Geschil over rol van curator en zorgverlening levert geen gegrondheid op

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1293703/1313143

De uitspraak:

Waar gaat deze uitspraak over?

In deze zaak klaagt een man over de manier waarop de zorgaanbieder met hem is omgegaan tijdens het verblijf van zijn inmiddels overleden echtgenote. Hij vindt dat hij onterecht is buitengesloten van beslissingen en gesprekken, en dat de zorgaanbieder hem zonder goede reden heeft laten ontslaan als curator. Ook zegt hij dat de zorgaanbieder niet bereid was om samen in gesprek te gaan. De zorgaanbieder ziet dit anders. Volgens hen bemoeide klager zich te veel met de zorg en werkte hij het zorgteam soms tegen, bijvoorbeeld bij het geven van pijnmedicatie. Daarom heeft de zorgaanbieder de rechter gevraagd een andere curator te benoemen, wat ook is gebeurd. De commissie beoordeelt de klacht en komt tot de conclusie dat zij niet mag oordelen over het ontslag als curator, omdat de rechter hierover al een beslissing heeft genomen. De andere klachten van klager zijn volgens de commissie niet te bewijzen of blijken niet te kloppen. Zo is niet vast te stellen wat er precies is gezegd over de pijnmedicatie, en uit stukken blijkt dat er wel meerdere gesprekken met klager zijn geweest. Daarom verklaart de commissie alle klachten ongegrond en wijst zij ook de verzoeken om een berisping, excuses en schadevergoeding af.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: klager)

en

Stichting Amarijn, gevestigd te Vlissingen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft het handelen van de zorgaanbieder. Klager heeft hierover een aantal klachten geuit.

Standpunt van klager

Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

De echtgenote van klager (hierna te noemen: de cliënte) heeft verbleven bij de zorgaanbieder. Zij is in oktober 2024 overleden.
Klager is het niet eens met het handelen van de zorgaanbieder, in het bijzonder ten aanzien van de wijze waarop de zorgaanbieder, zonder gegronde reden, hem als curator en partner heeft geweerd en buitengesloten van communicatie en besluitvorming op alle niveaus.
De zorgaanbieder verwijt klager in dit verband ten onrechte dat hij medische adviezen heeft tegengesproken.

De zorgaanbieder heeft tot op heden, ondanks herhaaldelijke verzoeken, op geen enkel niveau bereidheid getoond om tot een gesprek en dialoog te komen. Met één zorgvuldig en inhoudelijk overleg had escalatie kunnen worden vermeden en het geschil kunnen worden voorkomen.

De zorgaanbieder heeft onjuiste en verzonnen beschuldigingen gebruikt om haar ongefundeerde doel (klager te laten ontslaan als curator) te bereiken. Mocht het zo zijn dat iemand van het verzorgend personeel zich ongemakkelijk voelde bij de aanwezigheid van klager tijdens de zorgmomenten van de cliënte, dan heeft hij daar geen enkele aanleiding toe gegeven. In dat geval ligt de verantwoordelijkheid hiervoor voornamelijk bij (de leiding van) de zorgaanbieder. De aanwezigheid tijdens zorgmomenten was in de rol van partner, niet in de rol van curator. Het hem ontzetten als curator heeft dan ook niets opgeleverd

Klager heeft het handelen van de zorgaanbieder als pijnlijk, ernstig en onnodig ervaren. Dit handelen wijkt ernstig af van professionele zorgstandaarden. De cliënte heeft daarvan schadelijke gevolgen ondervonden. Haar wens om haar belangen te laten behartigen door klager, is genegeerd en heeft geleid tot een verslechtering van de zorg.

Er is sprake van machtsmisbruik. Het is voor klager belangrijk dat op basis van de feiten helderheid komt over wat er daadwerkelijk is gebeurd, zodat hiervan kan worden geleerd en herhaling kan worden voorkomen.

