Klacht ongegrond verklaard omtrent vermeende onzorgvuldige behandeling en diagnose bij zorgaanbieder

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 439902/560947

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Klaagster heeft namens haar overleden vader, hierna te noemen de cliënt, een klacht ingediend tegen Stichting Tergooi. De klacht richt zich op vermeend onzorgvuldig medisch handelen, waarbij zij drie specifieke verwijten maakt: ten eerste het nalaten van intraveneuze toediening van antibiotica, ten tweede het zonder overleg onderbreken van de plasmedicatie, en ten derde het zonder expliciete toestemming toedienen van morfine. De zorgaanbieder heeft toegelicht dat de cliënt, gezien zijn hoge leeftijd, ernstige comorbiditeiten en fragiele gezondheidstoestand, werd geconfronteerd met een complexe en snel verslechterende situatie, waarbij medisch handelen was afgestemd op het bieden van de best mogelijke zorg binnen de professionele standaarden. Op grond van de medische dossiers, de verklaringen van betrokken artsen en de toetsing aan de zorgnormen heeft de commissie geoordeeld dat geen sprake is van onzorgvuldig handelen. Tevens is vastgesteld dat de morfinetoediening in een lage, medische verantwoordelijke dosering met toestemming van de cliënt heeft plaatsgevonden. De commissie verklaart de klacht ongegrond en wijst de gevorderde schadevergoeding af.

De uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [plaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting Tergooi, gevestigd te Hilversum
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Samenvatting
Klaagster verwijt de zorgaanbieder in de kern dat de zorgaanbieder een onjuiste diagnose heeft gesteld en onzorgvuldig heeft gehandeld in de behandeling van haar vader, de cliënt (hierna: de cliënt), waarna hij is overleden. Klaagster heeft – kort samengevat – drie verwijten: ten eerste het ten onrechte niet met intraveneuze antibiotica behandelen; ten tweede het zonder overleg onderbreken van plasmedicatie; en ten derde het zonder informed consent toedienen van morfine bij de cliënt. De zorgaanbieder heeft aangevoerd dat cliënt getroffen werd door een opeenvolging van infecties, bij een wankel evenwicht vanwege zijn hoge leeftijd, ernstig overgewicht en uitgebreide comorbiditeiten van onder meer hart en nieren. De zorgaanbieder stelt dat het overlijden van de cliënt niet door enig medisch handelen had kunnen worden voorkomen. De commissie acht de klacht op alle onderdelen ongegrond.

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door [naam].

De behandeling heeft plaatsgevonden op 30 juni 2025 te Den Haag.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de vraag of de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld in de behandeling van de cliënt.

Standpunt van klaagster

Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De cliënt was onder behandeling voor hart- en nierproblemen en bekend bij de afdeling Interne Geneeskunde van de zorgaanbieder maar verkeerde – ondanks zijn hoge leeftijd van 98 jaar – nog in goede lichamelijke en geestelijke gezondheid. Op 15 oktober 2022 is de cliënt beoordeeld door een internist op de SEH van de zorgaanbieder en weer naar huis gestuurd. De cliënt is pas na vier dagen – op 19 oktober 2022 – opgenomen op de afdeling Geriatrie van de zorgaanbieder, terwijl hij – volgens klaagster – een longontsteking had en een delier. Volgens klaagster had de cliënt in plaats van naar de afdeling Geriatrie naar de afdeling Interne Geneeskunde moeten worden verwezen. Klaagster heeft toen verzocht een infuus bij de cliënt te plaatsen maar in plaats daarvan kreeg hij amoxicilline oraal voor vijf dagen. Op
24 oktober 2022 wordt de cliënt positief getest op Covid, waarna wordt gestopt met de antibiotica. Ondanks dat klaagster steeds haar zorgen uitte om de cliënt, is hij op 1 november 2022 ontslagen naar ‘De Beukenhof’, een instelling voor Geriatrische revalidatiezorg. Daar aangekomen blijkt de cliënt (opnieuw) een delier te hebben, 39,6 graden koorts en benauwd te zijn. Vervolgens is de cliënt na twee uren verblijf in De Beukenhof teruggestuurd naar de SEH van de zorgaanbieder. Op 2 november 2022 gaat het slechter met de cliënt en heeft de zorgaanbieder ondanks dat klaagster het daar niet mee eens is, morfine aan de cliënt toegediend. In het familiegesprek de volgende dag, op 3 november 2022, waarbij klaagster aanwezig is, is besproken dat de situatie van de cliënt is verslechterd en zijn een aantal afspraken gemaakt. Klaagster wenste (ook) in dat gesprek dat door werd gegaan met actieve behandeling van de cliënt, in plaats van palliatieve behandeling en het verschaffen van comfort. De cliënt is in de nacht van 4 op 5 november 2022 overleden.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

