Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: (On) zorgvuldigheid
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies na Tussen Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
923979/999483
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een patiënt diende een klacht in tegen Ziekenhuisgroep Twente omdat een cardioloog had meegedeeld dat hij niet meer operabel was en hem niet doorverwees, terwijl hij later in een ander ziekenhuis met succes werd geopereerd. De patiënt stelde dat de weigering tot opereren en de late doorverwijzing zijn gezondheid en herstel hebben geschaad en eiste schadevergoeding. De zorgaanbieder voerde aan dat er steeds zorgvuldig en in teamverband was gehandeld, conform de geldende medische standaarden. Volgens het ziekenhuis was de situatie uitzonderlijk, werd de patiënt meerdere keren besproken, en bevestigde ook een second opinion dat een operatie op dat moment niet haalbaar was. De commissie benadrukte dat de zorgplicht geen resultaatsverplichting inhoudt, maar een inspanningsverplichting. Uit de stukken bleek dat de beslissing om niet direct te opereren medisch verdedigbaar was, mede gezien de complexe voorgeschiedenis en de second opinion die het oordeel ondersteunde. De doorverwijzing naar het andere ziekenhuis vond plaats toen de situatie verslechterde en werd snel gerealiseerd. Dat een ander ziekenhuis later wel opereerde en succes had, maakt de eerdere afweging niet onzorgvuldig. De commissie zag geen bewijs dat de zorgaanbieder zijn zorgplicht had geschonden. De klacht en de gevorderde schadevergoeding zijn daarom afgewezen.
De uitspraak
in het geschil tussen
de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de klager)
en
Stichting Ziekenhuisgroep Twente, gevestigd te Almelo
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
De Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) heeft bij tussenadvies d.d. 19 juni 2025 de eindbeslissing aangehouden. In het tussenbeslissing heeft de commissie de zorgaanbieder opgedragen binnen vier weken na verzending van de tussenbeslissing een aanvullend verweerschrift in te dienen waarin informatie wordt verstrekt omtrent de second opinion uitgevoerd door [naam] en [naam], het proces en tijdverloop rond doorverwijzing aan het [naam ziekenhuis] wordt beschreven en waarin duidelijk wordt gemaakt op welke wijze is gecommuniceerd met de klager over het niet uitvoeren van de operatie, welke door het [naam ziekenhuis] uiteindelijk wel met goed gevolg is uitgevoerd. De zorgaanbieder heeft op 15 juli 2025 een aanvullend verweerschrift met bijlagen ingediend. Dit verweerschrift is voor een reactie toegestuurd aan de klager. De (echtgenote van de) klager heeft hierop op 22 juli 2025 gereageerd.
De commissie heeft kennisgenomen van het door de zorgaanbieder ingediende verweerschrift met producties en de reactie van (de echtgenote van) de klager daarop.
De commissie heeft de verdere behandeling van het geschil op basis van de stukken, zonder mondelinge behandeling, afgedaan.
Onderwerp van het geschil
De klager verwijt de zorgaanbieder de weigering tot het uitvoeren van een operatie en de late doorverwijzing naar een ander ziekenhuis, waar de operatie wel met succes is uitgevoerd.
