager dat ten onrechte niet is tegemoetgekomen aan zijn wens tot inzage in het medisch dossier van zijn echtgenote. Ter zitting heeft klager te kennen gegeven dat voor hem vaststaat dat de betrokken artsen nalatig zijn geweest en dat het dossier onbetrouwbaar is, indien daar anders uit blijkt. Om die reden heeft hij niet de behoefte om de route te volgen waarbij een onafhankelijk arts beoordeelt of klager een zwaarwegend belang heeft om kennis te nemen van het medisch dossier van zijn overleden echtgenote.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

De zorgaanbieder heeft naar aanleiding van het overlijden van de echtgenote van klager een (intern) onderzoeksteam samengesteld om de klacht over (het uitblijven van) de medische behandeling van klagers echtgenote te beoordelen. Dit onderzoeksteam heeft geconcludeerd dat er geen enkele grond is gevonden voor de aanname van klager dat de zorgverlener nalatig is geweest. Er zijn volgens het onderzoeksteam geen aanwijzingen voor medisch nalatig handelen; er is in korte tijd veel diagnostiek verricht bij een complex medisch beeld en er hebben inmiddels meerdere gesprekken met klager plaatsgevonden waarin zijn vragen zijn beantwoord. De zorgaanbieder weigert klager inzage in het medisch dossier omdat de wet dat alleen toestaat bij toestemming van de patiënt, een incidentmelding of een zwaarwegend belang en daarvan is geen sprake. Klager wordt gewezen op de mogelijkheid een onafhankelijke arts aan te wijzen ter beoordeling van de vraag of klager alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld het dossier in te zien. Klager heeft geen gebruik gemaakt van die wettelijke mogelijkheid. De zorgaanbieder concludeert dat de klacht ongegrond is en dat de interne klachtenprocedure zorgvuldig is verlopen.

Beoordeling van het geschil

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval: de zorgaanbieder) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven.
Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

Klager heeft een klacht ingediend tegen de zorgaanbieder over de behandeling van zijn in 2021 overleden echtgenote. De commissie kan slechts vaststellen dat sprake is van onzorgvuldig handelen indien klager voldoende aannemelijk maakt dat de zorgaanbieder niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend zorgverlener mag worden verwacht.

In die beoordeling moet de commissie betrekken dat klager nabestaande is van de overleden patiënte. Op grond van artikel 7:458a BW geldt dat medische gegevens van een overleden patiënt niet mogen worden verstrekt, tenzij:
• de patiënt bij leven schriftelijk toestemming heeft gegeven;
• sprake is van een incident in de zin van artikel 10 lid 3 Wkkgz;
• sprake is van een zwaarwegend belang.
Vaststaat dat geen sprake is van toestemming en evenmin van een incident als bedoeld in artikel 10 lid 3 Wkkgz. De zorgaanbieder heeft intern onderzocht of sprake is van een zwaarwegend belang en geconcludeerd dat dit niet het geval is. De commissie ziet geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen.
De commissie komt daarmee tot het oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten het dossier niet te verstrekken. De zorgaanbieder heeft klager gewezen op zijn wettelijke recht om een onafhankelijk arts aan te wijzen die kan beoordelen of inzage toch gerechtvaardigd is. Klager heeft duidelijk naar voren gebracht geen gebruik te willen maken van de – voor hem enig resterende – wettelijke route tot verkrijging van het medisch dossier. Als redenen voert hij aan dat voor hem vaststaat dat de betrokken artsen nalatig zijn geweest en dat het dossier onbetrouwbaar is, als daar anders uit zou blijken. Inzage zou voor hem dus niet leiden tot acceptatie van de inhoud.

De commissie heeft begrip voor het grote verdriet van klager en de omstandigheden waaronder zijn echtgenote is overleden. Het overlijden in zo’n korte periode na de diagnose is ingrijpend en moeilijk te verwerken. Dat neemt echter niet weg dat de commissie objectief moet beoordelen of aannemelijk is geworden dat de zorgaanbieder tekort is geschoten. In een procedure als onderhavige is het aan klager om, op zijn minst, aannemelijk te maken dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen van de zorgverlener. De klacht is echter slechts gebaseerd op de aanname van klager dat de zorgverlener ernstig te kort is geschoten. Tegelijkertijd is hij niet bereid om de wettelijke route te volgen en een onafhankelijk arts in te schakelen om zijn belang bij inzage te beoordelen en daarmee – uiteindelijk – wellicht zijn klacht te onderbouwen. Gelet op die omstandigheden komt de commissie tot de conclusie dat klager onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen. De commissie zal daarom de klacht ongegrond verklaren.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, mevrouw dr. K.M.A.J. Tytgat, de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 12 juni 2026.