Klager verzoekt de commissie de zorgaanbieder:
1. een formele berisping op te leggen;
2. te verplichten excuses aan te bieden voor de wijze waarop hij is behandeld;
3. te veroordelen tot vergoeding van de door hem gemaakte kosten als gevolg van de handelswijze van de zorgaanbieder (proceskosten, advocaatkosten, mentorkosten en reiskosten).

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde pleitnota. In de kern komt dit op het volgende neer.

De cliënte heeft vanaf 2015 tot haar overlijden op 22 oktober 2024 zorg ontvangen van de zorgaanbieder. Klager was haar curator. De samenwerking met klager is jarenlang moeizaam verlopen. Zijn bemoeienis met de zorg aan de cliënte werd in 2024 dermate problematisch dat de goede zorg in het gedrang kwam. Daarom heeft de zorgaanbieder de rechtbank verzocht klager als curator te vervangen. Dit verzoek is toegewezen. Klager kan zich hier niet bij neerleggen en is met de zorgaanbieder in discussie gegaan over de beschikking van de rechtbank.
Voor het herhalen van de discussie is de onderhavige procedure niet bedoeld. De rechter heeft al een uitspraak gedaan. Klager heeft geen redelijk belang bij een uitspraak van de commissie. Bovendien ziet de klacht van klager niet op gedragingen van de zorgaanbieder jegens de cliënte, maar draait deze om de wijze waarop hijzelf meent te zijn behandeld door de zorgaanbieder.
Gelet hierop is de zorgaanbieder van mening dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht.
Voor zover de commissie toch toekomt aan een inhoudelijke beoordeling, merkt de zorgaanbieder – in hoofdzaak – het volgende op.
De mate van bemoeienis van klager met de zorgverlening was regelmatig niet in het belang van de cliënte. De deskundigheid van het zorgteam ten aanzien van de verzorging en hygiëne werd door klager niet erkend. Bovendien werd het optreden van klager als intimiderend en grof ervaren door het betrokken zorgpersoneel. De maat was vol toen klager pijnmedicatie voor de cliënte weigerde. Dit is de concrete aanleiding geweest voor het verzoek aan de rechtbank.
Tot het moment van ontslag door de rechtbank heeft de zorgaanbieder de rol van klager als wettelijk vertegenwoordiger van de cliënte gerespecteerd. Pas na de uitspraak van de rechtbank heeft de zorgaanbieder klager niet langer als wettelijk vertegenwoordiger aangemerkt. De zorg aan de cliënte is aan de vereiste kwaliteit blijven voldoen en heeft ook in de laatste levensfase van de cliënte op een rustige en ordentelijke manier plaatsgevonden, waarbij het contact tussen klager en de betrokken zorgverleners goed is verlopen.
De zorgaanbieder is van mening dat er geen grond is voor het aanbieden van excuses en het opleggen van een berisping, en evenmin voor de door klager verzochte vergoeding van kosten.

De zorgaanbieder verzoekt de commissie primair klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn klacht, subsidiair zijn klacht ongegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil

Toetsingskader
Zoals ter zitting reeds te kennen is gegeven, is de commissie op grond van haar reglement niet bevoegd de zorgaanbieder een berisping op te leggen, omdat dit een tuchtrechtelijke maatregel is.
De commissie beoordeelt klachten en kan deze gegrond of ongegrond verklaren en eventueel een schadevergoeding toekennen. Het beoordelingskader van de commissie beperkt zich tot individuele gevallen en klachten. De commissie kan om die reden niet bepalen dat de zorgaanbieder lering dient te trekken uit de klacht, om herhaling te voorkomen en de zorg te verbeteren.
De commissie kan ook de door klager verlangde excuses niet toewijzen, nog afgezien van het feit dat excuses zich niet laten afdwingen.

De overeenkomst tussen de zorgaanbieder en de cliënte is een geneeskundige behandelingsovereenkomst. Op grond van deze overeenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende is komen vast te staan dat de zorgaanbieder is tekortgeschoten in het nakomen van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten.