Klaagster is zeer nauw betrokken geweest bij de opname van de cliënt. De betrokken artsen hebben de besluitvorming aangaande de behandeling van de cliënt met haar afgestemd omdat de cliënt daar op een bepaald moment zelf niet meer toe in staat was. Hierbij is met de cliënt besproken dat de cliënt aan het einde van zijn leven stond. De cliënt was 98 jaar, er was (onder meer) sprake van ernstig overgewicht, met als gevolg problemen met de ademhaling, en een langer bestaand beeld van hartfalen en nierfalen.De verschillende aandoeningen waar de cliënt bekend mee was maakten dat er sprake was van een zeer kwetsbare situatie. De betrokken artsen hebben zich ingespannen om de cliënt te behandelen voor de problematiek waarmee hij zich presenteerde.

Op 15 oktober 2022 wordt de cliënt op de SEH door een internist van de zorgaanbieder beoordeeld. Bij de cliënt wordt een tractusanamnese afgenomen en lichamelijk onderzoek verricht. Er worden foto’s gemaakt van de longen van de cliënt. Op de foto’s worden geen ernstige afwijkingen gezien, er is geen sprake van een longontsteking. Het natriumgehalte van de cliënt is licht verlaagd, maar daar was de cliënt al bekend mee. Op basis van de bevindingen is er geen sprake van een bepaalde mate van ziektebeeld om de cliënt op te nemen. Met klaagster en de cliënt wordt besproken dat als de cliënt benauwd wordt, ziek(er) wordt, of bij een achteruitgang, contact moet worden opgenomen met de huisarts voor een nieuw overleg en eventuele beoordeling op SEH.

Op 19 oktober 2022 is de cliënt opnieuw door de SEH beoordeeld. Na onderzoek – waarin geen longontsteking wordt geconstateerd – wordt besloten de cliënt op te nemen op de afdeling Geriatrie in verband met een vermoeden van het bestaan van een luchtweginfectie, een temperatuursverhoging en naar aanleiding van de toelichting van klaagster dat de situatie van de cliënt achteruitging. Gelet op het vermoeden van een luchtweginfectie wordt direct gestart met een intraveneus antibioticum (cefuroxim).

Op 20 oktober 2022 wordt de cliënt opnieuw onderzocht. Hoewel op nieuwe foto’s geen duidelijke tekenen te zien zijn van een longontsteking wordt de cliënt hier wel voor behandeld gezien het klinisch beeld. Er wordt gewisseld naar amoxicilline per os, met een behandelduur van vijf dagen. Op diezelfde dag vindt er een gesprek plaats met klaagster waarin de kwetsbare situatie van de cliënt wordt besproken. Daarnaast wordt door de geriater besproken dat een opname in een Eerstelijns Verblijf (ELV) aangewezen is, om verder aan te sterken. Op 23 oktober 2022 verslechtert de situatie van de cliënt en wordt ontslag van de cliënt uitgesteld.

Op 24 oktober 2022 wordt de cliënt positief getest op Covid. Uitgelegd wordt dat zal worden gestopt met antibiotica omdat de koorts goed kan passen bij Covid en dat er geen aanwijzingen zijn voor een bacteriële infectie. Met klaagster wordt besproken dat de cliënt in verband met zijn hoge leeftijd en situatie te kwetsbaar wordt geacht voor een opname op de IC.

