Geschil over pijnklachten en afwijzing nieuwe behandeling

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Behandelingsovereenkomst    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1156695/1312732

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënt had pijnklachten in haar gezicht en vond dat de zorgaanbieder haar verwijzing onterecht had geweigerd. Zij vond dat haar klachten niet goed waren beoordeeld en dat zij niet was gehoord in de interne klachtenprocedure. Het ziekenhuis gaf aan dat er geen vertrouwensbasis meer was en dat de verwijzing geen duidelijke medische reden gaf om haar opnieuw te behandelen. De commissie oordeelde dat het ziekenhuis de verwijzing mocht afwijzen en dat de klacht zorgvuldig genoeg was behandeld. De klacht is daarom ongegrond.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting Radboud universitair medisch centrum, gevestigd te Nijmegen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Onderwerp van het geschil

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil gaat over de vraag of de zorgaanbieder de verwijzing van de cliënt mocht weigeren en of de interne klachtenprocedure zorgvuldig is verlopen.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt ervaart sinds 2018 aanhoudende pijnklachten ter hoogte van het tandvlees rechts bovenin, welke volgens haar tandarts niet te verklaren zijn vanuit dentale problematiek. Tijdens meerdere controles is aangegeven dat geen sprake is van cariës en dat de pijn waarschijnlijk verband houdt met het jukbeen, dat van binnenuit druk zou uitoefenen op het tandvlees.

De cliënt is in 2010, 2011 en 2012 meermalen geopereerd bij de zorgaanbieder in verband met ernstig aangezichtsletsel na een ongeval (onder meer fracturen van jukbeen, oogkas, neus en traanbuizen). De zorgaanbieder is daarom goed bekend met haar medische voorgeschiedenis.

In 2024 is de cliënt door haar tandarts opnieuw verwezen naar de zorgaanbieder in verband met haar aangezichtsklachten. Deze verwijzing is door de zorgaanbieder afgewezen. De cliënt stelt dat deze afwijzing onterecht is, temeer nu op een MRI-scan van de hersenen opnieuw littekenweefsel zichtbaar was dat zou wijzen in de richting van het jukbeen. Volgens de cliënt had de verwijzing inhoudelijk beoordeeld moeten worden en had zij ten minste op consult moeten worden gezien.

De cliënt betwist dat zij de zorgaanbieder heeft beschuldigd van diefstal, smaad of laster. De cliënt heeft meerdere instanties, waaronder behandelaars en advocaten, geïnformeerd dat er sinds 2005 een onjuiste diagnose in haar dossier circuleert, omdat een eerdere verwijzing destijds niet via een huisarts of specialist zou zijn verlopen. Volgens de cliënt heeft de zorgaanbieder hieruit ten onrechte geconcludeerd dat zij het ziekenhuis beschuldigde, terwijl zij enkel een mededeling heeft gedaan over mogelijke onjuiste medische informatie. In plaats van hierover met de cliënt in gesprek te gaan, is volgens haar besloten de verwijzing af te wijzen.

Als gevolg van deze afwijzing heeft de cliënt langer met pijnklachten moeten rondlopen. Uiteindelijk is zij verwezen naar het UMC Groningen (hierna: UMCG), waar is aangegeven dat behandeling bij voorkeur bij de zorgaanbieder zou moeten plaatsvinden vanwege de voorgeschiedenis en de daar uitgevoerde operaties. De cliënt bevindt zich hierdoor in een situatie waarin zij tussen ziekenhuizen wordt doorverwezen, terwijl haar klachten voortduren.

De cliënt heeft een klacht ingediend bij de zorgaanbieder. Tijdens deze interne procedure is zij niet uitgenodigd om haar klacht mondeling toe te lichten. Als reden zou (opnieuw) zijn genoemd dat de cliënt zich schuldig zou hebben gemaakt aan smaad en laster.

De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat haar verwijzing zonder inhoudelijke beoordeling is afgewezen, dat zij niet is gehoord in de interne klachtenprocedure en dat hierdoor haar medische klachten langer zijn blijven bestaan. Zij acht dit onzorgvuldig, temeer nu het gaat om klachten in hetzelfde gebied waarvoor zij eerder bij de zorgaanbieder is geopereerd.

De cliënt verzoekt de commissie de klacht gegrond te verklaren en verzoekt om toekenning van een schadevergoeding van € 20.000,- vermeerderd met reiskosten.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

In september 2024 ontving de afdeling MKA een verwijzing van de tandarts van de cliënt. Op dat moment bestond er geen lopende behandelovereenkomst tussen de cliënt en de zorgaanbieder. De verwijzing is beoordeeld als een nieuwe aanmelding.

Bij de beoordeling is betrokken dat in het verleden sprake is geweest van ernstige vertrouwensproblemen tussen de cliënt en de afdeling MKA, onder meer in verband met klachten over het medisch dossier, beschuldigingen richting het ziekenhuis en een tuchtprocedure. De zorgaanbieder achtte het ontbreken van een voldoende vertrouwensbasis een gewichtige reden om geen nieuwe behandelrelatie aan te gaan, conform de KNMG-richtlijn inzake het aangaan en beëindigen van de geneeskundige behandelingsovereenkomst.

Daarnaast blijkt uit de verwijzing van de tandarts geen duidelijke relatie met de operaties uit 2010. De verwijzing zag op klachten aan kaak/tandvlees en bood geen concrete aanknopingspunten voor een nieuwe MKA-behandeling bij de zorgaanbieder.

