Commissie: Zorg Algemeen
Categorie: -
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: onbevoegd
Referentiecode:
411423/538902
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De cliënte ontving forensische zorg op grond van een strafrechtelijke veroordeling. Zij beklaagt zich erover dat deze zorg ten onrechte is beëindigd door de zorgaanbieder, Stichting de Tussenvoorziening. De Geschillencommissie oordeelt dat de klacht buiten haar bevoegdheid valt. De commissie is enkel bevoegd om geschillen te behandelen die vallen onder de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Aangezien het hier gaat om zorg opgelegd in het kader van een strafrechtelijke maatregel – waarop de Wet forensische zorg (Wfz) van toepassing is – is de Wkkgz niet van toepassing. De cliënte zal zich met haar klacht moeten wenden tot de strafrechter of, indien van toepassing, via de Wvggz naar de rechter of regionale klachtencommissie. De commissie verklaart zich daarom onbevoegd het geschil te behandelen.
De uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [plaats}(hierna te noemen: de cliënt)
en
Stichting de Tussenvoorziening, gevestigd te Utrecht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Samenvatting
De zorgverlening die de zorgaanbieder aan de cliënte heeft geboden, betreft zorgverlening naar aanleiding van een veroordeling door de strafrechter. De zorgverlening is door de zorgverlener beëindigd, hetgeen naar de mening van de cliënte onterecht is geweest. De commissie is van oordeel dat het klachtenregime van de Wkkgz niet van toepassing is en daardoor is de commissie onbevoegd om dit geschil te behandelen.
Behandeling van het geschil
Uit de stukken blijkt dat eerst dient te worden vastgesteld of de commissie bevoegd is het geschil te behandelen.
De Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2024 te Utrecht.
De commissie heeft het volgende overwogen.
Beoordeling
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de cliënte zorg ontvangt als (bijzondere) voorwaarde voor een voorwaardelijke veroordeling (artikel 14a Wetboek van Strafrecht). De commissie is bevoegd tot het behandelen van klachten op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: Wkkgz). De commissie dient allereerst na te gaan of zij op grond van de Wkkgz bevoegd is zich inhoudelijk uit te laten over dit geschil.
Op grond van artikel 19, lid 1, van de Wkkgz heeft de commissie tot taak om geschillen over gedragingen van een zorgaanbieder jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening te beslechten.
Uit de definitieomschrijving in het eerste artikel van de wet blijkt dat dit zorg op grond van de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet en andere zorg betreft (bijvoorbeeld andere handelingen op het gebied van de geneeskunde, onderzoek, cosmetische ingrepen of complementaire zorg).
In het onderhavige geschil is de zorgverlening opgelegd naar aanleiding van een veroordeling door de strafrechter. Hierop is de Wet forensische zorg (Wfz) van toepassing. Forensische zorg is geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg en verstandelijke gehandicaptenzorg, die onderdeel is van een (voorwaardelijke) straf of maatregel of de tenuitvoerlegging daarvan, dan wel een andere justitiële titel. De commissie is van oordeel dat de klachten van de cliënte zich niet richten op gedragingen waarop de Wkkgz van toepassing is. Nu de klacht van de cliënte zich richt op de inhoud en uitvoering van de forensische behandeling, meer specifiek op de (onterechte) beëindiging daarvan, en dit direct verband houdt met de (bijzondere) voorwaarde(n), zoals opgelegd door de strafrechter, valt dit niet onder de Wkkgz en daarmee buiten de bevoegdheid van de commissie. De cliënte is immers van mening dat de opgelegde behandeling ten onrechte is beëindigd door de zorgaanbieder. Indien de cliënte deze mening is toegedaan, dient zij zich hiervoor tot de strafrechter te wenden die de voorwaarde(n) heeft opgelegd.
Ten overvloede merkt de commissie nog op dat uit de schakelbepaling van artikel 2.3 Wfz volgt dat de (straf)rechter uit eigen beweging of op verzoek van de Officier van Justitie een zorgmachtiging in de zin van de Wvggz kan afgeven. Dat ten aanzien van de cliënte in deze zaak een zorgmachtiging is verleend, is niet gebleken. Vanwege het ontbreken van een zorgmachtiging of crisismaatregel valt de forensische
behandeling van de cliënte niet onder verplichte zorg, zoals bedoeld in artikel 3:2 lid 2 Wvggz.
De beantwoording van de vraag of het klachtenregime van de Wvggz alsnog van toepassing is op de klacht van de cliënte, valt buiten de beslissingsbevoegdheid van de commissie die zij heeft op grond van de Wkkgz.
Samenvatting en conclusie
De behandeling die de cliënte van de zorgaanbieder ontvangt, is opgelegd naar aanleiding van een veroordeling door de strafrechter. In dit geschil is het klachtenregime van de Wkkgz daarom niet van toepassing. Of het klachtenregime van de Wvggz van toepassing is, is niet aan de commissie om te beslissen. Hoe het ook zij, de cliënte kan zich met haar klacht tot de strafrechter wenden óf, indien het klachtenregime van de Wvggz van toepassing is, via de regionale klachtencommissie tot de gewone rechter wenden.
Op grond van het voorgaande acht de commissie zich onbevoegd het geschil te behandelen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart zich onbevoegd het geschil te behandelen.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer R. Simons , de heer mr. S. Sierksma , leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 17 oktober 2024.