In de periode 25 tot 27 oktober 2022 knapt de cliënt op. Het delirante gedrag verbleekt en toediening van zuurstof kan worden afgebouwd. De cliënt is ook minder benauwd. Met klaagster wordt besproken dat het voornemen is om de cliënt op 31 oktober 2022 met ontslag te laten gaan naar De Beukenhof. In het weekend van 29 en 30 oktober 2022 blijft de situatie van de cliënt stabiel. Hoewel de artsen geen tekenen van ernstig ziek-zijn of een stervensproces zien, wordt in verband met de zorgen van klaagster het ontslag van de cliënt uitgesteld naar de volgende dag.

Op 1 november wordt de cliënt in stabiele toestand ontslagen naar De Beukenhof. Aan het einde van de middag belt een arts van De Beukenhof voor overleg. Bij de cliënt is sprake van een beeld van een delier met wisselend bewustzijn met mogelijk nieuwe pneumonie. Besproken wordt dat de cliënt mogelijk vermoeid is geraakt na het vervoer. Uiteindelijk wordt de cliënt in de avond alsnog ingestuurd en opnieuw beoordeeld op de SEH van de zorgaanbieder. De conclusie is kortademigheid bij waarschijnlijk een sputumstase en saturatiedaling. Opnieuw wordt patiënt heropgenomen en krijgt hij intraveneuze antibiotica.

Op 2 november 2022 zijn er grote zorgen over de situatie van de cliënt. Er is sprake van toename dyspneu waarvoor ipratropium- en Nebusalvernevelingen worden gebruikt. De cliënt oogt zeer vermoeid en heeft een snelle ademfrequentie. De antibiotica lijkt ook geen effect te geven, daarom wordt besloten om aanvullend ciprofloxacine op geleide van de kweken te geven. In het gesprek met klaagster wordt aangegeven dat de betrokken zorgverleners zich afvragen of de cliënt het wel zal redden. Voor het comfort van de cliënt wordt met klaagster besproken om, zo nodig, subcutaan een zeer lage dosis (2,5 mg) morfine te geven aan de cliënt. Klaagster stemt hiermee in, zolang de morfine alleen wordt gegeven als wordt gezien dat de cliënt lijdt.

Op 3 november 2022 vindt een familiegesprek plaats. Besproken wordt dat de situatie van de cliënt verslechtert, er is bijna geen intake mogelijk en inname van medicatie gaat moeilijk. De kans dat de cliënt zal komen te overlijden is opnieuw met klaagster besproken. Uitgelegd wordt dat er een tweesporenbeleid wordt ingezet: actieve behandeling van het ziektebeeld en tegelijkertijd maatregelen ter comfort. Er worden de volgende afspraken gemaakt:
– Maximaal twee keer wordt orale medicatie aangeboden; als dat niet gaat, dan moet dit worden geaccepteerd;
– Als er wordt gezien dat de cliënt de komende dagen niet oraal medicatie kan innemen dan wordt de orale medicatie gestopt;
– De controles op zondag worden gestaakt;
– De cliënt krijgt bij de uitvoering van de ADL 2,5 mg morfine (subcutaan).
Ook komt die dag op verzoek van de familie een geestelijk verzorger op bezoek ter ondersteuning in de laatste levensfase van de cliënt.

Op 4 november 2022 slaapt de cliënt veel en is hij niet alert. Met akkoord van klaagster wordt aan de cliënt 2,5 mg morfine toegediend, dit wordt later op de avond met toestemming van klaagster herhaald. De cliënt overlijdt in de nacht van 4 op 5 november 2022.

De zorgaanbieder voert aan dat er geen sprake is van een tekortkoming in de zorg aan de cliënt en dat zij heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam zorgaanbieder in gelijke omstandigheden mag worden verwacht.

De vordering tot schadevergoeding van de cliënt dient dan ook te worden afgewezen.

Beoordeling van het geschil

De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Aanvullende stukken
De commissie stelt vast dat klaagster op 23 en 24 juni 2025 nog aanvullende stukken heeft ingediend. De zorgaanbieder heeft hiertegen bezwaar ingediend omdat deze stukken binnen de termijn van vijf werkdagen voor de zitting zijn ingediend en zij hierdoor in haar procesbelangen is geschaad. De commissie acht de aanvullende stukken toelaatbaar nu uit deze stukken geen nieuwe feiten of gezichtspunten blijken.

Behandeling
Op basis van de stukken en het besprokene ter zitting kan de commissie niet vaststellen dat sprake is van onzorgvuldig handelen door de zorgaanbieder.

