Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: Behandelingsovereenkomst
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1133199/1313478
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De cliënt klaagde dat de zorgaanbieder haar onnodig en te pijnlijk een inwendig echo‑onderzoek had gegeven, terwijl zij dacht dat zij een CT‑scan zou krijgen. Zij vond dat de gynaecoloog te hardhandig werkte, niet luisterde naar haar pijn en dat de beelden vreemd werden afgehandeld. Het ziekenhuis zegt dat een transvaginale echo het juiste onderzoek was, dat het onderzoek volgens de regels is gedaan en dat de beelden alleen zijn verwerkt in het medisch dossier. De commissie oordeelt dat het onderzoek medisch gezien passend was, dat niet kan worden vastgesteld dat het agressief is uitgevoerd en dat de echobeelden correct zijn verwerkt. Daarom zijn alle klachten ongegrond verklaard.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
mevrouw [naam}, wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)
en
Martini Ziekenhuis, gevestigd te Groningen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft een bij de cliënt uitgevoerde transvaginale echografie.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Vanwege ernstige buikpijnklachten zou de cliënt op 11 oktober 2024 na verwijzing door [naam andere kliniek] bij de zorgaanbieder een CT-scan ondergaan, maar dit bleek om een inwendig vaginaal onderzoek te gaan. Het inwendig onderzoek was erg pijnlijk en de gynaecoloog ging agressief te werk. De cliënt gaf herhaaldelijk aan dat het veel pijn deed omdat zij net een hysterectomie had gehad maar de gynaecoloog ging door met het inwendig onderzoek. Ook gebruikte de gynaecoloog te weinig gel op het apparaat.
Ook de dagen na het onderzoek had de cliënt ernstige pijn en kon zij niet zitten, bewegen of bukken. De cliënt gebruikte fentanylpleisters omdat zij de pijn anders niet zou kunnen verdragen. Voornamelijk de rechter eierstok doet veel pijn, op de plek waar de gynaecoloog vooral op drukte.
De cliënt verwijt de gynaecoloog veel emotionele en lichamelijke schade te hebben veroorzaakt. De cliënt is hierdoor getraumatiseerd. Alleen al de gedachte aan het bezoeken van een dokter veroorzaakt bij haar nachtmerries.
Ook heeft de gynaecoloog na afloop van het onderzoek de echobeelden geprint en ergens naartoe gebracht, wat de cliënt niet begrijpt.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Uit de verwijsbrief van de huisarts van 18 september 2024 blijkt dat de reden voor verwijzing is: controle na uterusextirpatie in het buitenland. De cliënt is op 11 oktober 2024 gezien op een “spoedplek” door de dienstdoende superviserend gynaecoloog, [naam]. Deze spoed plek is gecreëerd na telefonische afstemming met de door [naam andere kliniek] in Amsterdam waar de cliënt op 10 oktober 2024 werd gezien vanwege aanhoudende buikklachten.
Soort onderzoek
In de verwijsbrief van door [naam andere kliniek] staat: “patiënte gebeld, uitleg gegeven dat we verder onderzoek willen laten doen in het ziekenhuis, dat ze nu naar de eerste hulp mag gaan, of morgen, afh van de klachten. Ze is akkoord dat ik alle gegevens doorstuur. Ze wil graag morgen gaan: morgen melden in MartiniZH 13u lab, urine en 14u spoedpoli gyn route 2.2 bij persisteren klachten eerder melden op SEH Martini ziekenhuis morgen TC horen of alles goed loopt”.
Aldus is er geen sprake van een doorverwijzing voor een CT-scan, maar voor “verder onderzoek” door een gynaecoloog. Voor het uitvoeren van een CT-scan was medisch gezien ook geen aanleiding. ln de aantekeningen van de gynaecoloog in het medisch dossier over het consult is ook niets terug te vinden over het kennelijk bestaande verzoek van de cliënt voor een CT-scan. Gezien de bevindingen van door [naam andere kliniek] (hematoom, hoge bekkenbodemtonus) en de hulpvraag van de huisarts, was een transvaginale echo een passend en toereikend onderzoek om de situatie te beoordelen. Een abdominale echo was daarvoor geen optie.
Uitvoering onderzoek
De zorgaanbieder betreurt de ervaring van de cliënt. Dat de cliënt pijn heeft ervaren tijdens het onderzoek betekent echter niet dat het onderzoek onzorgvuldig of agressief is uitgevoerd. De gynaecoloog herkent de door de cliënt geschetste gang van zaken niet. De inwendige echo is lege artis uitgevoerd met gebruik van het juiste materiaal en gel. Daarbij is er in de beleving van de gynaecoloog, zoals te doen gebruikelijk, zoveel mogelijk rekening gehouden met de pijnbeleving van de cliënt. Ander standaard gynaecologisch onderzoek – zoals speculumonderzoek – is vanwege de geuite pijnklachten achterwege gelaten.
Echobeelden
De echobeelden zijn zoals gebruikelijk geprint en verwerkt in het medisch dossier van de cliënt. Dat de echobeelden zijn afgegeven aan een derde kan dus enkel het medisch secretariaat betreffen voor de correcte verwerking in het dossier. De echobeelden zijn gescand in het dossier, de geprinte beelden zijn vervolgens vernietigd.
