Geschil over therapiekeuze en alternatieven na groepstherapie

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 509928/607875

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een cliënt klaagde bij de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg dat de zorgaanbieder haar niet de juiste therapie had gegeven en geen alternatieve behandelingen had aangeboden nadat zij stopte met de groepstherapie. De cliënt gaf aan dat ze de therapie niet passend vond voor haar klachten en dat de zorgaanbieder geen alternatief, zoals individuele therapie, bood. De zorgaanbieder betoogde echter dat de keuze voor groepstherapie in overleg met de cliënt was gemaakt, dat deze therapie effectief kan zijn voor bepaalde stoornissen, en dat er na beëindiging van de therapie een passend alternatief werd geboden, namelijk doorverwijzing naar een ADHD-traject, waaraan de cliënt instemde. De commissie oordeelde dat de zorgaanbieder geen verwijt te maken valt voor het aanbieden van groepstherapie, aangezien deze behandeling volgens de professionele standaard geschikt was voor de cliënt en ze ermee instemde. Het ADHD-traject werd door de commissie als een passende alternatieve behandeling gezien, ook al had de zorgaanbieder hierover duidelijker moeten communiceren. Omdat de klacht ongegrond werd verklaard, werd de schadevergoeding niet in behandeling genomen.

De uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [plaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting GGZ inGeest, gevestigd te Hoofddorp
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 4 februari 2025 te Utrecht. De cliënt was samen met haar partner, [naam], ter zitting aanwezig. Namens de zorgaanbieder waren digitaal ter zitting aanwezig [naam] (behandelaar) en [naam] (jurist).

Onderwerp van het geschil

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft de vraag of de cliënt de juiste therapie heeft ontvangen en of de zorgaanbieder alternatieve behandelingen heeft aangeboden.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt heeft groepstherapie ontvangen bij de zorgaanbieder. Gedurende de eerste drie behandelsessies besefte de cliënt dat zij niet de juiste therapie ontving, wat ze direct heeft aangegeven. Volgens de cliënt had dit tijdens de intake al bepaald kunnen worden.

De cliënt werd in haar standpunt onvoldoende gehoord en nadat zij de therapie had beëindigd is haar in tegenstelling tot de eerdere belofte van de zorgaanbieder geen passend alternatief aangeboden. De enige mogelijkheid zou behandeling bij de poli ASS/ADHD zijn, maar dat traject was al lopende en geen alternatief voor de behandeling van haar persoonlijkheidsstoornis. Hierop heeft de cliënt een klacht ingediend, waarop zij geen inhoudelijke reactie heeft ontvangen.

De klachten van de cliënt zijn in de vier therapiesessies verergerd en de cliënt is er nog steeds niet volledig van hersteld. De cliënt vordert zowel materiële schadevergoeding (kosten fysiotherapeut en personal trainer) als immateriële schadevergoeding (psychisch en fysiek leed).

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van verwijtbaar handelen jegens de cliënt of een tekortschieten in de nakoming van de behandelovereenkomst. De cliënt is diverse keren in gesprek geweest met de behandelaren over passende alternatieven. De zorgaanbieder is van mening dat zij al het mogelijke heeft gedaan om passende zorg te leveren en de klacht van de cliënt goed te behandelen.

De klachten en passende behandelopties zijn tijdens de intake uitgebreid besproken met de cliënt om tot een gezamenlijk besluit te komen (zogenoemd Shared Decision Making). In samenspraak met de cliënt is een keuze gemaakt voor groepstherapie. Psychodynamische psychotherapie in groepsvorm is bewezen effectief bij een aantal stoornissen, waaronder depressie. De tijdelijke verergering van de klachten is niet ongebruikelijk, wat ook is besproken met de cliënt. Helaas bleek deze therapie niet aan de verwachtingen van de cliënt te voldoen en heeft zij na vier sessies besloten om te stoppen met de therapie. In beginsel worden geen individuele gesprekken aangeboden tijdens het volgen van de groepstherapie. De behandelaar heeft desondanks meerdere gesprekken gevoerd met de cliënt om haar te ondersteunen. Vervolgens is naar een passend alternatief gezocht door de behandelaar en heeft de cliënt ingestemd met een doorverwijzing naar de poli ASS/ADHD, waar zij reeds een behandeltraject volgde.

Dat de groepstherapie niet voldeed aan de verwachtingen, maakt nog niet dat de behandeling niet volgens de professionele standaarden is uitgevoerd. Volgens de zorgaanbieder bestaat dan ook geen grond voor toekenning van een schadevergoeding. Ook bestaat geen causaal verband tussen de groepstherapie en de gestelde schade en is de gevorderde schade disproportioneel en onvoldoende onderbouwd.