Standpunt van de klager
Voor het standpunt van de klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De klager is in mei 2024 opgenomen geweest bij de zorgaanbieder. De cardioloog van de zorgaanbieder heeft na een slokdarmonderzoek en een PET-scan gezegd dat hij niks meer voor de klager kon doen en de klager maar afscheid moest nemen van iedereen. De echtgenote van de klager heeft op dringend verzoek gezorgd dat de klager geopereerd kon worden in [naam ziekenhuis] in [plaatsnaam] en met succes. De uitspraak van de cardioloog dat er niets meer gedaan kon worden voor de klager heeft veel impact op het leven van de klager. Ook is de late doorverwijzing en daarmee de vertraging in de uitgevoerde operatie nadelig geweest voor de gezondheid en het herstel van de klager. De klager vordert schadevergoeding.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
De zorgaanbieder stelt dat er is gehandeld overeenkomstig artikel 7:453 BW: er is gehandeld zoals van redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverleners verwacht had mogen worden. De vakgroep heeft in teamverband gedaan wat zij konden, hebben regelmatig zowel intern als met de klager en zijn echtgenote overleg gevoerd en hebben externen betrokken, daar waar de klager dit wenste dan wel daar waar dat noodzakelijk werd geacht. De situatie van de klager was zeer uitzonderlijk. Hij had al twee keer te maken gekregen met een ontsteking aan zijn hart(kleppen) waarvoor een 2e en 3e hartklepoperatie nodig was. Toen de derde ontsteking zich voordeed, functioneerde de klep eerst nog goed waardoor er op dat moment geen operatie nodig was. Toen in juli 2024 sprake was van refractair hartfalen is door een cardioloog van de zorgaanbieder gesproken over een mogelijke verwijzing naar het [naam ziekenhuis]. Deze mogelijkheid was op dat moment, gelet op de toenmalige medische situatie van de klager en het verloop van het ziektebeeld, onhaalbaar en niet realistisch. Het is dus niet zo dat de zorgaanbieder verweten kan worden dat zij de klager eerder had kunnen verwijzen. Van een delay is daarmee ook geen sprake. Tijdens de opname van de klager in september zijn de mogelijkheden met betrekking tot een verwijzing naar het [naam ziekenhuis] ter sprake gekomen. Hoewel de kansen van de klager ook vanuit het [naam ziekenhuis] beperkt werden ingeschat heeft toen, onder leiding van de behandelend cardioloog en op verzoek van de klager en zijn echtgenote, een verwijzing naar [plaatsnaam] plaatsgevonden. Intensieve begeleiding vanuit de zorgaanbieder heeft ertoe geleid dat de operatie in het [naam ziekenhuis] op relatief korte termijn (en uiteindelijk met succes) kon plaatsvinden. Zoals door de klager en zijn echtgenote zelf ook wordt aangegeven kleefden aan de operatie in het [naam ziekenhuis] de nodige risico’s. De bij de klager betrokken zorgprofessionals menen dat zij er alles aan hebben gedaan om de situatie van de klager te verbeteren. Dat de klager een periode heeft moeten doormaken waarin hij zich erg slecht voelde, meermaals moest worden opgenomen en ook de prognoses er niet goed uit zagen, maakt niet dat gesteld kan worden dat het vanuit de zorgaanbieder bij de klager betrokken zorgpersoneel tekort zou zijn geschoten in de op haar rustende zorgplicht. De zorgaanbieder begrijpt goed dat de klager en zijn echtgenote maanden in angst en onzekerheid hebben geleefd en dat dit een flinke impact heeft (gehad) op hun leven. Dit maakt echter niet dat de klager aanspraak kan maken op een schadevergoeding. Door de bij de klager betrokken zorgprofessionals is niet onzorgvuldig gehandeld. Daar komt bij dat de klager niet heeft onderbouwd dat er, door dit vermeende onzorgvuldig handelen, schade is ontstaan die anders niet zou zijn ontstaan. Evenmin ontbreekt een onderbouwing van de schade. De zorgaanbieder stelt dat het verzoek tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie dient te beoordelen of de zorgaanbieder is tekortgeschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst die tussen de klager en de zorgaanbieder is gesloten. Bij de uitvoering van de overeenkomst moet de hulpverlener de zorgplicht in acht nemen. Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
De commissie dient hiertoe te onderzoeken of (de artsen/verpleegkundigen van) de zorgaanbieder bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd en/of een fout hebben gemaakt in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst.
De commissie is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting tot het oordeel gekomen dat niet is komen vast te staan dat de zorgaanbieder niet heeft gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam hulpverlener betaamt en acht de klacht van de klager gelet daarop ongegrond. De commissie licht dit als volgt toe.
De klager verwijt de zorgaanbieder het niet willen uitvoeren van een hartoperatie bij de klager en het slecht nieuwsgesprek op 14 mei 2024, waarin door de zorgaanbieder is aangegeven dat er eigenlijk niets meer voor de klager gedaan kon worden. Daarnaast verwijt de klager de zorgaanbieder de late doorverwijzing naar het [naam ziekenhuis], toen duidelijk was dat het [naam ziekenhuis] de operatie wel wilde uitvoeren.