Schadevergoeding
Volgens de zorgaanbieder dient de vordering tot schadevergoeding te worden afgewezen, vanwege het ontbreken van het causale verband tussen de beweerdelijke fout en de schade. Daarbij komt dat ook de gestelde schade door de cliënt niet is onderbouwd en door de zorgaanbieder wordt betwist.
Beoordeling van het geschil
De klacht van de cliënt valt in drie klachtonderdelen uiteen. De commissie bespreekt deze klachtonderdelen hierna afzonderlijk.
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Was het inwendig onderzoek onnodig en was een CT-scan meer passend geweest?
De cliënt klaagt dat zij bij de zorgaanbieder een CT-scan zou moeten ondergaan, terwijl in plaats daarvan een transvaginaal echografisch onderzoek is verricht. Volgens de cliënt was dit onderzoek onnodig nu dit de vorige dag ook al door de door [naam andere kliniek] was gedaan, en bovendien niet passend.
De cliënt is door door [naam andere kliniek] naar de zorgaanbieder verwezen voor een spoedafspraak. Uit de spoedeisendheid van deze verwijzing leidt de commissie af dat complicaties als gevolg van de eerder verrichte ingreep in het buitenland niet konden worden uitgesloten.
In dat kader heeft de zorgaanbieder, conform de professionele standaard en in overeenstemming met de geldende richtlijnen, eerst bloed- en urineonderzoek verricht, teneinde ernstige complicaties zoals nabloedingen en perforaties uit te sluiten. Uit deze onderzoeken is gebleken dat de infectiewaarden binnen de normale grenzen lagen. Vervolgens heeft de zorgaanbieder toegelicht dat aanvullend inwendig onderzoek noodzakelijk was om het hematoom nader in beeld te brengen, nu een CT-scan als eerste onderzoek minder voor de hand ligt, gezien de stralingsbelasting. Met een transvaginale echografie kan een hematoom ook zorgvuldig in beeld gebracht worden, zonder stralingsbelasting.
Dat de verwijzend zorgverlener mogelijk met de cliënt heeft gesproken over een CT-scan, maakt dit niet anders. Het is aan de zorgaanbieder om, op basis van de beschikbare informatie, een zelfstandige professionele afweging te maken ten aanzien van het in te zetten diagnostisch onderzoek.
Nu ernstige complicaties reeds door middel van het laboratoriumonderzoek waren uitgesloten, was het onderzoek door middel van een transvaginale echografie op dat moment begrijpelijk en passend.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Uitvoering inwendig onderzoek
De cliënt stelt dat het inwendig onderzoek onnodig agressief is uitgevoerd, mede gezien het feit dat zij kort daarvoor een grote operatie had ondergaan. De cliënt voert aan dat de gynaecoloog te weinig gel heeft gebruikt en onvoldoende acht heeft geslagen op haar herhaalde uitingen van pijn, gelet op haar voorgeschiedenis van ernstige pijn en de bekende aanwezigheid van een hematoom.
De zorgaanbieder heeft erkend dat het inwendig onderzoek voor de cliënt zeer pijnlijk is geweest. De gynaecoloog heeft ter zitting verklaard dat haar behandelbeleid daarop is aangepast, door onderzoek met behulp van een speculum achterwege te laten.
De commissie merkt op dat noch de pijnbeleving van de cliënt, noch het daarop aangepaste beleid in het medisch dossier is vastgelegd. Naar het oordeel van de commissie had de zorgaanbieder, gezien de relevante pijnklachten en voorgeschiedenis van de cliënt, het verloop van het onderzoek en het daarop aangepaste beleid zorgvuldiger moeten documenteren.
Dit betekent echter niet dat de commissie kan concluderen dat het inwendig onderzoek met agressie is uitgevoerd. Enerzijds heeft de cliënt aangevoerd dat de gynaecoloog niet heeft gereageerd op haar uitingen van pijn; anderzijds heeft de zorgaanbieder gesteld dat de gynaecoloog wél op de pijnklachten heeft gereageerd en een deel van het onderzoek niet heeft uitgevoerd.
De commissie concludeert dat op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken niet kan worden vastgesteld wat er precies tijdens het inwendig onderzoek heeft plaatsgevonden. De commissie acht het begrijpelijk dat de beleving hiervan tussen partijen uiteenloopt.
Het is vaste jurisprudentie van de commissie dat, in gevallen waarin de lezingen van partijen uiteenlopen en de feitelijke gang van zaken niet kan worden vastgesteld, het verwijt van de cliënt op het betreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de cliënt minder geloofwaardig zou zijn dan dat van de zorgaanbieder, maar op de omstandigheid dat een oordeel over (on)zorgvuldig handelen moet worden gebaseerd op vastgestelde feiten. De commissie kan deze feiten in het onderhavige geval niet vaststellen.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Afgeven echobeelden
De cliënt begrijpt niet dat de geprinte echobeelden door de gynaecoloog ergens naartoe zijn gebracht en aan iemand anders zijn afgegeven.
Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder voldoende toegelicht dat de betreffende echobeelden uitsluitend aan een medewerker van het secretariaat zijn afgegeven teneinde in het digitale dossier te worden geplaatst. De commissie ziet geen aanleiding om aan deze verklaring van de zorgaanbieder te twijfelen.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klachten van de cliënt ongegrond.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, de heer dr. A.B. Hooker, mevrouw mr. I. van den Hoven – van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 13 januari 2026.