De zorgaanbieder heeft de cliënt niet “aan haar lot overgelaten”, maar heeft verwijzer (tandarts) geadviseerd haar te verwijzen naar het UMCG, een in pijnklachten in het gelaat gespecialiseerd centrum.

Ten aanzien van de interne klachtenprocedure stelt de zorgaanbieder dat de cliënt in het verleden meerdere klachten heeft ingediend, die door klachtenbemiddeling zijn behandeld. In dat kader hebben gesprekken plaatsgevonden en is de cliënt schriftelijk geïnformeerd over de uitkomsten. De zorgaanbieder betwist dat de cliënt structureel niet is gehoord.

Verder voert de zorgaanbieder aan dat het enkele feit dat de cliënt klachten ervaart en graag opnieuw gezien wil worden door de afdeling MKA, niet betekent dat een behandelverplichting bestaat. Nu geen behandelovereenkomst tot stand is gekomen naar aanleiding van de verwijzing uit september 2024, kan er volgens de zorgaanbieder geen sprake zijn van een tekortkoming in de nakoming daarvan.

Voor zover de cliënt stelt schade te hebben geleden door het niet accepteren van de verwijzing, betwist de zorgaanbieder dat sprake is van causaal verband tussen het handelen van de zorgaanbieder en de gestelde schade.

De zorgaanbieder concludeert dat geen sprake is van onzorgvuldig handelen, dat de afwijzing van de verwijzing door de tandarts een medisch-inhoudelijke en verdedigbare beslissing is geweest en dat de klacht ongegrond dient te worden verklaard. Daarom bestaat volgens de zorgaanbieder ook geen grond voor toekenning van een schadevergoeding.

De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klacht ongegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Een arts mag slechts op grond van gewichtige redenen weigeren een behandelingsovereenkomst aan te gaan. Volgens de KNMG-richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst kunnen daartoe onder meer behoren:
• het ontbreken van een noodzakelijke vertrouwensbasis;
• het ontbreken van inhoudelijke aanknopingspunten voor behandeling binnen de eigen expertise;
• zwaarwegende organisatorische belangen.

De commissie beoordeelt of de zorgaanbieder in redelijkheid tot de afwijzing van de verwijzing heeft kunnen komen.

Afwijzing doorverwijzing
De commissie stelt vast dat het laatste inhoudelijke behandelcontact tussen de cliënt en de zorgaanbieder dateert uit 2020. Daarna is geen vervolgbehandeling afgesproken. De verwijzing van de tandarts in september 2024 moet daarom worden aangemerkt als een nieuwe verwijzing, waarbij nog geen behandelingsovereenkomst tot stand was gekomen.

Bij de beoordeling of een nieuwe behandelingsovereenkomst tot stand komt, mag een zorgaanbieder gewichtige redenen betrekken. Tot die redenen behoort het ontbreken van een wederzijds noodzakelijke vertrouwensbasis. De commissie acht aannemelijk dat bij de zorgaanbieder, mede gelet op eerdere contacten en uitlatingen van de cliënt over het ontbreken van vertrouwen in de zorgaanbieder en het medisch dossier, gerede twijfel bestond of die vertrouwensbasis aanwezig was. De commissie volgt de zorgaanbieder in het standpunt dat vertrouwen in het medisch dossier en vertrouwen in de behandeling van haar artsen niet los van elkaar kunnen worden gezien.

De commissie stelt vast dat de afwijzing van de verwijzing niet is gebaseerd op één specifieke e-mail of beschuldiging, maar op een bredere afweging binnen de afdeling MKA. Voorts acht de commissie van belang dat uit de verwijzing van de tandarts niet bleek dat sprake was van klachten die rechtstreeks samenhingen met de operaties uit 2010.

De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen nieuwe behandelingsovereenkomst aan te gaan.

Interne klachtenprocedure
Ten aanzien van de interne klachtenprocedure overweegt de commissie dat de zorgaanbieder de cliënt voldoende heeft geïnformeerd over de redenen voor de afwijzing van de verwijzing en haar, via haar tandarts, heeft geadviseerd zich te wenden tot een ander derdelijns centrum met de benodigde expertise (UMCG).

Niet is gebleken dat de zorgaanbieder de klacht van de cliënt onbehandeld heeft gelaten of dat zij niet in de gelegenheid is gesteld haar bezwaren kenbaar te maken. Dat de communicatie naar het oordeel van de cliënt ontoereikend was of persoonlijker had gekund, maakt niet dat sprake is van een onzorgvuldige klachtbehandeling in strijd met de professionele standaard.

De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder binnen de grenzen van het goed hulpverlenerschap heeft gehandeld door de verwijzing niet te accepteren en de cliënt te adviseren zich tot een ander derdelijns behandelcentrum te wenden. Dat de zorgaanbieder dit proces zorgvuldiger had kunnen inrichten (bijvoorbeeld door zelf voorafgaand overleg te voeren met het UMCG of door de cliënt persoonlijker toe te lichten waarom behandeling niet aangewezen werd geacht) maakt dit handelen niet onzorgvuldig in de zin van de professionele standaard.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Nu geen behandelingsovereenkomst tot stand is gekomen en evenmin sprake is van een tekortkoming of onrechtmatig handelen, ontbreekt een grondslag voor toekenning van schadevergoeding.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
• verklaart de klacht ongegrond;
• wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. J.D.M. Metzemaekers, de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. P.G.L. Koolen, secretaris, op 30 januari 2026.