Zoals ter zitting mondeling door de zorgaanbieder toegelicht en vervolgens in het aanvullend verweerschrift nader is omschreven, is bij de klager sprake van een uitgebreide medische voorgeschiedenis. Zo heeft klager in 2021 een operatie ondergaan waarbij de aortaklep is vervangen, welke operatie een zeer gecompliceerd verloop kende. Nadat de klager in 2024 opnieuw bij de zorgaanbieder werd opgenomen en na meerdere onderzoeken en nadat de situatie van de klager is besproken in het hartteam van het [naam], is door de cardioloog van de zorgaanbieder aan de klager meegedeeld dat hij niet meer operabel werd geacht. De klager heeft op 1 juli 2024 een second opinion ondergaan, waar eveneens de conclusie werd getrokken dat de klager niet operabel was en daarnaast werd aangegeven dat er op dat moment geen urgente indicatie voor chirurgie leek. De commissie kan het standpunt van de klager dat de zorgaanbieder ten onrechte niet bereid was geen operatie uit te voeren gelet op de hiervoor omschreven gang van zaken niet volgen. Het standpunt van de zorgaanbieder was gelet op de voorgeschiedenis begrijpelijk en werd bovendien door een second opinion onderschreven.
In het verweerschrift wordt vervolgens aangegeven dat in de periode van 30 juli tot en met 8 september 2024 tijdens een poliklinisch consult een verwijzing naar het [naam ziekenhuis] is gesuggereerd, maar deze toen niet geeffectueerd kon worden en dat met de klager en zijn echtgenote is afgesproken dat, wanneer de situatie van de klager zou verslechteren, een heroverweging zou plaatsvinden. De zorgaanbieder heeft geen bewijs overlegd dat dit gesprek heeft plaatsgevonden, maar dit is evenmin in de reactie op het verweerschrift door klager ontkend, zodat dat de commissie ervan uitgaat dat in deze periode gesproken is over een verwijzing naar het [naam ziekenhuis]. Op 23 september 2024 heeft in dat kader ook een verwijzing naar het [naam ziekenhuis] plaatsgevonden, waarna de klager op 26 september 2024 naar het [naam ziekenhuis] is vervoerd en op 8 oktober 2024 is geopereerd.
Dat het [naam ziekenhuis] de operatie wel heeft uitgevoerd en deze succesvol is geweest, maakt niet dat daarmee het eerdere oordeel van de zorgaanbieder dat de klager op dat moment en onder die omstandigheden niet operabel werd geacht onzorgvuldig of onjuist is geweest. Iedere zorgaanbieder/arts maakt hierin een eigen afweging op het moment van de beoordeling. De afweging die de zorgaanbieder heeft gemaakt is niet medisch onzorgvuldig geweest, wat wordt onderschreven door de uitgevoerde second opinion.
Het verwijt van klager dat sprake is geweest van een late doorverwijzen naar het [naam ziekenhuis] kan, gelet op bovengenoemde gang van zaken, evenmin worden gevolgd. Nadat duidelijk was dat een opname noodzakelijk was, is op 23 september 2024 gesproken met de klager en zijn echtgenote over doorverwijzing naar het [naam ziekenhuis], welke doorverwijzing op 26 september 2024, op verzoek van de klager en zijn echtgenote, heeft plaatsgevonden.
Gelet op het bovenstaande is de commissie van oordeel dat niet is aangetoond door de klager dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld en komt zij tot het oordeel de klacht van klager daarom ongegrond verklaard dient te worden.
Schadevergoeding
Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding merkt de commissie op dat voor een aanspraak op schadevergoeding is vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Nu de commissie heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een tekortkoming, zal de vordering tot schadevergoeding worden afgewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de klager ongegrond;
– wijst af de vordering tot schadevergoeding.
– Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. dr. B. Wallage, voorzitter, de heer dr. M.E.W. Hemels, de heer mr. M.H.J.N. van Berckel Smit, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 19 augustus 2025.