In artikel 19 lid 1 van de Wet kwaliteit klachten, en geschillen zorg (Wkkgz) is vermeld dat de geschilleninstantie tot taak heeft geschillen over gedragingen van een zorgaanbieder jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening te beslechten. Een cliënt in de zin van de Wkkgz is een natuurlijke persoon die zorg vraagt of aan wie zorg wordt verleend. In artikel 21 aanhef Wkkgz is vermeld dat ook een nabestaande van een overleden cliënt een geschil aan de geschillencommissie kan voorleggen.
In het onderhavige geval kan klager (nabestaande) dus klagen over zorg verleend aan zijn echtgenote (de cliënte).

De klachten
Klager beklaagt zich er allereerst over dat de zorgaanbieder hem heeft laten ontslaan als curator. Hij stelt dat de zorgaanbieder daarvoor onjuiste en verzonnen beschuldigingen heeft gebruikt.

De commissie zal klager niet-ontvankelijk verklaren in dit klachtonderdeel. Immers, dit heeft geen betrekking op de zorgverlening aan de cliënte. Bovendien heeft de (civiele) rechter hierover al een onherroepelijk oordeel gegeven. Zoals de zorgaanbieder terecht heeft gesteld, is de onderhavige procedure niet bedoeld voor het herhalen van de discussie bij de rechter.

Klager beklaagt zich verder over het – volgens hem onterechte – verwijt van de zorgaanbieder dat hij medische adviezen heeft tegengesproken, alsmede over de weigering door de zorgaanbieder om een inhoudelijk en constructief overleg te voeren om de situatie te normaliseren.
Anders dan de zorgaanbieder, acht de commissie klager wel ontvankelijk in deze klachtonderdelen, omdat deze wel degelijk de zorgverlening aan de cliënte betreffen.

Klager heeft aangevoerd dat hij pijnmedicaties voor de cliënte nooit in de weg heeft gezeten en ook niet ter discussie heeft gesteld; hij heeft telkens consequent uitgesproken dat als er enig vermoeden van pijn was, onmiddellijk moest worden opgetreden. De zorgaanbieder heeft daartegenover gesteld dat klager pijnmedicatie voor de cliënte weigerde, terwijl zij volgens deskundige zorgverleners aantoonbaar pijn ervaarde.
Gelet op de verschillende lezingen van partijen is de feitelijke gang van zaken voor de commissie achteraf niet vast te stellen. Dat betekent dat voor de commissie niet is vast komen te staan wat er ten aanzien van het al dan niet verstrekken van pijnmedicatie aan de cliënte over en weer precies is gezegd. In gevallen als deze waarbij de lezingen van beide partijen uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest, kan de klacht niet gegrond worden bevonden. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van de zorgaanbieder, maar op de omstandigheid dat de commissie uitsluitend tot een oordeel kan komen als de feiten vaststaan. Deze feiten kan de commissie hier niet vaststellen.

Ten aanzien van het verwijt van klager dat de zorgaanbieder heeft geweigerd te voldoen aan zijn verzoek een gesprek te voeren/te overleggen stelt de commissie vast dat in de brief van voorzitter van de Raad van Bestuur van de zorgaanbieder van 15 juli 2025 is vermeld dat meerdere gesprekken met klager hebben plaatsgevonden. Klager heeft dit niet weersproken. De commissie acht ook dit klachtonderdeel daarom ongegrond.

Gelet op het voorgaande zal de commissie de door klager verzochte schadevergoeding afwijzen, nog daargelaten dat de door hem opgevoerde schadeposten niet in verband staan met de zorgverlening aan de cliënte.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog hebben aangevoerd, behoeft geen verdere bespreking, omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt beslist als volgt.

Beslissing

De commissie:

– verklaart klager niet-ontvankelijk in het klachtonderdeel dat betrekking heeft op zijn ontslag als curator;

– verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;

– wijst het door klager verzochte af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer dr. M. Decates en de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 26 januari 2026.