Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: niet-ontvankelijk
Referentiecode:
1133265/1249128
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De klaagster diende een klacht in tegen Haaglanden Medisch Centrum over de zorg voor haar vader, die daar verbleef voorafgaand aan zijn overlijden. Zij maakte zich zorgen over het zuurstofbeleid, de monitoring van de saturatie en de opvolging van haar signalen. Volgens de zorgaanbieder was de klacht te laat ingediend: na het afronden van de interne klachtenprocedure op 14 maart 2024 had de klaagster uiterlijk binnen een jaar bij de commissie moeten aankloppen. De klaagster stelde dat zij al op 1 mei 2024 een klacht had gemeld, maar vanwege haar mentale en fysieke klachten het verdere proces niet tijdig kon volgen. De commissie constateerde dat zij wel een melding had gedaan, maar niet het vereiste vragenformulier en klachtengeld had ingediend. Ook heeft zij geen bezwaar gemaakt tegen het sluiten van haar dossier op 18 juni 2024. Daarom werd de melding van 1 mei 2024 niet gezien als een formele klacht met opschortende werking. De commissie stelde de daadwerkelijke indieningsdatum vast op 9 mei 2025. Daarmee was de termijn van twaalf maanden na het interne oordeel van het ziekenhuis verstreken. Omdat de overschrijding de klaagster kan worden toegerekend, werd zij niet-ontvankelijk verklaard. Hierdoor kwam de commissie niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van haar klachten over de verleende zorg.
De uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de klaagster)en
Haaglanden Medisch Centrum, gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Uit de stukken blijkt dat eerst dient te worden vastgesteld of de klaagster in haar klacht ontvankelijk is.
Overeenkomstig artikel 2 lid 3 van het Reglement Geschillencommissie Ziekenhuizen heeft de voorzitter kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 29 juli 2025 te Den Haag.
Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft zorgverlening aan de vader van de klaagster. Allereerst dient de commissie te beoordelen of de klaagster ontvankelijk is in haar geschil.
Standpunt van de klaagster
Voor het standpunt van de klaagster verwijst de voorzitter naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt – vader van de klaagster – heeft op [datum] bij de zorgaanbieder verbleven. Bij de klaagster zijn zorgen ontstaan over het zuurstofbeleid en de opvolging van signalen voorafgaand aan het overlijden van de cliënt. Er bestond onduidelijkheid over de hoeveelheid zuurstof die aan de cliënt is toegediend. Ook is de saturatie onvoldoende in de gaten gehouden en is de melding van de klaagster hierover niet adequaat opgepakt. Klaagster verzoekt de commissie uitdrukkelijk haar ontvankelijk te verklaren nu zij de onderhavige klacht heeft ingediend binnen de daarvoor geldende termijn.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de voorzitter naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder beroept zich op niet-ontvankelijkheid van de klaagster. Met het oordeel van de Raad van Bestuur van 14 maart 2024 was de interne klachtenprocedure bij het ziekenhuis afgerond. De klaagster had vanaf dat moment één jaar de tijd om een klacht bij de commissie in te dienen.
Zij heeft de klacht uiteindelijk op 23 mei 2025 aan de commissie voorgelegd, dus nadat de 12-maandentermijn was verstreken. Het ziekenhuis verzoekt de commissie dan ook de klaagster
niet-ontvankelijk te verklaren in haar klacht op grond van artikel 6 lid 1 onder c van het Reglement Geschillencommissie Ziekenhuizen.
Beoordeling van het geschil
De voorzitter heeft het volgende overwogen.
De zorgaanbieder heeft zich op het standpunt gesteld dat de klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar klacht, nu zij deze niet binnen de daartoe gestelde termijn bij de commissie heeft ingediend. De klaagster heeft daartegen aangevoerd dat zij de klacht reeds op 1 mei 2024 bij de commissie heeft ingediend. Zij heeft toegelicht dat zij als gevolg van ernstige mentale en fysieke klachten, voortvloeiend uit het overlijden van haar vader, niet in staat is geweest om benodigde stappen in de procedure tijdig te doorlopen.
De commissie stelt vast dat de klaagster op 1 mei 2024 een klacht heeft gemeld bij de commissie.
Op 27 mei 2024 heeft zij verzocht om uitstel voor het indienen van het vragenformulier. Het secretariaat van de commissie heeft de klaagster diezelfde dag schriftelijk bericht dat haar hiervoor uitstel werd verleend tot 17 juni 2024. De klaagster heeft echter nagelaten binnen deze termijn het vragenformulier in te dienen. Bij bericht van 18 juni 2024 is de klaagster, via het door haar opgegeven e-mailadres, geïnformeerd dat haar dossier werd gesloten wegens het niet tijdig aanleveren van het vragenformulier. In datzelfde bericht is de klaagster gewezen op de mogelijkheid om, indien zij het niet eens is met de sluiting van haar dossier, hiertegen schriftelijk en gemotiveerd bezwaar te maken. De klaagster heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Opschortende werking?
De commissie dient allereerst te beoordelen of de melding van 1 mei 2024 als klacht in de zin van het Reglement Geschillencommissie Ziekenhuizen dient te worden aangemerkt, en of deze melding opschortende werking heeft met betrekking tot de in artikel 6 lid 1 onder c van het Reglement genoemde termijn van twaalf maanden.
Naar het oordeel van de commissie is dit niet het geval. Op 1 mei 2024 heeft de klaagster weliswaar bij de commissie een klacht gemeld, maar zij heeft niet het voor de behandeling noodzakelijke vragenformulier ingediend. Ook is door haar geen klachtengeld voldaan. Op grond van artikel 7, lid 2 van het Reglement dient het geschil aanhangig te worden gemaakt door middel van het vragenformulier, waarin de klager zich tevens akkoord verklaart met de bindende uitspraak van de commissie. Nu de klaagster dit formulier – ondanks daartoe ruim in de gelegenheid te zijn gesteld – niet heeft ingediend, is van een aanhangig gemaakt geschil in de zin van het Reglement geen sprake geweest. De commissie betrekt hierbij dat de klaagster ook geen bezwaar heeft gemaakt tegen de sluiting van haar dossier.
Conclusie
De commissie houdt derhalve als datum van indiening van het onderhavige geschil aan: 9 mei 2025. Tussen het moment waarop de klaagster het oordeel van de zorgaanbieder op haar klacht ontving (te weten 14 maart 2024) en de indiening van het geschil bij de commissie op 9 mei 2025 is meer dan twaalf maanden verstreken. De klaagster heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat haar ten aanzien van deze termijnoverschrijding redelijkerwijs geen verwijt treft.
Op grond van het voorgaande is de cliënt niet-ontvankelijk in de klacht. Dit betekent dat de commissie niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De cliënt wordt in de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie (aangepaste) behandelingskosten verschuldigd.
Deze (aangepaste) behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 29 juli 2025.