De commissie stelt vast dat klaagster in de periode van 15 oktober tot 4 november 2022 ten aanzien van de behandeling van de cliënt bepaalde wensen heeft geuit naar de zorgverleners toe en dat aan deze wensen deels wel en deels niet is tegemoet gekomen. Dit laatste heeft ertoe geleid dat na het overlijden van de cliënt klaagster de zorgaanbieder diverse vragen heeft gesteld in de opvolgende gesprekken en dat zij onderhavige klachtprocedure heeft geëntameerd, waarin klaagster met name het gevolgde beleid van de door de hulpverleners verrichte handelingen jegens de cliënt wederom aan de orde stelt.

Ingevolge de artikelen 7:465 en 7:466 BW heeft een hulpverlener een eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot zijn verplichtingen jegens de patiënt, en zal hij niet zonder meer iedere wilsuiting van anderen behoeven te volgen. Dit is bijvoorbeeld het geval indien die nakoming niet verenigbaar is met de zorg van een goed hulpverlener. Ten overvloede moet hier worden opgemerkt dat de hulpverlener niet gehouden is om handelingen te verrichten die geen kans van slagen hebben, en dus medisch zinloos zijn.

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel, het niet intraveneus toedienen van de antibiotica, stelt de commissie vast dat daartoe geen noodzaak bestond omdat de artsen daartoe geen grond zagen op basis van het onderzoek van de cliënt. De cliënt was in staat medicatie door te slikken. Desgevraagd heeft
[naam] ter zitting verklaard dat als algemeen beleid wordt gehanteerd dat artsen alleen intraveneus toedienen van antibiotica als inname van medicatie via de normale weg (oraal) niet mogelijk is.

Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel, het onderbreken van het geven van de plastabletten, heeft
[naam] ter zitting verklaard dat de cliënt bij binnenkomst een te laag zoutgehalte had maar dat er tegelijkertijd ook sprake was van hartfalen bij de cliënt. Daarom is toen – gelet op de vochttoestand van de cliënt – geprobeerd de medicatie te wijzigen voor een beter herstel.

Ten aanzien van het derde klachtonderdeel, het zonder informed consent toedienen van morfine, overweegt de commissie het volgende.
In het patiëntendossier is vermeld:
“Besproken dat we patiënt morfine willen ter comfort, dochter gaat hier uiteindelijk mee akkoord na duidelijk maken dat we daarnaast nog wel behandelen en dat de morfine niet dient om het overlijden te versnellen. Wil wel graag dat we niet te veel geven, en alleen geven als we echt zien dat hij lijdt. Wil ook op de hoogte worden gesteld. Afgesproken dat wij het alleen zullen geven bij echt tekenen van discomfort/lijden, en dat we daarna haar inlichten. Dochter is akkoord. Dit teruggekoppeld aan vpk Liesbeth en avonddienst
S Pieterse.”

Desgevraagd heeft [naam] ter zitting verklaard dat de dosering van 2,5 mg morfine een uitermate lage dosering betreft, en dat deze dosering bij de cliënt een vermindering van het gevoel van benauwdheid gaf.

De commissie stelt derhalve vast dat het toedienen van genoemde dosering morfine medisch geïndiceerd was, in een dusdanige lage dosering is gebeurd dat dit in geen enkele mate heeft kunnen bijdragen aan het overlijden en dat dit – in tegenstelling tot het niet onderbouwde betoog van de cliënt – ook met toestemming van de cliënt is gebeurd.

Gelet op het voorgaande oordeelt de commissie de drie klachtonderdelen ongegrond.

Ten overvloede stelt de commissie vast dat de zorgaanbieder zich aantoonbaar en voldoende heeft ingespannen om de vele vragen van de (familie van de) cliënt te beantwoorden in de zeven gesprekken die zij met klaagster heeft gevoerd en dat daaruit is gebleken dat de zorgaanbieder zorgvuldig is omgegaan met (de behandeling van) de cliënt zelf en de familie van de cliënt.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond is. Aan de beoordeling van de vordering tot schadevergoeding komt de commissie niet toe.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Het door de cliënt verlangde wordt afgewezen.