Beoordeling van het geschil

Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 BW), die mede bepaald wordt door de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De klacht
De klacht van de cliënt valt in twee onderdelen uiteen: allereerst heeft zij niet de juiste therapie aangeboden gekregen en ten tweede heeft de zorgaanbieder geen alternatieve behandelingen aangeboden toen de groepstherapie niet bleek te passen.

De commissie bespreekt beide klachtonderdelen afzonderlijk.

Juiste therapie
De cliënt is van mening dat de groepstherapie die zij heeft ontvangen niet passend was voor haar klachten. De zorgaanbieder had de groepstherapie niet aan de cliënt moeten aanbieden.

De cliënt heeft zich bij de zorgaanbieder gemeld met klachten op het gebied van emotieverwerking. Als sprake is van spanning krijgt de cliënt last van spierspanning en heftige tinnitus. In samenspraak met de cliënt is vervolgens voor groepstherapie als behandelvorm gekozen. De cliënt heeft aangegeven angst voor groepstherapie te hebben, omdat ze de neiging heeft problemen van anderen over te nemen, maar toch de groepstherapie te willen proberen. Na enkele sessies bleek de groepstherapie echter een dermate grote negatieve invloed te hebben op de gesteldheid van de cliënt dat zij daarmee wilde stoppen.

Naar het oordeel van de commissie is angst, spanning of de neiging problemen van anderen over te nemen op zichzelf geen contra-indicatie voor het volgen van groepstherapie. In de setting van groepstherapie kunnen bepaalde patronen namelijk zichtbaar worden, waarna dergelijke patronen in een veilige groepssetting bewerkt kunnen worden. Een groepssetting kan een cliënt juist helpen om grenzen te leren stellen.

In zoverre kan de zorgaanbieder niet worden verweten dat de groepstherapie als mogelijke behandeloptie is aangeboden aan de cliënt. Dit is niet in strijd met de professionele standaard. Daar komt bij dat de cliënt ook heeft ingestemd met deze behandeling.

De commissie verklaart dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Geen alternatieven aangeboden
Partijen verschillen van mening over de vraag of alternatieve behandelmethoden zijn aangeboden nadat groepstherapie door de cliënt niet geschikt werd bevonden. Uit de stukken en het besprokene ter zitting is niet gebleken dat aan de cliënt is toegezegd dat – mocht de groepstherapie niet slagen – individuele therapie zou worden aangeboden. Wel is gesproken over PMT, maar dat bleek alleen mogelijk in combinatie met groepstherapie. Dat is naar het oordeel van de commissie dan ook niet aan te merken als een alternatieve behandeling.

Centraal staat dan de vraag of het ADHD-traject aan te merken is als een alternatieve behandeling. De cliënt ziet het ADHD-traject als een op zichzelf staande behandeling, nu een ADHD-traject iets anders is dan psychodynamische hulp voor haar persoonlijkheidsstoornis. De zorgaanbieder ziet het ADHD-traject wel degelijk als alternatieve behandeling.

Hoewel de zorgaanbieder beter had kunnen toetsen of de cliënt en de zorgaanbieder hierover op dezelfde lijn zaten, kan niet worden geconcludeerd dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld. Het advies om eerst een ADHD-traject te volgen is gebaseerd op een professionele inhoudelijke afweging. De cliënt is bij de te destijds maken keuze betrokken en heeft daarmee ingestemd. Uit de rapportages waaruit de zorgaanbieder ter zitting heeft geciteerd, waaronder de notities van de behandelcontacten op 17 en 23 november 2023, blijkt dat de cliënt zelf ook aangaf behoefte te hebben aan ADHD-ondersteuning. De cliënt heeft bevestigd dat het ADHD-traject een positief effect op haar heeft gehad.

De commissie concludeert dat de zorgaanbieder zich na beëindiging van de groepstherapie voldoende heeft ingespannen om een alternatieve behandeling voor de cliënt te vinden die op dat moment het best passend was, in dit geval het ADHD-traject. Wel had de zorgaanbieder hierover duidelijker kunnen communiceren met de cliënt, dat dit voor dat moment het best passende traject was en dat daarna opnieuw gekeken zou kunnen worden naar een meer persoonsgerichte behandeling indien daarvoor de hulpvraag nog actueel zou zijn. Dit leidt echter niet tot gegrondverklaring van de klacht.

Schadevergoeding
Nu de klachten van de cliënt ongegrond worden verklaard, komt de commissie niet toe aan de beoordeling van de schadevordering.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klachten van de cliënt ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit mevrouw mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, mevrouw drs. F. Zwanepol, de heer mr. S. Sierksma, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 4 februari 2025.